Volg jouw D66-thema

Schrijf je in voor onze nieuwsbrieven en ontvang de laatste updates op basis van jouw interesses.

Door je e-mailadres in te vullen en op "aanmelden" te klikken geef je ons toestemming om je e-mailadres op te slaan. Dit gebruiken wij om je regelmatig updates te sturen. Hier kun je meer lezen over hoe we omgaan met jouw persoonsgegevens. Hier kun je alle voorkeuren wijzigen.

Steun ons en help Nederland vooruit

Hoofdstuk 1: Onderwijs als motor van groei en kansengelijkheid

Goed onderwijs is, naast het gezin waarin je opgroeit, de aanjager van kansen en de motor van persoonlijke groei en ontplooiing. Een leven lang. Door onderwijs vergroot je niet alleen je kennis en ontwikkel je taal-, reken- of vakman vaardigheden: onderwijs bereidt je ook voor op een leven in een samenleving waarin er oog is voor de ander en waar mensen in staat zijn zelf goede keuzes te maken. In een wereld die steeds sneller verandert, is goed onderwijs een leven lang nodig om mensen wendbaar en weerbaar te maken. Goed onderwijs is daarmee niet alleen in het belang van het individu, maar in het belang van ons allemaal. Niet je afkomst of religie, of de rijkdom, positie of opleiding van je ouders mogen bepalend zijn. Toegankelijkheid van goed onderwijs voor iedereen is een zaak van rechtvaardigheid. Talent en inzet zijn de enige factoren die het succes van het individu bepalen. Ongeacht je afkomst, kansen voor de toekomst.

Het huidige onderwijs is goed, maar onze ambities gaan verder. Vandaag is er te veel kansenongelijkheid, er zijn te weinig tweede kansen en de gemiddelde kwaliteit is niet hoog genoeg. Docenten krijgen onvoldoende de ruimte om te excelleren en er wordt te veel gedacht vanuit gemiddelden en niet vanuit de toegevoegde waarde voor elk kind – van achterblijver tot koploper. Gelukkig laten andere landen zoals Finland en Singapore zien dat er binnen één schoolgeneratie grote sprongen voorwaarts gemaakt kunnen worden.

D66 kiest daarom voor investeren in onderwijs. Onderwijs is een kansenmotor, maar ook een aanjager van vrij denken en gericht op brede ontplooiing en vorming.

We investeren in leraren, in kwaliteit, in brede scholen met daarbinnen vroeg- en voorschools onderwijs voor iedereen, in versimpeling van leergangen, in tweede kansen, in leven lang leren en in onderzoek; en dat alles met meer aandacht voor de leerling en minder bureaucratie.

 

Door een goede basis gelijke startkansen

D66 wil een goede start voor elk kind. Door de manier waarop we de kinderopvang nu hebben georganiseerd ontstaan verschillen in vaardigheden tussen jonge kinderen uit uiteenlopende delen van de samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van taalbeheersing. D66 wil  daarom dat alle kinderen vanaf twee jaar toegang krijgen tot kinderopvang: een brede basisvoorziening van hoge kwaliteit. Beginnend met vier dagdelen per week, ook voor kinderen van niet-werkende ouders. Kinderen met verschillende achtergronden groeien zo samen op. Dat voorkomt schotten en vergroot gelijke kansen. Tegelijkertijd wordt het voor ouders eenvoudiger om te werken.

Een goed voorbeeld hiervan is Sterrenschool Het Universum in Almere. Kinderen kunnen hier tussen 07.00 en 19.00 uur terecht en school. Kinderopvang en naschoolse activiteiten sluiten naadloos op elkaar aan. Voor ouders heeft de school flexwerkplekken, zodat ze desgewenst even kunnen werken op school om bijvoorbeeld de files naar hun werk te vermijden.

De huidige versnipperde vroeg- en voorschoolse educatie voorzieningen worden in de nieuwe voorziening met elkaar verbonden. We werken toe naar een situatie waarin vroeg- en voorschools onderwijs samenwerkt met een basisschool en welzijnsinstanties, zodat kinderen tot twaalf jaar op één plek terechtkunnen en het onderwijs op elkaar aansluit en afgestemd wordt in zogenaamde doorlopende leerlijnen.

We versimpelen de bestaande, versnipperde financieringsstromen om dit mogelijk te maken, waarbij niemand meer gaat betalen.

 

Het staat of valt met leraren

Uiteindelijk staat of valt goed onderwijs met de leraar. D66 wil het onderwijs teruggeven aan de leraar. Die geven we meer tijd, meer ruimte en meer vertrouwen. Daarom zorgde D66 voor de 20-lesurennorm. Van leraren verwachten wij dat zij van elkaar leren, zich ontwikkelen, hun kennis en vaardigheden op peil houden en elkaar helpen steeds een beetje beter te worden. De leraar is eigenaar van zijn eigen les(methodes) en de onderwijsinspectie kijkt niet over zijn schouder mee, maar toetst of het onderwijs voldoet aan de wettelijke vereisten en alleen wanneer het heel erg slecht gaat ook met de manier waarop het onderwijs wordt vormgegeven. Deze zienswijze vertaalt zich in investeringen in en eisen stellen aan kwaliteit. Beginnend met meer aandacht op de lerarenopleiding voor effectief lesgeven en het inzetten van de nieuwste inzichten en modernste methoden. Leraren moeten zich meer en vaker bijscholen en houden onderlinge gesprekken over de kwaliteit van lesgeven en bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen. De pabo’s en lerarenopleidingen moeten ook een rol gaan spelen bij de ontwikkeling van leerkrachten die al voor de klas staan. Praktijkervaring, begeleiding door ervaren leraren en aanvullende scholing maken een leraar van startbekwaam vakbekwaam. Voor leraren die zich willen laten bijscholen is een lerarenbeurs beschikbaar en in het lerarenregister worden scholing en behoefte inzichtelijk. Voor leraren in het beroepsonderwijs moet er tijd en ruimte zijn om stage te lopen in het bedrijfsleven, zodat ze altijd op de hoogte zijn van de nieuwste technologie en laatste ontwikkelingen. De overheid zorgt ervoor dat leraren meer tijd aan hun leerlingen kunnen besteden door de administratie-, regel- en rapporteerdruk te verkleinen. Maar ook door te investeren in klassenassistenten en conciërges. Plofklassen moeten we tegengaan. En we willen leraren die met succes de moeilijkste klassen lesgeven beter belonen. De instroom in de pabo moet meer divers worden, zodat het personeel op basisscholen een betere afspiegeling vormt van de samenleving.

 

Meer vertrouwen, minder regels op details

De overheid is doorgeslagen in de hang naar sturen op resultaten en de verantwoording daarvan. Dit heeft een overdaad aan regels en rapportages tot gevolg. We belasten en beperken de leraar te veel. D66 wil daarom dat met en door onderwijsprofessionals een stofkam, of liever nog een bezem, door regels wordt gehaald. Wij willen toe naar een omgang met leraren, besturen en instellingen die uitgaat van veel vertrouwen en met als spiegelbeeld dat er stevig ingegrepen wordt wanneer het mis gaat. Verantwoording afleggen naar elkaar – naar leraar, leerling, student en/of ouders – vormt de basis.

 

Brede buurtschool (kindcentra) voor iedereen

D66 wil dat basisscholen meer bieden dan alleen onderwijs. Een brede buurtschool (kindcentrum) is een school waar alle kinderen van twee tot twaalf jaar terecht kunnen. Op een brede buurtschool ontwikkelen kinderen zich op het gebied van sport, cultuur, creativiteit, techniek en maken kennis met natuur en duurzaamheid. Naschoolse opvang en overblijven zijn altijd mogelijk. Deze school biedt een integraal dagarrangement waarin ook aandacht is voor een gezonde leefstijl, bijvoorbeeld met een derde uur gym. Dat wil niet zeggen dat scholen al deze activiteiten overnemen van de verenigingen die ze nu aanbieden. Maar wel dat we via scholen zorgen dat alle kinderen deel kunnen nemen aan dergelijke activiteiten. In Den Haag zijn er inmiddels mooie en inspirerende initiatieven tot brede buurtscholen van de grond gekomen. D66 wil deze brede voorziening overal gerealiseerd zien, financiële middelen ter beschikking stellen en zorgen voor harmonisering van regelgeving en het opheffen van barrières in bijvoorbeeld budgettering, inrichtingseisen en de manier waarop kwaliteit getoetst wordt. Aan het eind van de komende kabinetsperiode (in 2021) moet elk kind voor een brede buurtschool kunnen kiezen.

 

Nieuwe tijden, nieuwe vaardigheden

Het is belangrijk dat het onderwijs met de tijd meegaat. Taal, rekenen en kennis blijven van belang, maar we zien dat digitale vaardigheden als programmeren, sociale vaardigheden als samenwerken en ook zelfredzaamheid aan belang winnen in het leven. D66 wil dat alle leerlingen op school werken aan deze vaardigheden. Onze plannen om bijvoorbeeld programmeren op te nemen in het basisonderwijs worden breed gesteund. In de praktijk zien we echter dat verandering traag gaat. Gelukkig zijn er veel initiatieven die buitenschools georganiseerd worden. CoderDojo bijvoorbeeld. Dit is een project dat in veel Nederlandse steden wordt opgezet en georganiseerd door vrijwilligers. Kinderen van zeven tot zeventien leren hier programmeren, websites bouwen, apps ontwikkelen en meer. Om leraren in staat te stellen dit onderwijs ook te kunnen te verschaffen moet hiervoor aandacht zijn op lerarenopleidingen en in het bijscholingsaanbod.

Onderwijs gaat niet alleen over het bijbrengen van arbeidsmarktvaardigheden. Er wordt ook gewerkt aan bewustwording van burgerschap en de privacy- en veiligheidsrisico’s van de digitale samenleving en geïnvesteerd in culturele vorming. En is er aandacht voor begrip van gezamenlijke geschiedenis, inclusief bijvoorbeeld de zwarte bladzijdes van kolonialisme en slavernij. D66 is voorzichtig met van bovenaf opgelegde onderwijsmodes, maar het onderwijs mag niet stilstaan. We willen dat leraren, maar ook ouders, leerlingen en bedrijven vroegtijdig worden betrokken bij vernieuwingen in onderwijsmethodes.

 

Vóór doorstromen en stapelen

Niet elk kind ontwikkelt zich op dezelfde manier en in hetzelfde tempo. D66 wil voorkomen dat een gemiste eerste kans ook meteen de laatste kans was. Doorstromen, stapelen en op latere leeftijd terugkeren naar het onderwijs moeten eenvoudig zijn en gestimuleerd worden. We willen weer brede en meerjarige brugklassen creëren, bij voorkeur ook in vmbo/havo combinaties. En met gemeenten samen zorgen we voor zomerscholen. Aanmeldingsprocedures moeten eenvoudig, toegankelijk en transparant zijn. Wij willen voldoende middelbare scholen die vmbo tot vwo combineren. Categorale scholen voorzien in een behoefte, maar moeten altijd intensief samenwerken met brede scholen om stapeling en maatwerk mogelijk te maken. Daarnaast wil D66 experimenteren met driejarige brugklassen. We halen prikkels voor selectie aan de poort weg voor middelbare scholen die willen voorkomen dat leerlingen van vwo naar havo gaan of van havo naar vmbo. Succes van ‘twijfelleerlingen’ met een lager basisschooladvies gaan we juist belonen. En er moet een warme overdracht van leerlingen van basisschool naar middelbare school zijn die het voor een middelbare school makkelijker maakt in te spelen op de individuele behoeftes van de leerling. Bij dit meer gepersonaliseerde onderwijs hoort ook het volgen en examineren van vakken op meerdere niveaus. Dit willen we mogelijk maken via een zogenaamd maatwerkdiploma. Meisjes en kinderen met een niet-westerse achtergrond worden actief gestimuleerd ook exacte en technische vakken en opleidingen te kiezen en beroepskeuzebegeleiding moet op talent gebaseerd zijn.

Goed rekenonderwijs is belangrijk. Een landelijke rekentoets bij het examen die doorslaggevend is voor slagen of zakken, legt de nadruk echter te eenzijdig op het belang van rekenen en doet geen recht aan de leerlingen van wie de kwaliteiten op een ander gebied liggen. D66 wil daarom onmiddellijk stoppen met deze (af)rekentoets en het rekenonderwijs op de basisschool en de onderbouw van de middelbare school versterken.

In het beroepsonderwijs zullen we alleen centraal examineren op taal en rekenen voor die mbo’ers die door willen stromen naar het hbo of waar taal en rekenen een essentieel onderdeel is van het beroep, zoals bijvoorbeeld bij klassenassistenten, verplegend personeel of technische beroepen. We zorgen dat het onderwijs op vmbo en mbo beter op elkaar aansluit. Dit doen we onder andere door één integraal toetsingskader en door het toelaten van experimenten met doorlopende lijnen als ware het één onderwijssysteem. Bekostigingsregels die stapelen en tweede kansen tegengaan, zoals de zogenaamde cascadebekostiging, maar ook bekostiging die geen rekening houdt met samenstelling van de leerlingen, passen we aan.

Daarnaast willen we investeren in opleidings- en beroepskeuze, omdat nog steeds te veel (en met name niet-westerse) kinderen kiezen voor een opleiding met beperkte arbeidsmarktkansen. We werken met gemeenten aan het tegengaan van schooluitval. In het hoger onderwijs bevorderen we tweede studies door eenzelfde collegegeld als voor de eerste studie.

 

Mensen zijn nooit uitgeleerd

Alles om ons heen verandert voortdurend – en wij zelf ook. D66 wil dat mensen de kans krijgen om hun vaardigheden aan te passen aan veranderende eisen op de arbeidsmarkt of zelf voor een andere richting te kiezen. We willen dat mensen weerbaar en vrij zijn, dat iedereen mee kan blijven doen en dat iedereen kan doen waar hij goed in is. “Een leven lang groeien” betekent dat mensen hun hele leven in staat worden gesteld hun kennis bij te werken, te verbreden en te verdiepen. D66 wil dit levenslange leerrecht bevorderen door de bestaande budgetten voor bijscholing, de werkgeversfondsen, individueel inzetbaar te maken via een individueel scholingsbudget. Deze budgetten worden dus persoons- in plaats van sectorgebonden. We maken het sociaal leenstelsel toegankelijk voor laatbloeiers en voor mensen die na een aantal jaren werken een tweede kans willen, ook als ze ouder dan dertig zijn. Mensen die na een onderbreking van hun carrière een doorstart willen maken, krijgen de gelegenheid hun vaardigheden snel weer op peil te brengen. De toegang tot het mbo/hbo/wo voor ouderen wordt vereenvoudigd door meer gebruik te maken van deelcertificaten, door meer flexibiliteit te brengen in het aanbod, door redelijke collegegelden te vragen en ook door mensen in de WW of bijstand de mogelijkheid te geven om een opleiding te volgen. In het kader van leven lang leren bevorderen we het aanbod van avondopleidingen in het beroepsonderwijs en nemen we barrières als leeftijdseisen en hoge collegegelden weg. Een leven lang groeien geldt ook voor nieuwkomers, want juist hen kunnen we op deze manier helpen om hun plek in de samenleving te vinden. Voor nieuwkomers, onder wie asielzoekers, moeten vanaf het moment van aankomst tweejarige internationale schakelklassen beschikbaar zijn. Voor nieuwkomers die ouder zijn dan zestien moeten passende trajecten beschikbaar komen en willen we betere en snellere diploma-erkenning, met desnoods bijscholingstrajecten op maat.

 

Pak laaggeletterdheid aan

Het is steeds moeilijker mee te komen in onze samenleving als je niet goed kunt lezen of schrijven. 2,5 miljoen Nederlanders zijn laaggeletterd. Met onze plannen voor vroeg- en voorschools onderwijs, brede buurtscholen en uitmuntende leraren zullen we de instroom van jonge laaggeletterden sterk terugdringen ten opzichte van de huidige 14%. D66 wil ook investeren in laaggeletterden die de school al verlaten hebben. D66 wil de middelen die gemeenten nu krijgen uitbreiden. Zo kunnen gemeenten taalcursussen inkopen, investeren in bibliotheken en taalhuizen of in andere vormen van taalonderwijs. Ook digitale kennis wordt belangrijker: steeds vaker wordt gevraagd iets via internet te regelen, en bij veel banen moet men kunnen omgaan met computers. Sommige mensen kunnen deze ontwikkelingen niet bijbenen en hebben daardoor moeite mee te komen. D66 wil ook deze digitale laaggeletterdheid bestrijden.

 

Stimuleer getalenteerde leerlingen

Uit vergelijkende onderzoeken blijkt keer op keer dat zwakkere leerlingen zich dankzij het Nederlandse onderwijsstelsel zich goed ontwikkelen. Dat is iets om trots op te zijn en op voort te bouwen met onze agenda van kansengelijkheid. Tegelijkertijd zijn wij veel minder goed in het ontwikkelen van de meest getalenteerde leerlingen en studenten. Wij zijn ervan overtuigd dat toptalent alleen maar belangrijker wordt voor het economisch en maatschappelijk succes van Nederland in een globaliserende wereld. Daarom wil D66 dat specifieke programma’s, zoals plusklassen en honoursprogramma’s, ruimschoots beschikbaar en toegankelijk zijn. Daar waar een kleine school deze niet kan aanbieden moet er met scholen in de buurt en de gemeente gezocht worden naar oplossingen.

 

Passend onderwijs – voor achterblijvers én hoogbegaafde leerlingen

Elk kind heeft recht op onderwijs op zijn of haar eigen niveau, binnen de eigen mogelijkheden. Of leerlingen nu achterblijven of juist hoogbegaafd zijn, of achterblijven omdát ze hoogbegaafd zijn: D66 wil hun leerrecht wettelijk verankeren. Voor kinderen die extra zorg nodig hebben, zijn extra budgetten beschikbaar. D66 wil het toekennen van deze budgetten eenvoudiger maken. Een aanvraag door school en ouder moet in principe voldoen. Passend onderwijs moet ook voorzien in specifieke behoeften van leerlingen met beperkingen. In sommige gevallen is en blijft speciaal onderwijs door vakspecialisten noodzakelijk. Zo kan op initiatief van D66 het Doveninternaat in Haren blijven bestaan en worden de zestig kinderen die hier les hebben niet verdeeld over andere scholen in het land.

Thuiszitten is nooit een acceptabel alternatief. De recente invoering van passend onderwijs verplicht schoolbesturen om samen te werken in het aanpassen van het onderwijs aan de onderwijsbehoefte van de leerling. Zo kunnen meer leerlingen in het regulier onderwijs blijven en wordt schoolverzuim tegengegaan. De ontstane samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs zullen de komende jaren hard moeten werken om het aantal thuiszitters terug te dringen. Extra aandacht is nodig voor het vergroten van de betrokkenheid van de ouders en het beperken van de administratieve belasting van ouders en leraren.

 

Koester bijzonder talent

D66 koestert jong sport- en creatief talent. Deze talenten lopen soms tegen de inflexibele structuur van het schoolse leven aan, ondanks de inzet van bijvoorbeeld Topsport Talentscholen (LOOT) of creatieve opleidingen zoals conservatoria. D66 wil dat we voor deze talenten flexibel omgaan met onderwijstijd en -doelen. Wij streven ernaar de mogelijkheden voor sportieve en creatieve talenten in het onderwijs te optimaliseren.

 

Moderne vrijheid van onderwijs

Het klassieke onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs is voor ouders minder en minder van belang. De aandacht van ouders gaat vooral uit naar kwaliteit, pedagogische aanpak, sfeer en locatie. In onze grondwet, in artikel 23, is vrijheid van onderwijs vastgelegd. Dit artikel kan echter ook een beperking opleveren voor de acceptatieplicht van leerlingen, voor samenwerking tussen scholen, voor waarborgen voor onderwijskwaliteit en voor zeggenschap van gemeenten en hun regierol. D66 is altijd al kritisch over dit artikel in de grondwet en zal indien de genoemde problemen niet opgelost kunnen worden, opnieuw het initiatief nemen dit artikel aan te passen. D66 wil daadwerkelijke ruimte om een school te stichten van andere dan de klassieke richtingen. Bijvoorbeeld door innovatie te stimuleren en ideeën te verzamelen, zoals in Amsterdam bij het project ‘Onze Nieuwe School’. In gebieden waar scholen te maken krijgen met sterk dalende leerlingenaantallen, moeten scholen zoveel mogelijk (kunnen) samenwerken of samengaan om de kwaliteit te behouden. Krimpregio’s moeten in samenwerking met scholen een plan maken hoe ze op de lange termijn het onderwijsaanbod op peil houden.

 

Voortreffelijk beroepsonderwijs

Er is behoefte aan excellente vakmensen. D66 wil dat het beroepsonderwijs – vmbo, mbo én hbo – een volwaardige pijler is naast het academisch onderwijs. Het beroepsonderwijs moet daarom versterkt worden, in het bijzonder het mbo. Een eerste stap is het terugdringen van de grote fragmentatie en de overdaad aan richtingen. D66 wil een beperkt aantal herkenbare en brede studierichtingen die doorstroming vanuit vmbo en havo eenvoudiger maken, die aansluiten bij de arbeidsmarkt en die internationale uitwisseling en stages stimuleren. Want uitwisseling in het beroepsonderwijs is net zo goed belangrijk als in het hoger onderwijs. Een ondergrens aan het aantal leerlingen per richting voorkomt versnippering, waarbij voor specialistische vakopleidingen met een duidelijke arbeidsmarktvraag een uitzondering wordt gemaakt. Doorlopende leerlijnen bevorderen de aansluiting tussen vmbo en mbo en hbo. We maken het eenvoudiger voor jonge mensen om te blijven leren, door het gebruik van Associate Degrees, Meestertitels en zogenaamde meesterschap-in-vakmanschaptrajecten die ook in deeltijd kunnen worden gevolgd. Werkgevers worden in het opleidingstraject betrokken. Voor leerlingen die wel goed zijn in hun vak, maar voor wie te hoge eisen aan taal en rekenen (avo-isering) leiden tot het risico van uitval, wordt het mogelijk een vakdiploma te halen dat toegang biedt tot de arbeidsmarkt. We verwachten van onderwijsinstellingen dat zij in de regio actief samenwerken met bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen om het aanbod bij de arbeidsvraag te laten aansluiten en voldoende stage- en leerplekken te scheppen. Contact met werkgevers en met oud-leerlingen over hun eventuele nascholing bieden scholen waardevolle inzichten in mogelijke lacunes in hun opleidingen. Daar waar scholen te zwak zijn of sprake is van slecht bestuur grijpt de inspectie in.

 

Wetenschappelijk onderwijs van wereldklasse

D66 heeft ervoor gezorgd dat in de komende jaren meer wordt geïnvesteerd in het hoger onderwijs en dat meer ruimte is ontstaan voor medezeggenschap van studenten en docenten. Voor deze investering was het invoeren van het sociaal leenstelsel noodzakelijk. De toegankelijkheid van het hoger en wetenschappelijk onderwijs was en is voor D66 een harde randvoorwaarde. Eventuele nadelige effecten op de toegankelijkheid, onder wie ook voor studenten die van het mbo naar het hbo kunnen en willen doorstromen, zullen indien nodig worden gecorrigeerd. Verder bevorderen we de toegankelijkheid met een wettelijk collegegeld voor tweede studies, een begrensd collegegeld voor laatbloeiers en het verlagen van barrières tussen het hbo en wo, zodat studenten flexibeler van het gehele hoger onderwijsaanbod gebruik kunnen maken.

Wij willen de komende jaren dat de aandacht expliciet uitgaat naar de beoogde hogere kwaliteit van onderwijs. De door het nieuwe leenstelsel vrijvallende middelen zullen ook in de toekomst voor de kwaliteit van het hoger onderwijs gereserveerd blijven; het betreft immers gelden die in het verleden als basisbeurs aan de studenten werden uitgekeerd.

De kwaliteit van onderwijs vergt daarnaast voldoende goede docenten die op hun onderwijsprestaties aanspreekbaar zijn. Zij moeten voldoende begeleidingstijd krijgen per student en voldoende beschikking hebben over de digitale instrumenten die bij modern onderwijs en onderzoek horen. Naast de wo-masters wordt meer ruimte gegeven aan professionele masters binnen het hbo. Binnen de kunstenstudies (conservatoria, beeldende kunst-, design-, en modeacademies, toneelscholen) kan worden geëxperimenteerd met een derde onderwijscyclus, inclusief een professionele doctoraat. Initiatieven om talentvolle studenten en docenten uit het buitenland aan te trekken krijgen volle steun, evenals pogingen om dergelijk talent ook na hun studie voor de Nederlandse economie te behouden. Bijvoorbeeld door hen met een blue card versneld een werk- en verblijfsvergunning te kunnen verlenen.

 

Omarm online en digitaal onderwijs

Het onderwijs zit middenin een digitale revolutie. Nieuwe digitale lesmethoden kunnen een positief effect hebben op zowel de effectiviteit van de lesmethoden als de tijdsbesteding van de leraar. Digitale kennisdeling, leren op afstand,
Massive Open Online Courses, digitaal toetsen, digitaal bijscholen vormen een rijke aanvulling op de huidige vormen van onderwijs. D66 wil dat Nederlandse onderwijsinstellingen deze ontwikkelingen omarmen en leraren scholen hiermee om te gaan. Er zullen daarbij altijd een aantal instellingen vooroplopen, ook internationaal, en dat moedigen wij  aan. Met alle instellingen samen moet, het liefst op Europese schaal, gewerkt worden aan de officiële erkenning van online vakken en studies.

 

Internationaal onderwijs wordt belangrijker

Ons onderwijs heeft steeds meer de taak onze kinderen op te leiden als wereldburgers. Daarnaast is er een groeiend aantal buitenlandse kinderen die een deel van hun schoolcarrière in Nederland beleven. D66 wil dat ons onderwijs mee ontwikkelt en internationaler wordt. Dat vraagt allereerst om ruimte voortweetalig basis- en voortgezet onderwijs. D66 is ook voorstander van het uitbreiden van het Engelstalig hoger onderwijs. Hoger onderwijs in het Engels is een verrijking voor de student en maakt het eenvoudiger om buitenlandse studenten en docenten aan te trekken en gebruik te maken van internationale lesmateriaal en online lessen. Voorwaarde is wel dat het onderwijs dan ook plaatsvindt in Engels van hoog niveau. Ook in het beroepsonderwijs wil D66 meer aanbod van andere (vak)talen. Voor al het voortgezet- en vervolgonderwijs moet internationale uitwisseling van leerlingen en studenten en deelname aan programma’s zoals het Erasmus-programma bevorderd worden.

 

Voorzichtig met selectie aan de poort

Sluipenderwijs is de selectie aan de poort bij het hoger onderwijs toegenomen. Geschat wordt dat ongeveer een derde van de wo-studenten en een tiende van de hbo-studenten in hun studie is beland na een succesvol verlopen selectie. Wanneer selectie verder gaat dan het uitfilteren van mensen met lage cijfers, maar er echt gekeken wordt naar motivatie en talent, kan selectie helpen bij het optimaal inzetten van schaarse onderwijsmiddelen. Maar er is een reëel risico dat instellingen kiezen voor ‘minder riskante’ studenten, waardoor bijvoorbeeld jongeren met een niet-Nederlandse achtergrond de kans lopen buiten de boot te vallen. D66 wil dat deze effecten heel expliciet in kaart worden gebracht en als onderdeel van de jaarplannen worden gedeeld. We hebben liever geen selectie, dan selectie die – onbedoeld – geschikt talent van een kans berooft.

 

Studenten ontwikkelen zich breed

Nederland kent een lange traditie van uitgebreide ontplooiing naast de studie. Het ontplooien en ontwikkelen van talent is onverminderd van belang. Ook nu het hoger onderwijs door het sociaal leenstelsel en bindende studieadviezen zakelijker geworden is. Studenten die een bestuursjaar gaan doen, naar het buitenland gaan of een uitgebreide stage willen lopen, moeten daarvoor de ruimte krijgen. Inflexibele collegegelden, prestatienormen en vereiste voortgang kunnen in de weg staan. D66 is daarom voorstander van maatregelen voor flexibel en collegegeldvrij studeren.

 

Meer medezeggenschap

Wij zijn altijd al voorvechter van sterke medezeggenschap. Op dit moment leggen bestuurders met name verantwoording af aan de onderwijsinspectie en ‘Den Haag’, maar dat is vooral een papieren werkelijkheid. Goed onderwijs komt tot stand als degenen om wie het onderwijs draait een stem hebben in de besluitvorming: leerlingen, studenten, ouders en docenten. Zij staan nu vaak nog buitenspel, terwijl zij goed kunnen beoordelen wat goed onderwijs is en hoe leraren het beste bij hun leerlingen of studenten naar boven halen. D66 wil een open cultuur en échte invloed van studenten, ouders en docenten op scholen en hún onderwijs. Deze medezeggenschap zorgt ervoor dat de behoeftes van de direct betrokkenen in het schoolbeleid centraal komen te staan. D66 wil bij universiteiten en hogescholen de opleidingscommissies en facultaire studentenraden versterken en rechten en plichten voor deze raden uitbreiden. Medezeggenschap moet zowel centraal als decentraal sterk zijn. Ook in het mbo is behoefte aan sterkere medezeggenschap.

 

Investeren in onderzoek

D66 heeft de afgelopen jaren gezorgd voor meer investeringen in wetenschappelijk onderzoek – fundamenteel en toegepast. Deze lijn zetten wij voort. Daarbij willen we de administratieve last van het aanvragen van subsidies beperken. Het uitwisselen en aantrekken van internationaal onderzoektalent door Nederlandse topinstellingen krijgt volle steun. In het kader van ontwikkelingssamenwerking wordt ingezet op het delen en uitwisselen van kennis en onderzoek op gebieden waar Nederland goed in is. Dit helpt de opkomende economieën waarin we investeren en geeft tegelijkertijd het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek een impuls. De vruchten van dit met publiek geld gefinancierde onderzoek moeten zoveel mogelijk vrij toegankelijk en voor iedereen beschikbaar zijn. D66 pleit voor zogenaamde ‘open science’ platformen.

 

Cultuur als bron van ontplooiing

Cultuur zet ons aan tot denken, verruimt onze blik, daagt ons uit, ontroert en troost ons, uit onze creativiteit en verbindt ons met ons verleden. Culturele uitingen houden ons en onze samenleving een spiegel voor en bieden de verbintenis met een gedeeld en ook soms gescheiden verleden. Daarnaast levert de culturele sector een wezenlijke bijdrage aan de leefbaarheid van onze gemeenten en de aantrekkelijkheid van ons land als vestingplaats en toeristische bestemming. De overheid heeft hierin een belangrijke rol. Allereerst door te zorgen dat iedereen, maar vooral onze kinderen, gelegenheid krijgt om kennis te maken met kunst en cultuur. Geen kind verlaat wat ons betreft de middelbare school zonder het Rijksmuseum te hebben bezocht. Degenen die bijzondere creatieve talenten krijgen hebben de kans deze te ontplooien. We zorgen dat er een gevarieerd aanbod van kunst en cultuur is – van klassiek tot vernieuwend. Dit aanbod maken we toegankelijk voor iedereen, ongeacht inkomen, leeftijd, culturele achtergrond en woonplaats. Ten slotte moet de overheid zorgen dat kunst en cultuur toekomstbestendig zijn, door onze monumenten, kunstschatten, archieven en archeologische vondsten te bewaren voor de generaties na ons.

De laatste twee kabinetten hebben afgerekend met cultuur. Het rijk en gemeenten en provincies bezuinigden elk bijna een kwart op hun budget. Dat is niet zonder gevolgen gebleven. Van de instellingen die sinds 2013 geen structurele rijkssubsidie meer ontvangen is de helft gestopt. Voor het overgrote deel gaat het om instellingen in de podiumkunsten. Musea, theaters en productiehuizen teren veelal in op eigen vermogens. Er zijn zo’n twintigduizend banen verloren gegaan en door beperkte loonstijging hebben de mensen die nog wel een baan hebben ook meebetaald. Er is niet alleen in het vet gesneden, het mes is te vaak tot het bot gegaan. D66 wil daarom gericht investeren in het herstel van cultuur. Daarbij houden we het versterkte ondernemerschap en de verwerving van steun van publiek uiteraard vast. D66 wil dat het komend kabinet investeert in cultuur.

 

Cultuur in het onderwijs

Kinderen moeten van jongs af aan in aanraking komen met kunst en cultuur. De school maakt kunst en cultuur toegankelijk, ook voor leerlingen die dat niet van huis uit meekrijgen. Cultuuronderwijs moet dan ook een vast onderdeel zijn van de lesprogramma’s in het lager en middelbaar onderwijs. We streven er daarbij naar om cultuur te integreren in de volle breedte van het onderwijs. Zo kan een biologieklas naar een natuurmuseum gaan, of een filosofieklas een bezoek brengen aan het theater.
Cultuuronderwijs is niet alleen leuk en inspirerend, maar het zorgt ook voor historisch besef en draagt bij aan de vorming van een eigen identiteit. Zo kan een schilderij of voorwerp een verhaal vertellen over het verleden en tegelijkertijd de verschillen en overeenkomsten met het heden laten zien. Kunstvakken, zoals theater, muziek en beeldende vorming, kunnen een creatieve geest stimuleren. Nieuwsgierigheid, iets op verschillende manier bekijken en leren beschrijven en het probleemoplossend vermogen worden door cultuuronderwijs gestimuleerd. Daarmee levert cultuureducatie een essentiële bijdrage aan de ontwikkeling van de creatieve vaardigheden van kinderen, vaardigheden waar ze nog een leven lang profijt van kunnen hebben. Het budget voor cultuureducatie, bijvoorbeeld voor het programma ‘cultuureducatie met kwaliteit’, wordt verhoogd en ook toegankelijk gemaakt voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs.

 

Topkwaliteit met allure

D66 wil gericht investeren in kwaliteit met internationale uitstraling, zoals toporkesten en beeldbepalende toneel- en dansgezelschappen. Daarbij is ook ruimte voor samenwerking tussen de kunstvormen wat nu dikwijls tussen wal en schip valt. Deze investering geldt ook voor zogenaamde ‘moeilijke producten’ en kwetsbare vernieuwende cultuuruitingen. Met deze investering bouwen we de kwaliteit uit en dragen we deze uit in binnen- en buitenland. Daarnaast investeren we gericht in voorzieningen voor talentontwikkeling zoals productiehuizen en beurzen voor kunstenaars, architecten en ontwerpers.

 

De collectie van Nederland laten zien en laten leven

Nederland heeft een fijnmazig museumbestel met in vrijwel elke stad of dorp een museum. Al die musea samen, groot en klein, tonen de Nederlandse geschiedenis en ons rijke culturele verleden. Om die collectie vitaal te houden, moet het ook mogelijk blijven deze aan te vullen met nieuwe werken. Het Aankoopfonds en het Mondriaanfonds spelen daarin een belangrijke rol. Deze moeten dan ook de slagkracht hebben, om onze collectie levend en toekomstbestendig te houden. Met de musea gaat het goed: ze trekken jaarlijks meer bezoekers, ook uit het buitenland. Grote tentoonstellingen, de zogenoemde ‘block-busters’, breken records in bezoekersaantallen. Daar mogen we trots op zijn. Door  als overheid garant te staan voor een groter deel van de verzekering voor topstukken kunnen nog meer museumbezoekers in Nederland genieten van de mooiste werken.

Maar laten we ons tegelijkertijd niet blindstaren op de bezoekersaantallen. En vooral ook oog blijven houden voor de onderzoekstaken van musea. Goed collectiebeheer is wellicht niet meteen zichtbaar voor de buitenwereld, maar wel een kerntaak van een museum en een voorwaarde voor succesvolle tentoonstellingen later. We moeten er dus voor waken dat de bezuinigingen die de sector te verduren heeft gehad ten koste gaan van het aantal conservatoren en de opleidings- en onderzoekstaken van een museum. Die zijn namelijk cruciaal voor de waarde van de collectie.

 

Erfgoed beschermen voor volgende generaties

Ons culturele erfgoed is het tastbare verleden dat we kunnen doorgeven aan toekomstige generaties. Dat erfgoed is overal te vinden. In archieven, musea, in verhalen en tradities, soms in het buitenland, maar soms ook gewoon op straat. Dat moeten we koesteren. Dit vraagt om afstemming tussen het rijk, de provincie en de gemeente, tussen rijksinstellingen en hun lokale omgeving, maar ook tussen de verschillende ministeries – het vraagt om een integrale benadering. Bij het beschermen van ons erfgoed voor de toekomst en bij het toegankelijk maken voor een groot publiek, speelt digitalisering een cruciale rol. Hiervoor moeten dan ook voldoende middelen beschikbaar zijn, onder andere door aanvulling van het Aankoopfonds Collectie Nederland en een erfgoed trust.

 

Werken aan toegankelijkheid

D66 vindt het belangrijk dat iedereen toegang heeft tot het gesubsidieerd culturele aanbod. Dus ook jonge mensen en nieuwe Nederlanders. Dat vraagt vindingrijkheid en initiatief van culturele instellingen. De overheid moet dat stimuleren door meer waardering en financiële ruimte te geven voor brede festivals en genres die buiten de traditionele kunstuitingen vallen. En door ruimte te bieden voor experimenten met nieuwe vormen van presentatie en manieren om het publiek te bereiken.

 

Cultuur in heel het land

De huidige Basis Infrastructuur (BIS) is gebaseerd op een evenwichtige spreiding van culturele voorzieningen over het land, maar houdt te weinig rekening met regionale verschillen en behoeften. D66 is er voorstander van dat regio’s – culturele instellingen samen met de regionale en lokale overheden – voorstellen doen voor een samenhangend cultureel aanbod voor de regio, waarbij financiering van rijk, provincie en gemeenten gebundeld worden.

 

Media als waakhond van de democratie

Een divers media- en omroeplandschap is van het hoogste belang voor een samenleving die haar kritisch vermogen wil blijven ontwikkelen. Wanneer mensen kennis nemen van andere standpunten en andere manieren van kijken naar een werkelijkheid neemt de kans op begrip toe. Het alleen maar horen van bevestiging van het eigen gelijk in media van eigen kring kan daarentegen leiden tot een grotere tweedeling. Kritische media zijn cruciaal in een tijd waarin mensen weer meer optrekken met gelijkgestemden en zij minder blootgesteld worden aan andersdenkenden.

Onafhankelijke journalistiek is een essentiële voorwaarde voor een moderne en sterke democratie. Die journalistiek staat onder druk door bezuinigingen en door concurrentie van gratis alternatieven. Redacties verdwijnen of worden kleiner en worden kwetsbaar doordat ze steeds meer afhankelijk zijn van freelancers. Steeds minder journalisten moeten een keuze maken uit het aanbod van steeds meer persvoorlichters. Nieuwsmedia gaan bovendien steeds verder om de gunst van de lezer, kijker en luisteraar te winnen. Dat gaat ten koste van de ruimte die de professional, de journalist, heeft om nieuws te brengen dat volgens hem belangrijk is. Met name de lokale en regionale onafhankelijke en pluriforme media en journalistiek staat onder druk. Dat terwijl we meer overheidsmacht en democratische bevoegdheden hebben gedecentraliseerd. Het is van publiek belang dat er op alle niveaus sprake is van onafhankelijke, hoogwaardige en kritische journalistiek.

 

Publieke omroep onderscheidend op kwaliteit

Er is een duidelijke publieke mediataak gericht op nieuws, informatie, cultuur en educatie. Nederland heeft een unieke publieke omroep die van oudsher de hoofdrol speelt in het uitvoeren van die taak. Daarbij staan niet gemiddelde kijkcijfers, maar zowel het bedienen van specifieke doelgroepen als het bereiken en verbinden van een brede doorsnede van de Nederlandse samenleving voorop. D66 heeft zich de afgelopen periode sterk gemaakt voor het halveren van de bezuinigingen van dit kabinet op de publieke omroep.

Naast de traditionele, van oorsprong verzuilde omroepen zijn nieuwe omroepen tot het bestel toegetreden. De publieke omroep is in ontwikkeling, met een groeiende rol van NPO, netcoördinatoren en programmaraden. D66 gaat door op de ingezette lijn. Daarin mogen ook andere producenten dan de omroepverenigingen programma’s maken voor de publieke omroep. Mensen blijven de mogelijkheid houden om bijvoorbeeld door middel van lidmaatschap, invloed uit te oefenen op het programma-aanbod. De taakomroepen NOS en NTR nemen een bijzondere positie in, omdat zij zorg dragen voor de brede nieuws- en informatievoorziening.

 

Onafhankelijke en vindbare publieke omroep

D66 vindt een sterke, onafhankelijke, pluriforme publieke omroep die nationaal en lokaal is geworteld in de samenleving, van essentieel belang voor het functioneren van de democratie. Die staat of valt immers met goed geïnformeerde burgers. In een sterk veranderend medialandschap moeten we ervoor blijven zorgen dat de inhoud van die publieke omroep eenvoudig vindbaar is, ook wanneer mensen bijvoorbeeld alleen nog maar online tv of radio consumeren. De onafhankelijkheid van de publieke omroep wordt vooral gewaarborgd door een overheid die haar rol kent. De overheid stelt duidelijke kaders, maar gaat niet over de inhoud van de programmering.

 

Versterking regionale publieke media

In de toekomst zal NPO dé uitgever zijn van landelijke en regionale publieke media. Per zender of medium zal een hoofdredacteur verantwoordelijk zijn voor de inhoud. Als buffer tussen programmamakers en politiek is een sterke programmaraad onontbeerlijk. De regionale omroepen krijgen zendtijd op één van de landelijke netten voor regionaal nieuws en informatieve en educatieve programma’s over de regio. De samenwerking tussen regionale omroepen die nu gestalte krijgt is een goede stap op weg naar versterking van deze omroepen.

 

Versterking lokale journalistiek

Lokale omroepen zijn nu financieel afhankelijk van de lokale overheid. Dat is onwenselijk. D66 wil dat lokale omroepen landelijk gefinancierd worden, zodat ze onafhankelijk kunnen opereren. Mede ter versterking van de lokale democratie is het belangrijk dat de overheid ook blijft investeren in de lokale omroepen. We verwachten van omroepen, ook de lokale, dat ze innoveren. Belemmeringen voor privaat-publieke samenwerking met online en printmedia nemen we weg.

 

 

Laatst gewijzigd op 26 augustus 2016