Meer huurhuizen: zowel op de vrije huurmarkt, als de sociale

De gemiddelde wachtlijst voor een sociale huurwoning bedraagt in Nederland acht jaar, met uitschieters tot 21 jaar. Hier moet zo snel mogelijk een einde aan komen. Door deze zeer lange wachtlijsten komen zowel nieuwkomers, die zoeken naar een eerste huis, als ouderen, die zoeken naar een seniorenwoning, lelijk in de knel. Ouderen blijven wonen in een woning die hen niet past, en nieuwkomers zijn aangewezen op de weinige vrije sector huurwoningen die er zijn. Door een gebrek aan vrije sector huurwoningen zijn de prijzen hiervoor zeer hoog. Het is daarom niet vreemd als een nieuwkomer in de stad meer dan de helft van zijn inkomen aan woonlasten kwijt is. Om een einde te maken aan de malaise op de huurmarkt, moet er veel veranderen, zowel bij de sociale huur als bij de sector huur. D66 wil dat er de komende jaren 100.000 extra sociale huurwoningen worden bijgebouwd. Deze woningen zijn nodig om de wachtlijsten weg te werken en vluchtelingen met een verblijfstatus te kunnen huisvesten, zonder dat er sprake is van verdringing. Met een korting op de verhuurdersheffing bij met name transformatie en inbreidingsbouw hebben de corporaties extra financiële middelen om hier, naast in verduurzaming van de woningvoorraad, de komende jaren flink in te kunnen investeren. 

Daarbij moet meer onderscheid worden gemaakt tussen regio’s. In krimpregio’s, bijvoorbeeld in Limburg of Groningen, gelden andere opgaven dan in bijvoorbeeld de regio Amsterdam of Utrecht. Het woningmarktbeleid moet, anders dan nu het geval is, meer ruimte bieden voor deze regionale verschillen. 

In de grote steden is er in absolute zin geen gebrek aan sociale huurwoningen. Meer dan de helft van Amsterdam bestaat bijvoorbeeld uit sociale huurwoningen. Het probleem is dat er te weinig doorstroming is naar vrije sector huurwoningen. Mensen die ooit in een sociale huurwoning zijn gaan wonen, maar inmiddels hiervoor te veel verdienen, blijven deze woning vaak bezet houden. Dat is logisch, omdat ze niet kunnen doorstromen. De vrijehuursector waarin zij graag terecht zouden willen, met huren tussen €700 en €1000 per maand, bestaat nauwelijks. De vrije huur die wel bestaat is voor hen even onbereikbaar als kopen. Er zijn de afgelopen jaren verscheidene maatregelen genomen om mensen die te veel verdienen om recht te hebben op een sociale huurwoning meer bij te laten dragen aan de werkelijke kosten van hun woning. Daarnaast zijn woningcorporaties gestimuleerd om zich enkel te richten op sociale woningbouw, en hun overige activiteiten af te stoten. Zo zijn er vele woningen uit het bezit van woningcorporaties naar de vrije sector gegaan, of verkocht. Dit was echter niet genoeg om het gebrek aan vrije sector huurwoningen op te lossen. Dit kunnen we alleen aanpakken door simpelweg meer te bouwen. D66 wil daarom dat gemeenten in het lokale woonbeleid, naast aantallen sociale huurwoningen, ook harde doelstellingen opnemen voor vrije sector huurwoningen. Ook moet men leegstaande kantoorpanden ombouwen, bijvoorbeeld naar kleinschalige wooneenheden voor studenten en alleenstaanden. Op die manier krijgt de levendigheid van onze binnensteden ook meteen een impuls. Dit moet op termijn leiden tot 80.000 extra vrije sector huurwoningen. Bij dit alles hecht D66 eraan dat we in buurten blijven zorgen voor een gemengd woningaanbod. Dit komt spreiding ten goede, en zorgt ervoor dat buurten niet te eenvormig worden. Dat betekent dat er ook sociale huurwoningen bijgebouwd zullen worden daar waar die er te weinig zijn. Voor de woningen die gebouwd worden, geldt dat zij moeten passen bij de vraag, ook als die verandert; dat vraagt om flexibel bouwen.