Digitalisering: grote impact, geringe aandacht

Digitalisering verandert alles. Een brief werd een appje, de acceptgiro werd een tikkie en het loket werd een chat. Nog steeds staan de voordelen voorop. Platforms laten contacten en transacties vlot verlopen, algoritmes helpen ziektes opsporen en thuiswerken in Coronatijd was zonder ICT onmogelijk geweest.

11.03.2021

Maar de keerzijden treden uit de schaduw. Hoogleraar Shoshana Zuboff wijst op de gevaren van vergaande surveillance. Professor Virginia Eubanks beschrijft hoe algoritmes discrimineren. En juristen als Jamie Susskind en Reijer Passchier stellen dat onze democratische rechtstaat op het spel staat. Hoewel het gaat om onze vrijheid, gelijkheid en verbondenheid is de politieke aandacht in Nederland gering. In de verkiezingscampagne speelt digitalisering een bijrol. Partijprogramma’s en stemwijzers besteden er weinig woorden aan. Kortom: ook in het derde decennium van het digitale millennium krijgt digitalisering onvoldoende prioriteit. Om dit te kunnen veranderen moeten we eerst begrijpen hoe dat komt.

Een korte geschiedenis van het internet

De basis voor het internet wordt gelegd in 1957. In reactie op het Russische succes van Sputnik I richten de Amerikanen het Advanced Research Project Agency (ARPA) op. In 1972 slaagt deze Defensie-denktank erin om computers op veertig locaties aan elkaar te koppelen. In de jaren daarop groeit dit ARPANET uit tot het internet voor e-mailverkeer. In de jaren ‘80 zorgt de ontwikkeling van standaardprotocollen als TCP/IP en http voor het ontstaan van het world wide web, een netwerk van sites met informatie. Begin jaren ’90 verschijnen moderne browsers met HTML-links, zoals Mosaic (1993), Netscape (1994) en Internet Explorer (1995). Vanaf dat moment groeit het aantal websites snel. Webwinkels, cookies, Hotmail, Google en Napster zijn er al voor het einde van de eeuw.

In aanloop naar het magische jaartal 2000 vreest men de millenniumbug (Y2K glitch) maar in plaats van een technisch gezicht krijgt de ontwrichting een economische gedaante. Kort na de probleemloze nieuwjaarsdag storten de koersen van de dot-com bedrijven in elkaar. Het idee van een op ICT en e-commerce gebaseerde ‘nieuwe economie’, met ononderbroken groei en zonder conjunctuurgolven, blijkt een illusie. Ondanks de exponentiële groei van rekenkracht volgens de wet van Moore sprak Nobelprijswinnaar Solow gedenkwaardige woorden: “we zien computers overal, behalve in de productiviteitscijfers”.

In navolging van de digitale zeepbel eist de tweede generatie internetbedrijven de data van hun gebruikers op in ruil voor ‘gratis’ diensten. Inmiddels is persoonlijke informatie de kern van het advertentiemodel waarmee bedrijven als Google en Facebook machtige monopolies werden. Zo nam individuele winst de plaats in van duurzame groei. Ook andere grote beloftes van het internet kwamen niet uit. Een steeds democratischere wereld waarin vrije mensen in verbondenheid leven is een utopie gebleken.

Waarom overheid en politiek zo passief zijn

Waar is de overheid in dit verhaal? De publieke betrokkenheid verloopt in drie fasen. Na eerst aan de wieg gestaan te hebben, volgt een periode van de zijlijn. Aanvankelijk optimistisch met als leidraad dat de particuliere initiatieven en ongekende mogelijkheden geen politieke sturing behoeven. Later apathisch vanuit het idee dat regulering van het internet onmogelijk is. Ingefluisterd door Al Gore zegt Bill Clinton op 8 maart 2000 dat de Chinese wens om internetvrijheid te beperken hetzelfde is als een pudding aan de muur spijkeren. Inmiddels weten we beter maar desondanks verkeren we al ruim tien jaar in de fase die je onbewust onbekwaam zou kunnen noemen. Onbewust omdat er geen structurele politieke aandacht is. Onbekwaam omdat de politiek bij vlagen van daadkracht verkeerde keuzes maakt.

In deze derde fase vormen de menselijke psychologie en politieke patronen een ongunstige combinatie. In tegenstelling tot vluchtelingenstromen of terreuraanslagen kenmerkt digitalisering zich door verborgenheid, geleidelijkheid en complexiteit. Terwijl de mens evolutionair geprogrammeerd is om te reageren op datgene wat zichtbaar, acuut en concreet is. Daar komt bij dat het internet grotendeels particulier, privaat en grensoverschrijdend is, wat het voor politici complexer dus minder aantrekkelijk maakt. Wie zichzelf in de kijker wil spelen, kan maar beter een andere portefeuille kiezen.

Het resultaat is een dolend parlement. Tien jaar geleden mislukten het downloadverbod en de cookiewet als gehaaste pogingen om de online economie in te tomen. Vijf jaar later stond de veiligheid centraal met de ‘hackwet’ en de ‘sleepwet’. De laatste was goed voor een verhit referendum dat zich blindstaarde op het aftappen van internetkabels. Belangrijk, maar deze tunnelvisie ging ten koste van andere bevoegdheden die nu tot uitvoeringsproblemen leiden. Het afgelopen jaar stond in het teken van de rechtstaat. Het anti-fraudesysteem SyRI en de toeslagenaffaire lieten zien dat overmoedige overheden data verkeerd inzetten. Namelijk als verlengstuk van hun wantrouwen jegens burgers.

Drie digitale dilemma’s die de burger bedreigen

Inmiddels staan we voor drie digitale dilemma’s. Op de eerste plaats is digitale technologie de bepalende factor geworden voor mondiale machtsverhoudingen. Het op kapitalistische bedrijven leunende Amerika en het staatsgeleide China strijden over het hoofd van Europa om de digitale wereldhegemonie. Zowel op het gebied van R&D-investeringen, patenten als wetenschappelijke artikelen blijft de Europese Unie achter. In ranglijsten van grote of groeiende bedrijven komt Europa amper voor. Hoewel privacywet AVG een effectief regelkader is, heeft Europa een eigen technologie-industrie nodig. Het beschermen van democratische waarden vereist het afdwingen van industriële standaarden. Tegenover grootmachten die zich bedienen van protectionisme, spionage en ontwrichting gaat dit niet zonder assertieve Europese industriepolitiek. Een Europese vuist is sterker dan lidstaten met opgeheven vingertjes.

Ten tweede bedreigen de marktmacht en mediamacht van grote monopolisten onze burgerrechten. Naast privacy staan ook gelijke behandeling, onschuldpresumptie en keuzevrijheid op het spel. Het verdienmodel van Facebook en Google geeft een perverse prikkel om mensen zo lang mogelijk op het platform te houden. Desnoods met schadelijke content. Zo loont polarisatie en zo nemen desinformatie, intimidatie en discriminatie snel toe. De bestorming van Capitoll Hill heeft laten zien hoe ver dit kan gaan. Het is tijd om de onzichtbare hand van data en algoritmes op de vingers te tikken. Net als de oliemacht van vroeger vereist datamacht politieke tegenmacht. Door bedrijven op te knippen en fusies te verbieden. Ook moeten politici platforms dwingen de verantwoordelijkheid te nemen die hoort bij hun dominante positie. Niet het commerciële belang maar de inhoudelijke kwaliteit moet voorop staan.

Maar de moderne controlestaat vormt het grootste gevaar. Met SyRI en de toeslagenaffaire was 2020 een jaar van harde lessen. Maar diepgewortelde dadendrang en onuitroeibare overmoed maken de overheid uiterst hardleers. In koor pleiten politici tegenwoordig voor betere wetgeving, scherper toezicht en humane uitvoering. Maar daden blijven uit. Onlangs stemde de Tweede Kamer schouderophalend in met de gevaarlijke datawet WGS, die niets anders is dan een nieuwe stap naar een surveillancestaat. Zo vond ondanks herhaaldelijke waarschuwingen een groot datalek bij de GGD plaats. En zo overtreden overheidsinstanties als politie, defensie, veiligheidsdiensten, Belastingdienst en UWV stelselmatig de wet. De wantrouwige onderbuik en de datahonger van de overheid doen de rechtstaat wankelen. Het is tijd voor een trendbreuk naar terughoudendheid met data. Alleen politici kunnen de wildgroei aan databestanden en algoritmes een halt toeroepen.

Een agenda voor de komende tien jaar

Op basis van eigen onderzoek concludeerde de Tweede Kamer dat er naast kennisgebrek sprake is van gefragmenteerde aandacht. Met als gevolg dat overstijgende thema’s als algoritmes versus de rechtstaat of de geopolitiek van het 5G-netwerk onderbelicht blijven. In tegenstelling tot de EU en vergelijkbare lidstaten kent Nederland geen digitale besluitvormingsstructuur. Brussel kreeg een sterke Eurocommissaris Digitale Zaken, Berlijn en Kopenhagen stelden digitale commissies in, maar Den Haag blijft achter. De stap naar een vaste Kamercommissie en minister voor Digitale Zaken moet nu gezet worden. De ambtelijke organisatie behoeft naast de CIO Rijk een Chief Technology Officer, naar Brits model. In aanvulling op het Bureau ICT Toetsing (BIT) moeten grote uitvoeringsinstanties een Chief Privacy Officer aanstellen.

Gezien het grensoverschrijdende karakter van digitale vraagstukken is het begrijpelijk dat het parlement vaak naar de Europese Unie kijkt. Maar Nederland heeft een eigen verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen oprukkende datamachten. Dit vergt een doelgerichte digitale agenda voor het komende decennium. Met een overheid die zich aan de wet houdt en tegenmacht biedt aan techreuzen. Met een samenhangende aanpak om de vitale infrastructuur beter te beschermen tegen externe dreigingen. Met serieuze investeringen in startups, onderzoeksprogramma’s en de innovatieve industrie. Met open source ICT-projecten, kleinschalige aanbestedingen en toegankelijke dienstverlening. En met maatregelen als een digitaks of een basisinkomen zodat iedereen meeprofiteert.

Om grip te houden op digitale technologie moeten zowel wetgeving als toezicht sluitend gemaakt worden. Lacunes binnen en tussen wetten laten ruimte voor ongewenste praktijken zoals de gezichtsherkenningscamera van een supermarkt in Alphen aan de Rijn. Het bleef lang onduidelijk of dit mocht en wie erover ging. Toekomstige wetgeving moet enerzijds experimenteerruimte bieden en anderzijds horizonbepalingen kennen die dwingen tot voortdurende heroverweging en aanpassing. Daarbij moeten toezichthouders beter in staat gesteld te worden om bestaande regels toe te passen op de digitale werkelijkheid. Naast meer budget voor de Autoriteit Persoonsgegevens moet het kabinet een waakhond instellen die zijn tanden zet in de wildgroei aan publieke algoritmes en die onder de digitale motorkap van techbedrijven kan kijken.

Naast het beter benutten van de kennis van bedrijven, wetenschappers en belangenorganisaties is intensieve publiek-private samenwerking nodig bij vraagstukken over cybersecurity, de digitale infrastructuur en het bestrijden van desinformatie. De overheid kan dit niet alleen. Ook vanwege het logge wetgevingsproces is zelfregulering via gedragscodes en certificering vaker succesformule dan zwaktebod.
Net als bij andere maatschappelijke vraagstukken is het bij digitale dilemma’s aan de politiek om aan te jagen, bij te sturen, af te remmen of te begrenzen. Teneinde een gezonde en eerlijke balans te vinden. Na decennia van gebrekkige aandacht en selectieve daadkracht, is het tijd voor een Kamer en kabinet met duurzame grip op digitalisering.

Kees Verhoeven,
vertrekt uit parlement en voerde tien jaar namens D66 het woord over digitalisering