Vaandeldragers van ‘66

55 jaar nadat D66 in Hotel Krasnapolsky werd opgericht, bevonden drie fractieleden van het eerste uur zich wederom in het karakteristieke gebouw aan de Dam.

Anneke Goudsmit, Minne Dijkstra en Erwin Nypels waren erbij toen een nieuwe, ambitieuze partij het politieke landschap binnenstormde en daar sindsdien niet meer is weggegaan. Elk verlieten zij hun politieke carrières al decennia geleden – elkaar hebben ze ook al jaren niet gezien. Echter, dat hun herinneringen en politieke betrokkenheid nog altijd springlevend zijn, blijkt als ze aan tafel aanschuiven. Een gesprek over hun idealen, over mensen die niet meer zijn, en over de politiek van toen.

Anneke Goudsmit, Minne Dijkstra en Erwin Nypels - Anneke Goudsmit, Minne Dijkstra en Erwin Nypels in gesprek over de geschiedenis van D66. - Beeld: Jeroen Mooijman

tekst Milan Assies
foto’s Jeroen Mooijman
oude foto’s Nationaal Archief / Anefo
Dit stuk verscheen eerder in de najaarseditie van Democraat in 2021.

  • Anneke Goudsmit

Erwin: “Het verhaal van D66 begint eigenlijk op Koninginnedag 1966. Toen kwam een groep van zeven mensen bijeen die aan het nadenken was over het oprichten van een partij, of een beweging. Ze begonnen in hun kennissenkring medestanders te vinden. Dat werden er uiteindelijk 36, waaronder ik. Daaruit kwam het Initiatiefcomité D66 voort. Die kwamen een paar keer samen in Amsterdam om na te denken over de grondslagen van hun organisatie en legden dit vervolgens vast in een publicatie: het Appèl. Bij dat Appèl zat een kaart, waarop je kon aangeven of je mee wilde werken aan de oprichting van een eventuele beweging of partij. Daar kwamen 2500 reacties op.”

Minne: “Het Appèl, kwam uit op 15 september 1966. Daar stond de naam Democraten ’66 toen al in. Je kon dat overal in de boekhandel kopen. Daarna begonnen we met het organiseren van vergaderingen, en kwamen we voor het eerst als congres samen in de RAI. Dat was waar Hans (Van Mierlo red.) in een paal klom en aankondigde dat we wegens tijdgebrek op derde kerstdag weer zouden samenkomen. En toen werd hier, in Krasnapolsky, de kandidatenlijst vastgesteld. De verkiezingen waren vervolgens in februari. Dat was maar vijf maanden na het uitkomen van het Appèl.”

Erwin: “De val van het kabinet Cals-Vondeling en de vervroegde verkiezingen waren rampzalig. Moet je je voorstellen. Er moesten regelementen gemaakt worden, een programma opgesteld, kandidaten worden geselecteerd, en dat alles razendsnel. Je kon toen ook alleen maar zendtijd voor politieke partijen krijgen als je in alle achttien kieskringen deelnam. Uiteindelijk hadden we een paar uur voordat de kandidaatstelling sloot te weinig handtekeningen in kieskringen Drenthe en Zeeland. Ik geloof dat het toen Hans Wessel was, die onze mensen daar belde. Hij heeft ze toen opgedragen om per direct naar buiten te lopen, de straat in te lopen, en bij elk huis aan te bellen om te vragen of zij hun handtekening wilde zetten. Een uur voor de indiening kwam het telefoontje dat dit had gewerkt. Als deze actie mislukt was zouden we hier waarschijnlijk nu niet zitten. Het beslissende, bekende promotiefilmpje van Hans van Mierlo die in zijn regenjas langs de grachten loopt, was er dan niet geweest.”

Anneke: “Het was een ervaring om in die tijd betrokken te zijn. Als je naar bijeenkomsten ging, dat had je echt het idee onder gelijkgestemden te zijn. Er hing een bijna studentikoze sfeer en het was ook best een Amsterdamse bedoening. Ik kende er veel mensen uit de advocatuur. Het was echt zoiets van, ‘daar wil ik bij horen’. Het eerste congres was warrig, maar ook heel boeiend.”

Minne: “Ik werd destijds ook actief nadat ik op het Appèl werd gewezen, door een schoolgenoot van mij uit Stiens, in Friesland. Het sprak me zó aan. Het gaf een analyse van de hachelijke toestand van onze democratie en beschreef hoe het kabinet en de Kamer niet meer onafhankelijk van elkaar konden opereren; hoe de invloed van de kiezer was geminimaliseerd. Toen heb ik me opgegeven. Ik reed dan naar Amsterdam, en sliep bij Hans van Mierlo op de bank toen ik naar congressen ging. Toen werd ik gevraagd of ik op de kandidatenlijst wilde komen. Ik dacht alleen: ja, avontuur! Ik was toen 29 jaar.”

  • Erwin Nypels

Erwin: “Ik was eerst voorzitter van de JOVD geweest. Samen met een groep (oud) JOVD’ers heb ik toen binnen de VVD het Liberaal Democratisch Centrum opgericht, om die partij meer naar een sociaal-liberale richting te trekken. Dat mislukte. Daarom werkte ik mee aan de opbouw van D66 en zegde ik het lidmaatschap van de VVD op. Ik moest daarna nog wel toestemming vragen aan de PTT, mijn werkgever, of ik op de kieslijst mocht komen te staan. Die kreeg ik, maar dan wel voor een onverkiesbare plek. Ik kwam op plek 6, want ja, dat zou een nieuwe partij toch niet halen. Toen haalden we er zeven.”

Anneke: “Toen we met zeven zetels in de Kamer kwamen, waren andere partijen wel bevreesd. De verkiezing daarvoor was de Boerenpartij in het parlement gekozen. Kamerleden en de voorzitter Van Thiel, van de KVP, waren bang dat wij ook zo’n soort partij zouden zijn. Dat viel heel erg mee. Als fractie waren we verder absoluut niet hiërarchisch, en erg onafhankelijk.”

Minne: “We waren erg harmonieus met z’n allen. Er was niet één leider; Hans was onderdeel van de groep. Onze houding was open, het zorgde ervoor dat we goed contact hadden met andere fracties. Behalve met de Boerenpartij, want daar viel echt niet mee te praten.”

Anneke: “Zelfs met SGP kon je heel goed kopjes koffie drinken. Ze vonden het natuurlijk wel vreselijk dat we een niet-christelijke vorm van politiek voorstonden. Achter de schermen hadden we met alle partijen verder veel discussies. Vaak waren ze het ook nog wel met ons eens. Maar met ons meestemmen? Dat kon echt niet. Ik herinner me een keer dat ik een presentatie gaf, waar een mevrouw van de KVP bij was. Dat ging over de nieuwe echtscheidingswet. Tijdens de discussie zei ze, ‘ik ben het eigenlijk wel met Anneke eens’, waarop ik haar aanspoorde om dan ook maar met me mee te stemmen. En alsof het noodlot het wilde – in die tijd begon je de presentielijst met een willekeurig persoon – werd zij als eerste genoemd bij de stemming. En toen stemde ze dus ‘voor’. De KVP’er die na haar kwam lette niet op, dacht toen dat dát de KVP-lijn was, en stemde ook voor.”

Erwin: “In die tijd stemde de Kamer niet op basis van of je het ergens mee eens was of niet. In de coalitie stemde je altijd voor, in de oppositie altijd tegen. Dat hebben wij doorbroken door te zeggen: laten we eerst maar eens kijken naar de inhoud. Het kwam vaak voor dat wij, vanuit de oppositie, wél voor dingen stemden, simpelweg omdat we het ermee eens waren. We vonden ook echt dat fractiediscipline er niet hoefde te zijn.”

Anneke: “In de eerste fractie stemden we met z’n allen wat we wilden. We gingen daar heel losjes mee om. Daarna werd het minder. Stijver, en minder spontaan. Het leidde er uiteindelijk toe dat ik in 1974 uit de fractie stapte, over een abortuskwestie. Ik was zelf advocaat, en had veel met abortus te maken in mijn praktijk. Meisjes van rijke vaders, die konden naar Scandinavië, maar armere meisjes konden dat niet. Ik wilde toen tegen de regering ingaan, maar Hans wilde dat niet. Hij is nog bij me thuis geweest om me te overtuigen. Ik kon dat niet. Het was tegen mijn principes.”

  • Minne Dijkstra

Minne: “Er was ook minder harmonie in de tweede fractie. Zo kon Hans soms echt weglopen bij een groot verschil van mening. En, zoals Hubert Smeets in zijn biografie over Hans van Mierlo beschreef – was het dan vaak Dijkstra die de brokken bijeenveegde (blz. 119 red.) zodat de vergadering verder kon. Die fractie was groter, dat speelde misschien ook mee.”

Anneke: “Kort nadat ik uit de fractie ben gestapt is er een congres geweest waarbij de leden van D66 in meerderheid stemden om zichzelf op te heffen. Er was echter een twee-derde meerderheid nodig, dus dat gebeurde niet. Daarna is D66 eigenlijk nooit meer geworden wat het was. Veel mensen liepen weg. Ze waren het oneens over wat de basis moest zijn.”

Erwin: “In het begin was het zo dat we onszelf zagen als anders en beter dan de andere partijen. We voeren puur op de inhoud. Politiek-strategische argumenten speelden geen rol. Op een gegeven moment zijn we op dat punt gewoon veranderd. We zijn meer zoals andere partijen geworden. We groeiden als het ware in het systeem. Het ene fractielid vond het erger dan het andere. Ik treur er uiteindelijk niet om. Het was onvermijdelijk. Ik denk nog steeds dat we een club als D66 nodig hebben. Het is naar mijn idee een illusie om te denken dat het anders kan.”

Minne: “Ik heb me uiteindelijk een tijdje niet thuis gevoeld bij D66, zo in de 80’er jaren – de tijd van de kleine fracties. Daarna ben ik weer actief geworden en lid van het dagelijks bestuur geweest. De essentie van D66 voor mij, los van de staatkundige punten waar we door de jaren heen uiteindelijk niets op hebben gewonnen, is om aan het liberalisme een sociaal gezicht te geven. Dat is wat mij nog altijd aanspreekt, en het pad dat we nu volgen. Het wegvallen van de PvdA is een groot drama. Het geeft D66 wel de ruimte om de sociale paragraaf te verbreden en versterken. Om een goed tegenwicht te bieden tegen de rechtse, soms bijna fascistoïde krachten.”

Erwin: “In de politiek gaat in de praktijk alles zo verschrikkelijk langzaam. Ik heb in het tweede jaar van het bestaan van D66 gepleit om gepensioneerden in het bestuur van de pensioenfondsen op te nemen. Ik dacht, dat is een logisch idee, dit lukt wel. Het duurde uiteindelijk 45 jaar voordat het ertoe kwam. Feit is, als het om de echt belangrijke onderwerpen gaat, dan bestaat ‘snel’ niet. Het draait dan om vasthouden, oneindig lang vasthouden, met een rechte rug. Daarom is een club als D66 noodzakelijk, ook al maken we fouten, zeker. We zitten in de frontlinie, daar in het kabinet. Als dingen niet lukken, dan is dat treurig, jammerlijk en vervelend, maar we gaan door. Vasthouden.”