Lid zijn en worden van de EU

De Europese Unie is geen keuzemenu. Lidstaten mogen delen van de verdragen niet naar behoeve buiten werking stellen. Nieuwe lidstaten moeten kiezen voor het gehele “Acquis communautaire”. We moeten tegelijkertijd ook erkennen dat in sommige gevallen een deel van de landen, bijvoorbeeld de landen die de Euro delen, sneller vooruit wil dan de rest. Om niet gegijzeld te worden door die laatste landen is D66 voorstander van een Europa van twee snelheden waarbij conform Titel IV van het Verdrag van de EU voor een groep lidstaten in de Europese Unie mogelijk moet zijn om nauwer met elkaar samen te werken en andere lidstaten kunnen inspringen zodra die daar klaar voor zijn. Soms is dit de enige reële kans om politieke problemen binnen de huidige EU op te lossen.

De omarming van het volledige stelsel aan Europese regels en beleid is een voorwaarde voor toetreding tot de Unie. Voor mogelijke nieuwe leden ligt de lat onverminderd hoog. Korte termijn overwegingen en geopolitieke verhoudingen mogen niet leiden tot marchanderen met de toetredingscriteria, noch tot het in de kou laten staan landen die toenadering zoeken en noemenswaardige vooruitgang maken. Als het huidige proces van uitholling van de Turkse rechtsstaat, waaronder de mogelijke herinvoering van de doodstraf, verder gaat, zijn verdere stappen in toetreding ongeloofwaardig en wil D66 de onderhandelingen over toetreding stopzetten.

Voor visumvrij reizen in de Schengenzone, zoals bijvoorbeeld voor Turkije, gelden heldere criteria en afspraken die niet onderhandelbaar zijn ten behoeve van politieke deals. Ook landen die al lid zijn, moeten zich aan de regels op het gebied van democratie, rechtsstaat en burgerlijke vrijheden houden. Om dit te bewaken moeten meer waarborgen worden ingebouwd. Het Europees Parlement heeft het D66-initiatief voor een jaarlijkse grondrechtentoets voor alle lidstaten omarmd, zodat niet alleen gemaakte afspraken over begrotingsdiscipline, maar ook de Europese waarden worden nageleefd. D66 wil dat de uitkomst van deze toets jaarlijks wordt besproken in de nationale parlementen, onder leiding van een rapporteur democratie, rechtsstatelijkheid en grondrechten.