Blijf op de hoogte!

Steun ons en help Nederland vooruit

Ouderschap

Erkenning van het ouderlijk gezag

Steeds meer kinderen worden buiten het huwelijk geboren. Op dit moment moeten ongehuwde partners na gezamenlijke erkenning van het kind een verzoek bij de rechtbank indienen om gezamenlijk ouderlijk gezag aan te vragen. Aan gehuwde ouders en geregistreerde partners wordt het gezamenlijk gezag daarentegen van rechtswege toegekend. Zonder ouderlijk gezag is de juridisch ouder niet bevoegd te beslissen over de opvoeding van het kind of op te treden als zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger. D66 wil dat het onderscheid tussen ongehuwde en gehuwde of geregistreerde partners op dit vlak verdwijnt. Uit de rechtspraktijk blijkt namelijk dat als ongehuwde ouders uit onwetendheid hebben nagelaten het gezamenlijk ouderlijk gezag aan te vragen, de kans dat de ongehuwde partner het gezag alsnog krijgt toegekend na een relatiebreuk klein is. Dit kan leiden tot de situatie dat een juridisch ouder die tot dat moment het kind heeft opgevoed en verzorgd, niet (langer) bevoegd is het kind op te voeden en te verzorgen. Om dit te voorkomen en om de erkenning van het ouderlijk gezag aan zowel ongehuwde als gehuwde en geregistreerde partners gelijk te stellen, wil D66 dat ongehuwden na de erkenning van het kind met instemming van de geboortemoeder van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag krijgen toegekend.

Meerouderschap

Steeds meer kinderen groeien op met feitelijk drie of vier ouders. Soms ontstaat dit meeroudergezin na de geboorte van het kind. Bijvoorbeeld omdat de juridische ouders uit elkaar gaan en samen met een nieuwe partner – de stiefouder, ook wel de ‘sociale ouder’ genoemd – het kind opvoeden. We spreken dan over ‘niet-intentioneel meerouderschap’. Drie of vier ouders besluiten om samen het kind te verwekken en na de geboorte op te voeden; twee wensmoeders met een donorvader en eventueel zijn partner, of twee wensvaders met een draagmoeder en eventueel haar partner. We spreken dan over ‘intentioneel meerouderschap’. Er is dan bewust de keuze is gemaakt om gezamenlijk een kind te verwekken met de intentie het kind gezamenlijk op te voeden. In het Nederlands afstammingsrecht is het op dit moment niet mogelijk dat meer dan twee personen juridisch ouder zijn van het kind. Ook het ouderlijk gezag wordt door maximaal twee personen uitgevoerd. In een meeroudergezin is de band tussen het kind en de derde en vierde ouder juridisch niet beschermd. D66 vindt dat niet meer van deze tijd en wil dat het gezag over een kind aan meer dan twee ouders kan worden toegezegd.

Liberalisering van het naamrecht

Ouders in Nederland hebben voor de keuze van de achternaam die zij het kind geven twee opties: de achternaam van de moeder of de achternaam van de vader. Het is niet mogelijk om het kind de achternaam van de moeder en de vader te geven. In 2009 heeft de werkgroep Liberalisering Naamrecht al aanbevolen de keuzemogelijkheden voor het naamrecht te verruimen, door ouders de mogelijkheid te geven om naast de geslachtsnaam van de vader of die van de moeder te kiezen voor een combinatie van geslachtsnamen, dus van zowel de vader als de moeder. In landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België is dit inmiddels al wel het geval. D66 pleit daarom voor liberalisering van het naamrecht om zo beide ouders de mogelijkheid te bieden de band met het kind te bevestigen.

Onderzoek naar gevolgen echtscheiding op kinderen

Steeds meer minderjarige kinderen maken een breuk tussen de ouders door. Het aantal scheidingen is inmiddels meer dan 1 op 3 paren. Een scheiding hoort dus voor veel kinderen bij de familie van nu. Een gedeelte van deze kinderen verliest na de ontbinding van de relatie van de ouders het contact met de uitwonende ouder. Dit is met name het geval wanneer er sprake is van conflict tussen de ouders tijdens de scheiding. Ook na de scheiding valt op dat de verhouding tussen de ex-partners een belangrijke factor is in het contact tussen het kind en de uitwonende ouder. Het resultaat hiervan kunnen schrijnende situaties zijn, waarin de relatie tussen ouder en kind ook op de lange termijn beschadigd kan worden. Het is mogelijk dat het kind door de ruzie tussen de ouders in een loyaliteitsconflict raakt en om die reden ervoor kiest – al of niet bewust – het contact met de uitwonende ouder te verbreken. Ook kan het niet naleven van een omgangsregeling oorzaak zijn aan de verslechtering van het contact tussen kind en de uitwonende ouder. Er is echter nog maar weinig bekend over dit fenomeen.Wel is duidelijk dat de oorzaak voor het verbreken van het contact met de uitwonende ouder in belangrijke mate ligt in de mate van ouderlijk conflict tijdens het uit elkaar gaan. Exacte cijfers zijn moeilijk te geven en er is nog een wereld te winnen aan informatie over wat wel en niet werkt om tijdens een scheiding tot een omgangsregeling te komen. Er zijn verschillende interventies voor, tijdens of na een scheiding voorgesteld, alleen is er weinig bekend in hoeverre deze effectief zijn, vooral geredeneerd vanuit het belang van het kind.

D66 vindt dat de mate van conflict niet ertoe mag leiden dat een kind zich gedwongen voelt het contact met de uitwonende ouder te verbreken of juist te houden. Ook op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben kind en ouder na ontbinding van de partnerrelatie in beginsel recht op omgang met elkaar. Omdat er nog onvoldoende kennis over bestaat, wil D66 daarom meer onderzoek naar het contactverlies tussen kind en uitwonende ouder na een scheiding, om effectievere interventies in te kunnen zetten.

Laatst gewijzigd op 14 april 2016