Grotere verkeersveiligheid

Grotere verkeersveiligheid

De impact van verkeersongelukken op het leven van mensen is enorm. In Nederland betreurden we in 2015 621 verkeersdoden en meer dan 20.000 mensen belandden in het ziekenhuis. D66 wil een sluitende registratie op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau van de plaats en de oorzaak van verkeersongelukken. Alleen zo kunnen maatregelen genomen worden die de ongelukken op termijn voorkomen, bijvoorbeeld door waar dat mogelijk is een ‘shared space’- benadering toe te passen. Daarnaast moet verkeersveiligheid als toetssteen worden meegenomen in de prioritering van de aanleg/aanpak van infrastructurele projecten. Daar waar een maximumsnelheid leidt tot onveiligheid of grote gezondheidslasten, passen we haar aan. D66 wil dat gemeenten meer mogelijkheden krijgen om zelf lokale maatregelen te nemen om de verkeersveiligheid te vergroten.

Geld naar school

Onderwijsvisie: Geld naar school

Obstakels van nu:
Geld naar besturen

D66 wil altijd investeren in beter onderwijs. Het is echter wel van belang dat het geld dan op de goede plek terecht komt; namelijk in de klas, bij de leerling en de leraar. Onderwijsgeld moet niet blijven hangen in bestuurlijke lagen, in onnodig hoge reserves en in bureaucratie die het onderwijs niet beter maken. Maar dat gebeurt op dit moment wel op veel plekken. In 2017 hield het basisonderwijs 204 miljoen euro over, terwijl er een blijvende roep is uit de sector voor extra investeringen. Dat het geld niet in de klas terecht komt is niet alleen slecht voor de kwaliteit het onderwijs, maar ook slecht voor het draagvlak om (extra) onderwijsinvesteringen te doen.

Schoolleiders kunnen formeel niet meebeslissen in het bestuur en hebben soms vrijwel geen invloed meer.

Obstakels van nu:
“De Koepel”

Vanuit de overheid wordt het onderwijs top-down bekostigd. De besturen ontvangen het geld en zij verdelen het geld vervolgens onder de scholen. Om in termen van de tv-serie “De Luizenmoeder” te spreken: het geld wordt overgemaakt aan Pjotr-Jan van de bestuurlijke koepel in plaats van aan meester Anton en juf Ank van de school, de Klimop. Dit is in de loop der jaren zo gegroeid via een steeds verdergaande schaalvergroting en lumpsumbekostiging.

De besturen zijn in sneltreinvaart uitgegroeid tot een dikke laag tussen overheid en scholen. Daarmee zijn besturen machtig geworden. Want wie betaalt, bepaalt. Een veelgehoorde klacht is dat schoolleiders, leraren, ouders en leerlingen de controle over hun school zijn kwijtgeraakt. Een onbekend managementniveau met afstand tot de klas stuurt veel en regelt het verkeerde. Er ontstaat overregulering, bureaucratie, starheid en te veel overhead. Het beperkt de professionele ruimte van de leerkracht en de schoolleider om eigen keuzes te maken, verhoogt de werkdruk, en vermindert de zeggenschap. Over het algemeen zit het bestuur op afstand van de school en maakt vaak andere afwegingen dan leraren of schoolleiders zouden doen. Besturen sturen op bedrijfs­- en beheersmatig beleid. Precies hier ontstaan situaties waarbij leerlingen tussen wal en schip vallen. Scholen kijken naar individuele leerlingen en hoe zij het beste onderwijs kunnen bieden. Maar zij worden in veel gevallen teruggefloten door hun bestuur omdat er juridische risico’s ontstaan of het inspectieoordeel kan worden aangetast. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kinderen met een chronische ziekte die geweerd worden van een school.

Bij deze verplaatsing van macht is onvoldoende tegenmacht meegegroeid: geen ‘checks and balances’. Het bestuur heeft relatief veel macht. Daardoor is zowel de horizontale verantwoording waarbij de school verantwoording aflegt aan leerlingen, ouders,  leraren en de omgeving (zoals vervolgonderwijs, opvang, zorg en maatschappelijke organisaties) als de verticale verantwoording van de school naar de overheid verwaterd. Op school is er geen inzicht in hoe de besluiten door het bestuur op afstand worden genomen en wie ter verantwoording kan worden geroepen. Schoolleiders kunnen formeel niet meebeslissen in het bestuur en hebben soms vrijwel geen invloed meer. Hierdoor verliest ook de medezeggenschapsraad waar leraren en ouders in zitten zijn kracht. Kortom: het bestuur heeft relatief veel macht, en de leraren en de school hebben die steeds minder.  De zeggenschap in het onderwijs is uit balans. Juist een goede horizontale verantwoording is cruciaal om constant de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Verticale verantwoording draagt het risico alleen te kijken naar extern opgelegde targets, beleidsregels en ‘afvinklijstjes’ in plaats van dat er wordt gekeken naar ‘goed onderwijs’.

Vanuit Den Haag is er voornamelijk contact met de landelijke koepelorganisaties van de schoolbesturen, de PO-raad en de VO-raad. Regelmatig zijn er afspraken gemaakt met deze sectorraden over waar het geld van extra overheidsinvesteringen aan besteed zou worden. Deze afspraken zijn echter niet bindend, want de koepelorganisaties hebben geen doorzettingsmacht ten opzichte van de scholen. De raden kunnen hoogstens een intentie uitspreken zonder enige garantie op resultaat. In het boek “De sluipende crisis” beschrijft Rene Kneijber feilloos hoe zulke bovenbestuurlijke “afspraken” telkens opnieuw gedoemd zijn tot mislukken. Er is geen realistische schatting of berekening gemaakt van wat de afspraken en doelstellingen daadwerkelijk kosten.

Bovendien zijn leraren lange tijd niet vertegenwoordigd geweest bij deze afspraken. Hierdoor ontbrak het bij deze afspraken aan draagvlak en bekendheid bij de belangrijkste groep in het onderwijs. Het gevolg is dat afspraak na afspraak niet is nagekomen of gerealiseerd. Dat is voornamelijk niet gebeurd in het basisonderwijs: Leraren zouden in een hogere salarisschaal worden ingedeeld zodat lesgeven beter beloond zou worden, de zogenaamde functiemix (279 miljoen euro). Ook zouden alle basisschoolkinderen minimaal twee uur bewegingsonderwijs krijgen (8 miljoen euro) en scholen zouden jonge leraren aantrekken en behouden (150 miljoen euro). Het is onduidelijk waar het geïnvesteerde geld is gebleven.

Obstakels van nu:
Sparen zonder doel

Vanaf 2013 zijn de spaartegoeden op de bankrekeningen van basisscholen, middelbare scholen en samenwerkingsverbanden substantieel gestegen. Jaarlijks blijken schoolbesturen meer geld over te houden dan ze van tevoren hadden gedacht. Dat geld is bedoeld voor het onderwijs, maar komt niet in de klas terecht. Het gevolg is dat de vermogenspositie van de besturen groeit, zonder dat er een duidelijk doel is voor het opgepotte geld. Dit staat in schril contrast tot de realiteit op scholen waar een voortdurend tekort is aan geld om bijvoorbeeld de werkdruk te verlagen en goede ondersteuning te geven aan leerlingen met leer-, of gedragsproblemen. Met frustratie voor de leraren tot gevolg. En duizenden kinderen krijgen ondermaatse ondersteuning, worden veel te laat geholpen of zitten zelfs thuis. De samenwerkingsverbanden hebben een nog hogere spaarrekening dan scholen, terwijl zij niet eens een reserve aan hoeven te houden. De risico’s en langlopende verplichtingen worden namelijk gedragen door de gezamenlijke schoolbesturen.

Kortom het huidige systeem laat te veel ruimte voor verkeerd gedrag. Hoe ingewikkelder het systeem des te meer publiek geld er wegvloeit naar managers, overleggen, procedures, marktpartijen, reserves, controles en toezicht, en hoe minder geld er echt in de klas terecht komt. En des te ingewikkelder het wordt voor leraren, leerlingen en ouders om invloed uit te oefenen via medezeggenschapsraden. Zeker niet alle besturen doen het slecht, en er zijn ook hele goede schoolbesturen. Maar er is te veel ruimte om keuzes te maken die het onderwijs niet dienen of zelfs ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. Zoals een bestuurder tijdens de Scholenreis het omschreef: “Sommige besturen zetten het organisatiebelang boven het publiek belang van het geven van goed onderwijs aan alle leerlingen. Ze stellen de concurrentiepositie, efficiency en een sterke financiële positie boven het onderwijs. Hier zijn de leerlingen en leraren niet mee geholpen.” 

De eerste stappen naar verbetering zijn in gang gezet. Zo krijgt de medezeggenschapsraad instemmingsrecht op de begroting waardoor bestuurders veel beter moeten gaan verantwoorden waar ze het geld aan willen besteden. Maar dat is nog niet genoeg.

Voor de toekomst

De school gaat meer doen dan alleen lesgeven. De school wordt de belangrijkste plek in de wijk en de samenleving. Een plek voor educatie, zorg, welzijn, ontmoeting en ontspanning. Waar kinderen les krijgen van de beste leraren, samen opgroeien en buitenschoolse activiteiten binnen de school worden gehaald zodat alle kinderen eraan mee kunnen doen. Een school met een sportveld, theater, muziekschool, bibliotheek en een gezonde maaltijd in de kantine.

Om deze ambitie te verwezenlijken moet de school de centrale eenheid worden in het onderwijs in plaats van het bestuur.  

Richtingwijzer 1:
Geld naar scholen

D66 wil het geld direct naar de scholen sturen in plaats van naar besturen. De school is dé herkenbare plek voor overheid, leraren, ouders en leerlingen. Het is dat gebouw in de wijk waar het elke ochtend spitsuur is, geleid door een schoolleider die iedereen kent. De school moet de zeggenschap en verantwoordelijkheid hebben om het beste onderwijs te geven aan ieder kind. Dan komt het geld direct op de plek waar het voor bedoeld is: in de klas waar wordt lesgegeven, bij leerling en leraar.

Het onderwijsgeld gaat direct naar de scholen. Het grote verschil is dat de scholen nu zelf beslissen, in plaats van dat dit van bovenaf door het bestuur wordt opgelegd. Want wie betaalt, bepaalt. De directe bekostiging van scholen betekent niet dat ze alle grote verantwoordelijkheden alleen moeten dragen. Scholen werken met elkaar samen. Zeker voor specialistische voorzieningen waar het duidelijk schaalvoordelen biedt, zoals personeelsbeleid, ICT en huisvesting. De nieuwe samenwerking zou vorm kunnen krijgen in een ‘shared servicemodel’. De schoolleiders vormen dan gezamenlijk het bestuur. Uitgangspunt is dat de zeggenschap en verantwoording op school blijft. Het is dan ook mogelijk voor een school om uit een samenwerking te stappen.

Ruimte en vertrouwen
Scholen krijgen de ruimte en het vertrouwen om hun eigen onderwijs in te richten. Zij hebben de kennis in huis. Ze zien de leerlingen en ouders vrijwel elke dag en vormen een veilige en vertrouwde omgeving. Het beleid en de bekostiging moeten gericht zijn op de school. Hiermee hebben scholen de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van onderwijs.

De scholen krijgen de ruimte om de eigen onderwijstijd in te richten. Natuurlijk met de kwaliteit van het onderwijs voorop en in samenspraak met leraren, leerlingen, ouders en de medezeggenschapsraad. Scholen kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om het onderwijs te spreiden over meer dan de huidige 41 weken. Op de Scholenreis hebben we gezien dat voor sommige kinderen school de fijnste en veiligste plek is om te zijn. Zoals voor kinderen met een onveilige thuissituatie of kinderen in een asielzoekerscentrum. Voor hen is de 6 weken zomervakantie een verschrikking. Dit biedt ook ruimte voor scholen om een eigen invulling te geven aan vakanties en vrije dagen. Op die manier kunnen leerlingen vrij opneembare vakantiedagen krijgen. Zodat iedereen zijn eigen feestdagen kan vieren of een keer op vakantie kan buiten het vakantieseizoen. 

Het werkdrukakkoord

  1. De inspiratie voor het omdraaien van de bekostiging is het succes van de werkdrukmiddelen. Naar aanleiding van POinactie is er 500 miljoen euro structureel extra geïnvesteerd in het verlagen van de werkdruk van leraren. Samen met de leraren, schoolleiders en besturen heeft de minister een werkdrukakkoord gesloten. Het geld is direct uitgekeerd aan de scholen. De leraren in de medezeggenschapsraad hebben instemmingsrecht op dat deel van de begroting. Op elke basisschool zijn lerarenteams met elkaar in overleg gegaan hoe zij op hun school de werkdruk het beste zouden kunnen verlagen. In de jaarverslagen van 2018 is goed terug te vinden wat elke school doet om de werkdruk te verlagen.

Richtingwijzer 2:
Naar samenwerking in het belang van het kind

Scholen werken niet alleen samen met elkaar, maar zeker ook met de opvang, de zorg, de gemeente en het vervolgonderwijs om samen te zorgen voor de rijke schooldag van het kind. Bij deze samenwerking staat het belang van het kind voorop. Vanuit het kind denken in plaats vanuit het systeem. Om dit en de onderlinge samenwerking te bevorderen moeten het beleid, de wetten en het geld van de verschillende beleidsterreinen beter op elkaar worden aangesloten.

Kinderopvang zien we vanuit de ontwikkeling van het kind en komt daarom onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van OCW. Om een doorlopende ontwikkellijn van opvang, basis- en voortgezet onderwijs te realiseren, moeten de huidige schotten tussen opvang en deze twee vormen van onderwijs vervagen. Er komt één wet op het funderend onderwijs, die onnodige scheidingswanden tussen de voorschoolse, basis- en voortgezet onderwijs omverwerpt. De nieuwe wet ziet de ontwikkeling en het onderwijs van het kind tot 18 jaar als een doorlopende en samenhangende lijn. Om onderlinge samenwerking binnen scholen te bevorderen, komen leraren en pedagogisch medewerkers onder dezelfde cao te vallen. De bekostigingen van onderwijs, jeugdhulp en zorg worden beter afgestemd en ontschot. Alleen zo kunnen we kinderen snel en flexibel zorg bieden, wanneer zij dat nodig hebben. 

Richtingwijzer 3:
Naar een sterke schoolleider

Het omdraaien van de bekostiging en het verbreden van de functies van school betekent dat de schoolleider een sterkere, echt leidinggevende rol krijgt. Hij is niet meer slechts een schakel tussen het schoolbestuur en de school. De schoolleider kan niet langer ook de conciërgetaken op zich nemen en een klas overnemen. De verantwoordelijkheden van de schoolleider worden vergroot.

De schoolleider is zowel onderwijskundig als financieel leider. Daarnaast draagt de schoolleider in hoge mate bij aan de kwaliteit en de professionalisering van de leraren. Ook houdt de schoolleider contact met de partijen buiten de school zoals de gemeente, zorg en andere scholen in de regio. Deze combinatie aan specialiteiten vereist een aparte opleiding op masterniveau. Net als bij de leraren hebben ook schoolleiders baat bij beroepsgroepvorming. Hierdoor kan de rol van schoolleiders op schoolniveau, in de sector en landelijk niveau worden versterkt. Deze beroepsgroep kan zelf invulling geven aan de opleiding, kennisdeling bevorderen en belangen behartigen bij de politiek. Schoolleiders zijn goed geschoolde professionals en verdienen dan ook een passend salaris.

De onderwijsinspectie stelt dat de kwaliteit van een school in hoge mate wordt bepaald door de schoolleider. Door de verantwoordelijkheden en vereisten van de schoolleider te verzwaren geven we een impuls aan de onderwijskwaliteit.

Richtingwijzer 4:
Naar de school midden in de samenleving

Een school vormt een gemeenschap en is van de gemeenschap. Ouders krijgen de gelegenheid om betrokken te zijn bij de school. Doordat de zeggenschap op het niveau van de school komt, kan ouderbetrokkenheid een betere invulling krijgen. Niet alleen de 10- minutengesprekjes. De leraar krijgt in de aangepaste werkweek tijd en ruimte om beter contact met ouders te onderhouden, ook met de ouders die niet uit zichzelf aankloppen. Dit is in het belang van de ontwikkeling van het kind.

Bij de verrijkte schooldag mogen ouders meebeslissen hoe de invulling van de dag buiten de klas eruitziet. Welke sport-, cultuur-, muziek- en natuurlessen de kinderen kunnen volgen. Welke uitjes en bezoekjes georganiseerd kunnen worden. Ook de inclusieve school vraagt directe en indirecte ondersteuning van ouders. Ouders van kinderen met een zorgvraag besluiten samen met de leraar welke ondersteuning er nodig is in de klas. De andere leerlingen én ouders leren om te gaan met de verschillen en op welke manier ze elkaar kunnen helpen. Deze nieuwe vorm van ouderbetrokkenheid versterkt het onderling begrip en de sociale veiligheid op de school in het belang van het welzijn van alle kinderen op school.

Bovendien is het geven van het goede voorbeeld in omgang met elkaar de beste manier om een nieuwe generatie kennis en vaardigheden over burgerschap te leren. Op deze manier kunnen kinderen naarmate ze ouder worden zelfstandig betrokken zijn bij hun eigen ontwikkeling en hun omgeving.

Gemeenten
Gemeenten zijn er ook voor hun jongste inwoners. De gemeenten staan dichtbij het onderwijs maar hebben op dit moment nauwelijks bevoegdheden om in te grijpen als ze het fout zien gaan. Zo hebben sommige gemeenten te maken met krimp en zien steden een toenemende segregatie tussen kansarme en kansrijke kinderen. Vanuit kansengelijkheid krijgen gemeenten de gelegenheid om een centrale rol te spelen bij de inschrijving en toelating op scholen. Zo kunnen ze een eerlijke kans voor alle kinderen bevorderen in plaats van het recht van de sterkste.

Nieuwe invulling ouderbetrokkenheid

  1. Er zijn scholen die werken met een buddy-systeem om beter onderling kennis uit te wisselen. Nieuwe ouders worden gekoppeld aan ouders van ouderejaars leerlingen, ouders van zorgleerlingen worden aan elkaar gekoppeld of ouders die de Nederlandse taal nog niet machtig zijn aan taalvaardige ouders. Dit soort nieuwe invullingen van ouderbetrokkenheid bevordert de ontwikkeling van alle kinderen en is een onderlinge ondersteuning voor ouders.

Richtingwijzer 5:
Naar beter toezicht

De scholen krijgen veel vrijheid. Er zijn twee vereisten waaraan moet worden voldaan: een transparante en zinvolle verantwoording, en toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en de uitgaven van het geld. Dit toezicht wordt voornamelijk gedaan door de directbetrokkenen, zoals leraren en ouders. Het is tenslotte hún school. Op dit moment is de verantwoording vaak nog te vaag, en is de medezeggenschap onnodig een tandeloze tijger met een kennisachterstand. Dus deze horizontale verantwoording aan ouders en leraren moet worden versterkt. Want dan kan de medezeggenschapsraad daadwerkelijk meebeslissen over het onderwijs en de effectieve en efficiënte besteding van het geld. Met de komst van het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad op de begroting moet er betere verantwoording worden afgelegd. De medezeggenschapsraad wordt hiermee een kritische partner die gewoon “nee” zegt als de besluitvorming niet goed of niet duidelijk is. Deze bevoegdheid wordt versterkt doordat bij de inspectie een onderwijsrekenkamer wordt ingesteld. Hier kunnen raden van toezicht en medezeggenschapsraden van scholen financiële expertise inwinnen of een onderzoek laten doen naar de school. Op deze manier kan de eerste lijn van verantwoordelijkheid haar taak volledig uitvoeren. Daarnaast gaat de inspectie toezicht houden op de goede inrichting van de horizontale verantwoording en het intern toezicht.

Inspectie
Het functioneren van de onderwijsinspectie kan verder worden verbeterd. Eerder heeft de inspectie al meer ruimte gekregen om de school te beoordelen op het ‘eigen verhaal van de school’ door de wet Bisschop/Van Meenen/Rog. De school wordt veel meer beoordeeld op de doelen die de school zichzelf heeft gesteld, in plaats van een ‘one size fits no one’ toetsingskader. Dit kan verder versterkt worden nu de school, in plaats van het bestuur, verantwoordelijk is voor de onderwijskwaliteit. Om een beter beeld van de onderwijskwaliteit van een school te krijgen, zou de inspectie veel meer gebruik moeten maken van onaangekondigde inspectiebezoeken. Daarnaast moet er meer gekeken worden naar de toegevoegde waarden van het onderwijs voor de leerling in plaats van platte prestatienormen.

Voorstellen

  1. Onderwijsgeld gaat direct naar scholen in plaats van naar bestuurskoepels
  2. De samenwerking tussen scholen wordt bestuurd door de schoolleiders
  3. Scholen krijgen maximale ruimte en vertrouwen om de beste onderwijskwaliteit te bieden
  4. Scholen krijgen vrije invulling van lesuren, vakanties en vrije dagen
  5. Versterken van de medezeggenschap van ouders en leraren 
  6. Er komt een landelijk ondersteuningspunt en een rekenkamer voor medezeggenschapsraden
  7. Eén wet op funderend onderwijs
  8. Opleiding tot schoolleider
Congres 110 | Toespraak Rob Jetten

Congres 110 | Toespraak Rob Jetten

Lees hier de toespraak van onze fractievoorzitter in de Tweede Kamer Rob Jetten op het 110de D66-congres terug. Kijk je de speech liever terug? Klik hier!

Democraten,

In 1966 werd D66 opgericht door voorlopers en vernieuwers. Ze werden geleid door Hans van Mierlo, een katholieke journalist uit Breda die tegen wil en dank uitgroeide tot de Kennedy van de lage landen.


Het is tien jaar geleden dat Van Mierlo voor het laatst op het congres van zijn partij kon zijn. Dat was hier. In deze zaal in het Chassé Theater. In zijn geliefde thuisstad.


Hoewel ik niet kan zeggen hem echt te hebben gekend, mis ik zijn verschijning. Al was het maar vanwege zijn zachte G tussen al die harde g’s en rollende r’en vandaag in Breda. Ik zie de Amsterdamse delegatie nu de wenkbrauwen fronsen. Nee nee, Van Mierlo was geen Amsterdammer. Iets met de grachtengordel? Pech, jongens. Brabantser dan Van Mierlo wordt het niet. Maar wel fijn dat jullie vandaag de tocht naar dit verre oord buiten de ring hebben gemaakt.

Tien jaar geleden hoorde Van Mierlo hier Alexander Pechtold zijn prioriteiten uiteenzetten. Hij schetste de hervormingsagenda van D66 op geheel Pechtoldiaanse wijze: aan de hand van een schilderij. Een nog niet abstracte Mondriaan, in dit geval. In de tien jaar erna, bracht hij onze partij weer naar de top.


Waarde Alexander, vanaf vandaag mag jij je erelid van onze partij noemen. En dat is volkomen terecht. Je zit voor altijd in ons hart. Dankjewel!


Democraten, het is 53 jaar geleden dat we begonnen aan ons krankzinnige avontuur. De traditionele, met ideologische veren getooide partijen, kregen een pragmatische beweging tegenover zich. Dat was toen heel vernieuwend.


Het is precies dat pragmatisme dat mij naar D66 trok. Ik ben opgeleid als bestuurskundige. Mijn eerste grote werkliefde was ProRail. Daar kon ik mensen verbinden van Groningen tot Maastricht. Oplossingen vinden voor taaie problemen. Ook als daar wendbaarheid voor nodig was.


Naast mijn werk vergroeide ik met de raadsfractie van D66 in Nijmegen. Stap voor stap leerde ik onze partij kennen.Als jong raadslid die het spel van de politiek van dichtbij ervaarde, ging ik redelijkheid en de oplossingsgerichtheid van onze partij nog meer waarderen. De wil om antwoord te geven op de vragen van nu, met de inzichten van nu. Dat is niet altijd makkelijk.


De afgelopen jaren waren voor mij een oefening. Als beginnend Kamerlid was ik met name bezig met mijn eigen dossiers. Klimaat en democratie. Als fractievoorzitter werkte ik in mijn eerste jaar aan grote akkoorden. Dat was sleutelen, timmeren en schuren in de bloedhete machinekamer van de coalitiepolitiek.


Maar dan heb je ook wat:


1. Een generaal pardon voor honderden kinderen die hier thuis zijn.2. Na tien jaar stilstand eindelijk een pensioenakkoord.3. Een zomerakkoord waardoor werk gaat lonen.4. En als kers op de taart het eerste concrete klimaatplan van de wereld.


Aan het begin van de rit heb ik me wel eens afgevraagd wat we in vredesnaam in deze coalitie te zoeken hadden. Dat is nu wel anders.


We hebben onze rol gezocht én gevonden. Van alle coalitiepartijen waarderen onze kiezers de resultaten van dit kabinet het meest. Onze partij is stabiel, gretig, zelfbewust. Wij laten ons niet de wet voorschrijven. Wij zijn de progressieve motor van deze coalitie.


Wij geven antwoord op de grote vragen, noemen de dingen bij naam die moeten gebeuren. Zonder schroom of kramp. Omdat wij ervan overtuigd zijn dat mensen de waarheid verdragen, als je als politicus eerlijk bent.


Wij pleiten samen met GroenLinks voor een structurele oplossing voor het lerarentekort, omdat je nooit genoeg kunt investeren in de toekomst. Wij pleiten luidkeels voor de halvering van de veestapel, omdat de natuur anders sterft in stilte. Omdat wij een perspectief bieden met duurzame landbouw. En omdat het de enige weg is uit de stikstofcrisis die leidt naar het bouwen van huizen voor iedereen. Wij pleiten voor de wet Voltooid Leven, omdat je in dit land niet alleen waardig oud moet kunnen worden, maar ook waardig moet kunnen sterven. Wij pleiten voor betere ondersteuning van Kamerleden, omdat het huis van de parlementaire democratie instort zonder versterking van het fundament.


En wij pleiten voor een tijdelijk vrouwenquotum, omdat meisjes zo vroeg als ze kunnen dromen ook zeker moeten weten dat ze alles kunnen bereiken.


Wat ons scheidt van de vrienden op links is dat we aan het eind van een lange onderhandeling ook een akkoord sluiten. Dat lukt in deze coalitie tot nu toe aardig. Dit kabinet levert. En ja, dan kan het ook schuren. Dan knettert het op maandag in het coalitieoverleg of op vrijdag in de Trêveszaal. Slaat er ook wel eens iemand met een deur.


We zijn vier totaal verschillende partijen. We komen allemaal op voor wat ons drijft, voor onze beloftes aan de kiezer. En zo hoort het ook. Anders zouden we geen knip voor onze neus waard zijn.


D66’ers zijn redelijk, je kunt met ons praten, maar redelijk betekent niet altijd ‘rustig’. En soms is het zelfs onredelijk om alsmaar redelijk te blijven. Want er liggen nog altijd diepe problemen. Van het lerarentekort tot de ramp op de woningmarkt. En van de werkdruk in de wetenschap en de zorg tot de toegang tot het recht.


De hele eer van het parlementaire ambacht—dat is wat ik het afgelopen jaar heb geleerd—is een horzel te zijn voor de zittende macht. Dat is onze rol. Wij blijven dus oppositie voeren vóór het kabinet.


Maar ik daag dit kabinet vandaag ook uit: jullie zijn pas op de helft. Laat je niet in het defensief brengen. Laat daadkracht niet aankomen op uitspraken van de rechter. Laat je oren niet hangen naar de luidste toeter op het Malieveld.


Kabinet, laat je niet langer verrassen. Verras ons!


Investeer massaal in wetenschap en innovatie. Breng onze welvaart direct naar de klas. Laat elektrische vliegtuigen als eerste opstijgen uit Nederland. Laat mensen zelf hun burgemeester kiezen. Leid Europa naar een verenigde en humane migratiepolitiek. En vestig tegen alle verwachtingen in het bouwrecord van deze eeuw.


Tegen het kabinet zeg ik: het kan. Het zal niet in één dag lukken. Vallen en opstaan hoort erbij. Maar zet de eerste schop in het zand. Wees niet beschroomd een begin te maken.


Kajsa, Sigrid, Wouter, Ingrid, Stientje, Menno & al die anderen: Ik vraag jullie, wacht geen moment, verras ons!


Congres,


Pragmatisme dreef mij naar D66. De eerste vrouwelijke vicepremier van Nederland, Els Borst, vergeleek het pragmatische D66 ooit met een wendbaar scheepje. Een populaire metafoor.


Toch heb ik er altijd een dubbel gevoel bij gehad. Het suggereert een pragmatisme zonder doel. Maar ik ken geen enkel schip dat de haven bereikt door met alle gunstige winden mee te varen. Je hebt een kompas nodig. In ons geval: idealen om op te varen.


Na een jaar van akkoorden sluiten kon ik deze zomer eindelijk de tijd vinden om mijn eigen kompas scherper af te stellen. Een politiek van idealen gaat voor mij over één simpele vraag: Hoe stel je alle mensen in staat om écht vrij te zijn?


Vrijheid betekent iets anders voor iedereen. Leraren die snakken naar vrijheid in het beoefenen van hun vak. Vluchtelingen die willen bijdragen aan het Nederland van de toekomst. Ondernemers die aan de wieg staan van de omslag naar een nieuwe economie. Studenten. Vaklui. Wetenschappers. Oma’s. Moeders. Zonen. Vaders.


Wat ons bindt is de wil om vrij te zijn. Niet zomaar als losse individuen, maar als onderdeel van het geheel. Want vrij zijn betekent vooral ook: erbij horen.


Zelden heb ik zo de menselijke behoefte geproefd erbij te horen als vandaag. Vandaag hebben wij op ons congres meer dan honderd Syriërs te gast. Ik heb met open mond en pijn in mijn buik naar ze geluisterd.


Zij zijn geweld ontvlucht. Hebben lange tochten gemaakt waar wij ons niets bij voor kunnen stellen. Om hier veiligheid te vinden. Om vrijheid te vinden. Velen spreken nu al Nederlands. Ze kijken TV. Volgen de politiek. En wat horen ze dan?


Politici die zeggen dat ze terug moeten naar hun door oorlog verscheurde land. Een land waar ze hun vrienden zijn kwijtgeraakt. Waar een dictator chemische wapens uitstort over zijn onderdanen. Congres, zulke harteloosheid mogen wij nooit onbeantwoord laten.


Wij hebben dus een duidelijke opdracht. Een alternatief bieden aan deze politiek van haat. U bent misschien lid geworden voor het redelijk alternatief. Maar congres, nu is het tijd om de rijen te sluiten. Wij zijn ook het waardig alternatief!


Democraten,


Het is tijd voor een politiek die gelijke kansen centraal stelt. Niet omdat alles en iedereen gelijk moet zijn. Verschillen kunnen bestaan in een rechtvaardige samenleving.


Maar gelijke kansen zijn zo belangrijk, omdat ze gaan over iets anders: het recht om je lot in eigen hand te nemen. Niet afhankelijk te zijn van waar je ouders ooit zijn geboren. Niet opgesloten te zitten in jouw plekje in de samenleving, omdat je ouders niet de juiste diploma’s hadden. Kansen, congres, gaan over vrijheid.


Deze week was ik te gast bij het nationale schoolontbijt. Naast mij zat een jongetje uit groep 8. Voelt zich Nederlander én Turk. Voetbalt voor een van de belofteteams van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond. Hij vertelde mij iets dat ik niet los kan laten.


Iedere dag moet hij ’s ochtends thuis kiezen: wil je lunch of ontbijt? Zijn ouders hebben geen geld voor meer dan drie boterhammen per dag. Drie boterhammen. En dan moet je kiezen. 12 jaar oud. Wil je lunch? Of ontbijt?


Sta daar eens bij stil. De onmogelijke keuze. De tragiek van vader en moeder die niets anders willen dan het beste voor hun kind. En stel jezelf dan de vraag: is die jongen vrij? Heeft hij daadwerkelijk dezelfde kans om het net zo goed te doen op school als zijn leeftijdsgenoten?


Het antwoord is nee. En in ons rijke en beschaafde land is dat een onbestaanbare schande. Dit is Nederland. Dit is 2019. Dit kan zo niet langer. Het wordt tijd voor een politiek die mensen vrij maakt. Vrij van belemmeringen, omdat het beste onderwijs toegankelijk is voor iedereen.


Vrij van behoefte, omdat armoede uit ons woordenboek is verdwenen. Vrij van oneerlijke concurrentie op school, omdat bijlessen beschikbaar zijn voor alle kinderen. Vrij van stress over volgende maand of volgend jaar, omdat je een vaste baan kunt krijgen. Vrij van een huursom die de helft van je inkomen opslokt, omdat je wel een betaalbaar huis kunt kopen.


Mensen moeten vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen, omdat het openbaar vervoer wel een alternatief is voor de auto. Vrij van de vervuiling van de lucht die we inademen en het water dat we drinken. Vrij van belastingdruk die de overheid niet kan rechtvaardigen, omdat de grootste vermogens nu echt naar draagkracht gaan bijdragen.


Mensen moeten vrij zijn van de angst dat grote Tech-bedrijven hun diepste geheimen delen. Vrij om te kiezen of je voor jezelf of voor iemand anders werkt. Vrij en zeker genoeg om risico’s te nemen en iets nieuws te proberen. Alle Nederlanders moeten vrij zijn van de discriminatie die mensen met een buitenlandse achternaam van de werkvloer houdt.

Vrij van door xenofobe nationalisten opgehitste vooroordelen die mensen verdelen. Vrij om de eigen premier te kiezen, en ja dan hebben wij gelukkig de nodige kandidaten.

En, congres, vrij zijn gaat ultiem ook over de toekomst van ons land. We zijn gekluisterd aan het heden, omdat we niet genoeg hebben geïnvesteerd in onderwijs, onderzoek en innovatie. Onder aanvoering van D66 trekken we de laatste jaren langzaam het been bij. Maar na het plakken van de pleisters, moeten we nu werk gaan maken van het helen van de wond.

Als we ons vrij willen maken moeten we nu onder ogen komen dat we lang de verkeerde keuzes hebben gemaakt. Dat het niet kan bestaan dat sommige kinderen maar vier dagen per week naar school kunnen. Dat het onacceptabel is als willekeurige ouders gedwongen worden het trotse vak van leraar voor een dag over te nemen. Dat scholen, leraren, kinderen en ouders moeten worden verlost van het juk van koepels en overheid.

Dat de leraar weer baas moet zijn in eigen klas. Dat privéonderwijs de samenleving in tweeën splijt. Dat studenten op geen enkele manier gehinderd mogen worden door de leningen die ze afsluiten.

En dat de studie van de geschiedenis, die ons leert wat verandering is en hoe we die tot stand brengen, net zoveel steunt verdient als de toegepaste natuurkunde.

En wie echt wil weten wat het is om vrij te zijn—hoe we die vrijheid hebben verworven—doet er goed aan de geschiedenis te bestuderen van de stad waar we vandaag bij elkaar zijn gekomen. Breda.

Het is dit jaar 75 jaar geleden dat Breda werd bevrijd van de tirannie van de Tweede Wereldoorlog. In oktober 1944, na de mislukking van operatie Market Garden, trokken de geallieerden door Brabant richting de Schelde. De Britten en de Amerikanen bombardeerden Den Bosch en Tilburg. De littekens van de bombardementen staan nog steeds in die steden.

Breda trof een ander lot. De stad kwam bijna ongeschonden uit de oorlog.

Dat heeft Breda te danken aan Generaal Maczek van de eerste Poolse pantserdivisie. Voor de poorten van Breda besloot hij: ‘Dit zijn onze vrienden, wij zullen hen niet bombarderen’.

De kanonnen bleven stil. De tanks bleven achter. Moedige Poolse soldaten trokken Breda in om de bevolking te bevrijden. Straat voor straat. Wijk voor wijk. Veel Poolse soldaten lieten daarbij het leven. Nog meer raakten gewond.

In de jaren na de bevrijding van Breda, smolten de landen van Europa langzaam samen. Gedreven door de wens te leven in veiligheid en in vrijheid.

In deze bevrijde stad, liep een jonge Van Mierlo rond. En het was dankzij deze vrijheid, dat hij zijn tanden kon zetten in de Nederlandse democratie. Het was dankzij deze vrijheid, dat hij in 1970, hier in zijn eigen Breda, ook een congres kon toespreken.

En wat hij zei, zijn nog even ware woorden voor D66 als toen: ‘Laten we in hemelsnaam doorgaan met de moed te hebben om die dingen bij de naam te noemen, die naar ons eer, geweten en inzicht moeten gebeuren.’

Ik zie dat als mijn ultieme opdracht. Als opdracht voor D66.

Ik vraag u; ga met ons mee. Vertel ons verhaal. Noem de dingen bij naam. Aan de keukentafel en bij mensen aan de deur. Trek je D66-jas aan. Ga de straat op. Vertel je buren en stadsgenoten waarom je ooit zoiets hebt gedaan als lid worden van een politieke partij. Kleur dit land groen. Wij willen vrij zijn. Nu en voor de toekomst.

Kerdijklezing door Rob Jetten

Kerdijklezing door Rob Jetten

Bekijk de Kerdijklezing van Rob Jetten

Rob Jetten – Rob Jetten hield op 4 maart 2019 de Kerdijklezing, zijn eerste grote binnenlandse toespraak als fractievoorzitter.

Rob Jetten hield op 4 maart 2019 de Kerdijklezing, zijn eerste grote binnenlandse toespraak als fractievoorzitter. Lees zijn toespraak ‘De Nederlandse belofte, een vrij en waardig bestaan voor iedereen’.

Dames en heren,

Op maandag 16 februari 1874 dromde een mensenmassa samen aan de Goudsesingel in Rotterdam. In de ruime zaal van een handelsgebouw, grenzend aan de markt, hadden de leden van het ‘Comité ter bespreking van de sociale kwestie’ een bijeenkomst belegd over kinderarbeid.

Uit het hele land waren geïnteresseerden naar Rotterdam gekomen. Politici en intellectuelen, maar ook veel mensen uit wat toen ‘de stand der werklieden’ werd genoemd.  Arbeiders, die nog geen stemrecht hadden, maar hier wél hun stem konden laten horen.
Het was die maandag een koude dag, maar binnen liep de temperatuur snel op. Niet omdat de aanwezigen het oneens waren. Wel omdat het in de zaal bijna voelbaar was ‘dat het zo niet langer kon’. Aan het onrecht dat kinderarbeid heette, moest een einde komen. Een wettelijk verbod was noodzakelijk. Na elke spreker klonk gejoel en geklap.

Ergens in die zaal zat een netjes uitziende, bebrilde jongeman. Die jongeman was Arnold Kerdijk. De jonge Kerdijk is niet stilletjes in een hoek blijven zitten. Een motie sprak uit dat een verbod op kinderarbeid ook betekende dat de overheid moest zorgen voor goed onderwijs. Die motie werd slechts afgedaan met een matig applaus.

Kerdijk nam het woord en eiste dat zo’n belangrijke uitspraak meer steun verdiende. Iedereen die tegen was, moest zich kenbaar maken en opstaan. Tot tevredenheid van de jonge Kerdijk bleef iedereen zitten. Dat vervulde hem met optimisme en hoop voor de toekomst.

Erfgenamen Kerdijk

Ik hoor u denken: met die netheid en bril zit het wel goed. Maar of die Rob ook vooruitstrevende ideeën heeft, moet hij nog maar bewijzen.  Dat ik vandaag daarvoor de kans krijg, is een genoegen.De strijd tegen sociaal onrecht, tegen ongelijke kansen en tegen de donkere kanten van de industriële revolutie, beschouwde Kerdijk als de zijne. Het ideaal van een vrij en waardig bestaan voor alle mensen.

Hij richtte een school op voor maatschappelijk werk om armoede in Nederland  te  bestrijden. Hij ijverde al vroeg voor het algemeen kiesrecht. En hij gaf als medeoprichter van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen steun en  advies aan arbeidersverenigingen, vaak schouder aan schouder met de sociaaldemocraten.

‘Het is te vroeg, het gaat te snel’, verzuchtten Kerdijk ’s liberale geestverwanten dan vaak. Keer op keer kozen al die tevreden liberalen op het moment suprême voor het comfort van de behoudzucht.

Voor Kerdijk betekende liberalisme iets anders. Het was sociaal. Het was waar nodig radicaal. Sociaalliberalen zoals hij wisten heel goed dat echte vrijheid twee kanten heeft. Om echt vrij te zijn, moeten mensen vrij zijn van dwang, van onderdrukking, van beklemmende regels.

Maar ook moeten ze vrij zijn om iets van hun leven te maken, om zich te kunnen ontwikkelen, zich te ontplooien. Kerdijk wist dat dit vroeg om kansengelijkheid, om emancipatie, om gelijkwaardigheid. Om, kortom, sociaalliberalen met ambitie.

Dames en heren, Ik beschouw mijn partij als voortzetter van die politieke erfenis. Wij willen muren neerhalen. Muren die in de weg staan van wat ik de Nederlandse belofte noem: Een vrij en waardig bestaan voor iedereen. In de tijd van Kerdijk liepen die muren dwars door de samenleving.  Ze waren hoog en leken gemaakt van het dikste beton.

1. Muren tussen mensen die mochten stemmen, en zij die dat recht werd onthouden.
2. Muren tussen mensen met goed betaald werk en goede woningen, en zij die dat ontbeerden.
3. En muren tussen mensen wier kinderen goed onderwijs konden genieten, en zij die het aan die kans ontbrak.

Die ambitie om muren neer te halen, leidde ook tot de oprichting van mijn partij in 1966.

1. De muren tussen regenten en burgers.
2. Tussen mannen en vrouwen.
3. En tussen het rijke Westen en landen die nog vochten tegen armoede.

In het revoltejaar 1968 sprak Hans van Mierlo op een partijcongres van een “steeds hogere steeds, ondoordringbaarder muur tussen machthebbers aan de ene kant en de gewone mensen aan de andere.” Er moesten bressen komen in die muur. Niet door er een kanon op te richten. Dat zou wanhopig zijn. Nee, Van Mierlo wilde “een revolutie maken voordat die uitbreekt, een stille revolutie, die kanalen graaft van de burgers en hun frustraties naar de centra van de macht.”

Nieuwe muren

Als ik onze samenleving vergelijk met die van 1874 en 1966, zie ik dat veel muren zijn geslecht. De werkloosheidscijfers zijn lager dan ooit. De economische groei is bescheiden, maar gestaag. En veruit de meeste Nederlanders zijn gelukkig.
Ik weet niet wat u denkt als u zoiets hoort, maar deze wereld van cijfers en gemiddelden is niet altijd de mijne. Het wijzen op ranglijstjes en percentages ruikt mij teveel naar geestdodende tevredenheid met de status-quo. Wie goed kijkt, ziet dat de Nederlandse belofte, van een bestaan in vrijheid en waardigheid, lang niet voor iedereen is vervuld.

De afgelopen decennia zijn nieuwe muren gebouwd.

1. Muren tussen mensen met en mensen zonder zekerheid.
2. Tussen mensen met wortels in Nederland en mensen met wortels elders.
3. En tussen mensen met macht en mensen zonder macht.

En daar wil ik het vandaag met u over hebben. Drie muren – en hoe we ze kunnen slopen.

Die eerste muur – tussen mensen met en mensen zonder zekerheid – ontstaat langs lijnen van opleiding. De hoogopgeleiden plukken de vruchten van globalisering. Voor hen is de wereld kleiner geworden. Met minder grenzen en meer kansen. Flexwerk staat voor hen voor vrijheid.

Aan de andere kant van de muur staan praktisch of middelbaar opgeleiden. Zij ervaren globalisering als een bedreiging.  Perspectief op vast werk is voor hen een zeldzaamheid. Een koopwoning buiten bereik.  En een huurwoning te duur. Deze groep ziet hun lonen nauwelijks stijgen, ondanks economische groei. Het besteedbaar inkomen van huishoudens is sinds 1977 nauwelijks toegenomen. En al sinds 2003 bestaat de banengroei in Nederland vrijwel alleen uit tijdelijke krachten, nul-urencontracten en ZZP’ers.

Die ongelijkheid is ook te zien bij vermogens in ons land. De rijkste 10% bezit 66% van het vermogen. Zekerheid wordt erfbaar. De ene groep blijft achter, de andere vermeerdert de welvaart en geeft het door. Er ontstaat, zo zegt de Franse geograaf Christophe Guilluy, een bovenkant mét en een onderkant zónder zekerheid. Met heel weinig daar tussenin. En met weinig mogelijkheden en kansen om je lot in eigen hand te nemen. Om je levenspad te beïnvloeden door hard te werken, door een stap extra te doen.

Een wereld waarin eigen initiatief niet meer beloond wordt, daar word ik als liberaal niet enthousiast van. Guilluy heeft dan ook een indringende vraag voor de winnaars: heeft u wel door dat de status quo in uw voordeel werkt, maar ten koste gaat van anderen? Het is niet zo dat mensen die in pak naar hun werk gaan, deze tweedeling niet zien.

Ook in mijn eigen omgeving, zie ik muren hoger worden. Mijn grootouders van beide kanten waren kleine, hardwerkende Brabantse ondernemers. De ene opa zat in de electro-installatietechniek. De ander had een slijterij en tabakszaak, samen met mijn onvermoeibare oma.  Ze werkten zes dagen per week, gesterkt door één simpele overtuiging: ‘Onze kinderen krijgen het beter dan wij.’

En dat gebeurde ook. Mijn ouders, ooms en tantes kwamen goed terecht. Ze werkten hard en werden voor hun initiatief beloond. Mijn neefjes, nichtjes en ikzelf waren de eerste generatie die massaal ging studeren.

Dat geloof – de onwrikbare overtuiging dat de volgende generatie het beter krijgt – is aan het verdwijnen. Terwijl ik kansen én zekerheid kreeg als jonge manager bij ProRail,  zag ik hoe familieleden en vrienden onzeker werden. Geen vast contract. Geen hypotheek. En soms zelfs geen huurhuis.

En dan kom ik nog uit een typisch middenklasse gezin. Ik ben de race van het leven meters voorbij de startlijn begonnen. Generatiegenoten met een minder stabiele thuisbasis begonnen de race meters achter de startlijn.

Onderwijs

Het begin van een antwoord ligt in beter en toegankelijker onderwijs. Maar om de emancipatiemotor van het onderwijs weer op volle toeren te laten draaien, moeten we radicale gelijke behandeling afdwingen. Voor ieder kind. Altijd en overal.
Hoe? Door af te rekenen met de ongelijkheid die buiten de klas ontstaat. Tienduizend kinderen per jaar stromen nu het basisonderwijs in met een taalachterstand. Dat is onverteerbaar. Daarom zeg ik: investeer in kinderopvang als instrument van ontwikkeling.
Zo komen kinderen op het vroegst mogelijke moment met elkaar in aanraking en krijgen ze dezelfde kansen. Maar ook als kinderen naar school gaan, slaat de ongelijkheid toe. Kinderen zonder huiswerkbegeleiding, pianoles en ouders met een museumkaart raken achterop bij kinderen die dat wel hebben.
Laten we die privileges toegankelijk maken voor iedereen. Laat ik het de nieuwe Nederlandse school noemen. Met sportvelden, theaters, muziekhallen, studieruimtes mét begeleiding en een gezonde maaltijd voor wie dat thuis niet krijgt.
Niemand wordt uitgesloten op basis van postcode of achtergrond. De nieuwe Nederlandse school is van en voor iedereen. Vrij toegankelijk. Een tweede thuis voor ieder kind.

Arbeid

Dames en heren, het kan niet blijven bij onderwijs alleen. De afgelopen jaren is een leger aan flexwerkers ontstaan dat armer, ongezonder en slechter verzekerd is dan mensen met een vast contract. We moeten daarom breken met business as usual. We moeten een vaste baan weer bereikbaar maken voor werknemer én werkgever. En we moeten mensen die ongewild als zelfstandige werken bescherming bieden.
Ik pleit ervoor een bodem af te spreken. Een minimumtarief waaronder je niet als zogenaamde ‘ondernemer’ mag werken. Omdat het onder dat tarief simpelweg onmogelijk is om je te verzekeren,  een pensioen op te bouwen of te sparen.
Tegelijkertijd moet het voor échte kleine ondernemers makkelijker worden tegenmacht te organiseren. Zoals beroepsfotografen die afspraken willen maken over tarieven.  Het probleem in Nederland is niet een gebrek aan werk.  Het is een gebrek aan goedbetaald werk.
De overheid én werkgevers moeten zich daarom tot het uiterste inspannen voor fatsoenlijke lonen. Onze bedrijven hebben zelf de grootste verantwoordelijkheid. In periodes van voorspoed moeten de salarissen stijgen. Niet alleen in de bestuurskamer, maar ook in de postkamer. Dat gebeurt nu onvoldoende.
Het zou helpen als de vakbonden, die zich vastbijten in de dossiers van het verleden, ook eindelijk onversneden gaan pleiten voor de hogere lonen van de toekomst.
En het zou óók helpen als de top van ons bedrijfsleven met beide benen op de grond ging staan. De groeiende kloof tussen het inkomen van de gemiddelde CEO en de gemiddelde medewerker knaagt aan het vertrouwen dat de essentiële voorwaarde is voor de geloofwaardigheid van ons sociaal contract.
Eerlijk is eerlijk: we hebben nog geen Amerikaanse toestanden. Maar de loonkloof is ook in Nederland flink gestegen. De CEO’s van de 21 grootste Nederlandse beursfondsen verdienen ondertussen 83 keer zo veel als een gemiddelde werknemer. Van onze CEO’s mogen wij meer rekenschap verwachten van hun voorbeeldfunctie. Meer oog voor de uitstraling van hun gedrag. Waar is de zelfbeheersing gebleven?

Vermogen

Dames en heren, als we de muur tussen de zekeren en de onzekeren willen aanpakken, moeten we het óók hebben over vermogens. Onze belasting op vermogen, vermogenswinst en vermogensoverdracht is de afgelopen decennia steeds verder verlaagd.
Mensen die met veel pijn en moeite iets opzij zetten krijgen nauwelijks rente. Terwijl mensen met veel vermogen makkelijker risico’s nemen. Meer beleggen. En zo een hoger rendement halen. Met alle maatschappelijke gevolgen van dien. Deze groep mensen schenkt hun kinderen belastingvrij een ton om een huis te kopen. En daarmee een nieuwe voorsprong in het leven.
Begrijp me niet verkeerd. Het is die trotse ouders en hun blije kinderen van harte gegund. Maar met het belonen van prestaties – iets wat ik als liberaal belangrijk vindt – heeft het weinig te maken. Daarom ben ik voorstander van een progressieve vermogensbelasting. Waarbij we grote vermogens boven de 1 miljoen zwaarder belasten. Zodat we kleine spaarders meer kunnen ontzien.
Dames en heren, de tweede muur die ik zie is die tussen mensen met wortels in Nederland en mensen met wortels elders. Wie mensen op straat naar hun maatschappelijke zorgen vraagt, hoort vaak: migratie en integratie.
In het rapport “De nieuwe verscheidenheid” stelde de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid onlangs dat er een overeenkomst is tussen diversiteit enerzijds en een thuisgevoel en buurtcohesie anderzijds. Hoe groter de diversiteit, hoe minder mensen zich thuis voelen. Dat is het recept voor een nieuwe muur.
Aan één kant van de muur staan mensen met wortels in Nederland die onbehagen ervaren over migratie en de ‘culturele kwetsbaarheid’ die dat met zich mee zou brengen. Dat onbehagen voel ik zelf soms ook. Ik ben bezorgd over de emancipatie van de LHBTI-gemeenschap. Die lijkt soms, onder druk van culturele spanningen, een stapje terug te doen.
Toen ik afgelopen zomer met mijn vriend door Madrid liep, viel me op hoe gemakkelijk het daar is voor twee mannen of twee vrouwen om hand in hand te lopen. Met trots, zonder enige bedenking. Vrijheid zoals het moet zijn. Misschien kan niet iedereen in de zaal het zich voorstellen, maar homo’s in Nederland – in het land waar het huwelijk als eerst werd opengesteld – denken wel twee keer na voor ze dat doen. Uit angst voor negatieve reacties. Uit angst voor negatieve reacties. Soms uit angst voor agressie. Die angst wordt vaak geprojecteerd op mensen met een migratieachtergrond.
Mensen – en dat is de ironie – die juist vaak zélf worstelen met miskenning en uitsluiting. Zij staan aan de andere kant van de muur en krijgen het idee dat ze nooit echt bij Nederland zullen horen. Ook niet als ze hier geboren en getogen zijn. En ook niet als ze hun stinkende best doen op school of werk.
Neem in gedachten een opgroeiende jongen, Marokkaanse komaf. Zijn ouders kunnen hem niet helpen met huiswerk, maar hij doet z’n best. En elk jaar ziet hij wel ergens een nieuwsbericht op over een winkel die een vacature plaatst met de toevoeging: “Geen Marokkanen.” Of tientallen uitzendbureaus die op de vraag of ze alsjeblieft geen Surinamers of Turken willen sturen zegt: “Tuurlijk, gaan we regelen.”
Ik denk aan een vriendin met een hoofddoek die werd afgewezen voor een baan omdat ze — zo werd gezegd — “tijdens haar studietijd geen bestuursjaar had gedaan”. Dat ze als enige uit een gezin met vijf broers was gaan studeren, tegen de wil van haar vader op kamers was gegaan en daarmee waarschijnlijk meer levenservaring had opgedaan dan alle bestuursleden bij elkaar van welke vereniging dan ook, deed blijkbaar niet ter zake.
Ik was daarom nog nauwelijks verbaasd toen ik kennis nam van dit afschuwelijke feit: een autochtone sollicitant met een strafblad wordt in Nederland drie keer vaker uitgenodigd dan een sollicitant zonder strafblad, maar met een Arabisch klinkende naam.

De nieuwe Nederlandse burger

Wie die muur wil doorbreken, zal op zoek moeten naar een nieuwe opvatting van wat ons Nederlanders maakt. Die zoektocht kan uitmonden in een Nederlands variatie op de Franse ‘citoyen’ of het Amerikaanse ‘citizen’. De nieuwe Nederlandse burger.

Een nieuwe opvatting van Nederlanderschap heeft als basis dát wat dit land altijd heeft gekend: openheid, tolerantie, verdraagzaamheid. Een Grondwet die opent met het fundamentele uitgangspunt van de gelijkwaardigheid van alle mensen. En een land met een Canon waarin Europa het laatste venster vormt. Stuk voor stuk ernstig onhip. Net als ik. Maar stuk voor stuk belangrijker dan ooit.

Voor een nieuwe opvatting van burgerschap moeten we ons vooral de vraag stellen wat voor land we willen worden. “We have the opportunity to move not only toward the rich society and the powerful society, but upward to a great society”, zei Lyndon Johnson, de president die zwarte Amerikanen burgerrechten gaf.

We zijn pas groots als we niet alleen rijk en machtig zijn, maar als we er allemaal bij horen. Als we iets kunnen leren van de Amerikanen, en ik begrijp dat leren van Amerikanen wat onwennig aanvoelt in deze woelige tijd, is het dit: Dat we mensen niet moeten bevragen op hun afkomst, maar op hun bijdrage aan de toekomst.

Dus wat te doen? Eerst zetten we de logische, voor de hand liggende stappen. Bedrijven die mensen uitsluiten op basis van hun naam of voorkomen, krijgen zwaardere straffen opgelegd van de wetgever.
Die uitzendbureaus gaan we als overheid zélf bellen om te kijken of ze mensen selecteren op kleur, of seksuele geaardheid. En wie discrimineert, krijgt geen werk meer van de overheid. Dat doen we als sanctie, maar óók om duidelijk te maken dat Nederland geen ruimte laat voor discriminatie.
De nieuwe opvatting van burgerschap verankeren we ook op de nieuwe Nederlandse school. Niet als een apart vak, niet iets dat wordt weggestopt in het rooster tussen Nederlands en wiskunde. Maar als rode draad in het verhaal van al ons onderwijs. Van kleuterklas tot eindexamen.

Gemeenschapszin en broederschap dwing je niet af. Maar we kunnen onze kinderen wél voorbereiden op onze vrije samenleving. Op de nieuwe Nederlandse school is plek voor iedereen. Dit begint wat mij betreft met het wettelijk vastleggen van het leerrecht en een acceptatieplicht die scholen verplicht alle kinderen aan te nemen. Laten we ons inzetten voor scholen waar kinderen leren elkaar de vrijheid te gunnen zichzelf te zijn. Laten we, kortom, Kerdijk’s karwei afmaken.

Dames en heren, de derde muur is er een waar mijn partij al lang tegenaan schopt. Die tussen mensen met macht en mensen zonder macht. Denk om te beginnen aan ‘Den Haag’ Aan die vierkante kilometer waar wij ons nu bevinden. Macht die met een das en pak aan live op NPO Politiek verschijnt.

Voor het Vragenuurtje, of voor een chique jaarlijkse lezing in een dure sociëteit. Macht die voor steeds meer Nederlanders een ‘ver van je bed show’ is, die je als toeschouwer kunt gadeslaan, maar waar je geen wezenlijke invloed op kunt uitoefenen.
Dat gevoel is zo sterk dat een derde dreigt af te haken bij ons democratisch bestel. Alle reden dus om nog altijd ongerust te zijn over de ernstige devaluatie van onze democratie. Besluitvorming is vaak besloten, controle op de macht schimmig.

Veel beslissingen – ik kan het weten! – worden weggeorganiseerd naar regionale samenwerkingsverbanden, overlegtafels, kabinetsformaties en dichtgetimmerde regeerakkoorden. Hoe kunnen mensen meedoen en meebeslissen als de macht het licht van de openbaarheid schuwt? Om te beginnen moeten we het debat terugbrengen in de Tweede Kamer.

De formatie van het huidige kabinet was een lastig proces. Het duurde oneindig lang en het regeerakkoord is…hoe zal ik het noemen…niet bepaald een stuk op hoofdlijnen. Ik betwijfel sterk of dat een geschikte vorm is voor de toekomst. Ik zou het liefst af willen van te gedetailleerde coalitieakkoorden, die geen ruimte laten voor nieuwe inzichten en gezond debat in het parlement.

Laten we niet te bang zijn voor een politieke praktijk van wisselende meerderheden. D66 heeft zich decennia gericht op het veranderen van de instituties van onze democratie. Dat is onverminderd actueel. Maar laten we niet vergeten dat politieke cultuur – de manier waarop mijn collega’s en ik omgaan met de rol die ons gegeven is – ook van grote invloed is op het vertrouwen dat mensen hebben in onze democratie. Het is een dure plicht niet alleen onze instituties, maar ook onze politiek cultuur te democratiseren.

Laten we om te beginnen de voorstellen van de Staatscommissie Parlementair Stelsel serieus nemen. Wij kennen in Nederland een traditie van staatscommissies die hard werken. Mooie voorstellen doen. Een dik rapport uitbrengen. Om die vervolgens in diepe lades te zien verdwijnen. Dat is nou een traditie om mee te breken. De commissie Remkes heeft weloverwogen voorstellen gedaan. Laten we daar iets mee doen.

Wat spreekt mij aan? Ik denk dan als eerste aan het nieuwe kiesstelsel, waarin volksvertegenwoordigers een echt mandaat van de kiezer hebben. Een stelsel met een lagere voorkeursdrempel en een sterkere band tussen kiezer en gekozene. Met goede ondersteuning van Kamerleden, zodat wij onze wetgevende én controlerende rol kunnen versterken.

Ik denk ook aan een gekozen formateur, zodat de kiezer richting kan geven aan de totstandkoming van een kabinet. Zo’n gekozen formateur moet op termijn leiden tot het eindelijk in vervulling laten gaan van een langgekoesterde wens van het merendeel van de Nederlandse kiezers: de direct gekozen minister-president.
En laten we ook zorgen voor wat de commissie Remkes “een vorm van tegendruk” noemt. Een noodrem die met name tegemoet komt aan de behoefte van de mensen die afhaken bij het systeem: een correctief bindend referendum over concrete binnenlandse wetgeving.

Zijn we er dan? Nog lang niet. Want over politiek Den Haag valt de schaduw van een andere stille macht. De macht die zich sms’jes aan de premier denkt te kunnen permitteren. Marktmacht.

Ik sta voor een échte vrije markt. Een markt met duidelijke spelregels en een strenge marktmeester die hard durft op te treden. Dat is de overheid. Dat zijn wij. Want, zoals Jan Terlouw zei: ‘Een markt die niet aan zeer strikte randvoorwaarden is gebonden […] streeft ernaar om zo gauw mogelijk niet meer een vrije markt te zijn’.
Waar hebben we het dan over? Grote bedrijven—waaronder techreuzen als Facebook, Google en Amazon—hebben nu meer macht dan sommige staten. Ze ontwijken belasting, vermijden democratische verantwoording, weigeren realistische arbeidsvoorwaarden te hanteren voor hun personeel, spelen met uw en mijn data, en offeren kostbare reserves van de aarde op, om nog meer winst te kunnen maken.

Dit soort bedrijven heeft een plekje aan de ene kant van de muur gekocht en wordt onvoldoende aangesproken. Het kapitalisme met dit soort schaduwzijden, moeten we van zichzelf redden. Daarom: tijd voor democratische tegenmacht! Net als iedereen, moeten ook bedrijven een eerlijke belasting betalen.

Dat dwingen we alleen af als we eensgezind optreden met de Europese Unie. Ik ben voorstander van een Europese digitax en één Europees tarief voor de dividendbelasting. Zodat grote, machtige bedrijven niet de kans krijgen om landen tegen elkaar uit te spelen en een aanhoudende race naar lagere belastingtarieven kunnen afdwingen. Alleen zo kunnen we de gezondheid van onze democratie en rechtsstaat, en dus de belangen van mensen, beschermen.

De Nederlandse belofte

Dames en heren, een vrij en waardig bestaan voor alle Nederlanders. Dat was het doel van Arnold Kerdijk. Dat was het doel van generaties aan sociaal-liberalen na hem. En dat is ons doel, hier, vandaag. Terwijl de Amerikaanse droom in duigen valt, strijden wij met hernieuwde energie voor de Nederlandse belofte.

De belofte van een land waarin mensen echt vrij zijn. Niemand klein wordt gehouden, niemand wordt betutteld. Waarin mensen écht zeker zijn van hun kansen. De belofte van een samenleving waarin iedereen zich gelijkwaardig Nederlander weet en iedereen thuis is die kiest hier te wonen. De belofte van een liberale democratie waarin mensen zelf het laatste woord hebben.

Het is aan ons allen de muren te doorbreken die het inlossen van die belofte nu in de weg staan. Omdat mensen niet leven bij de gedachte hoe de wereld is, maar bij de hoop hoe die zou kunnen zijn.
Omdat wij ons succes meten in ons welzijn. In ons geluk. Daarvoor hebben we een gevoel van zekerheid nodig. Van vrijheid. Van geaccepteerd zijn. Gewaardeerd en erkend worden. Van erbij horen. Van samen zijn.

We zijn op een basaal niveau met elkaar verbonden. Ons levensgeluk, onze eigen ontplooiing en verwezenlijking als mens is afhankelijk van het geluk en de ontplooiing van de ander. Dat is wat ons ten diepste beweegt. Wat ons vooruit drijft naar de toekomst. De toekomst die we altijd beter willen maken.

Met het oog op de toekomst moeten wij iedere dag de vraag beantwoorden: wat moet ik doen, hoe moet ik handelen? Wat is goed? Dat maakt ons tot mens. En in de politiek zou het niet anders moeten zijn.

Het is aan de politiek de muren te slopen die ons verdelen. Met hetzelfde gevoel als dat heerste in die zaal aan de Goudsesingel in Rotterdam. Het gevoel dat ‘het zo niet langer kan’. Want juist het geloof dat het anders kan, beweegt mensen ertoe naar de stembus te gaan. Te protesteren. Hun mening te delen. Lid te worden van een politieke partij. En in mijn geval volksvertegenwoordiger te worden.
Een vorige generatie politici verkondigde geregeld de gewoontewijsheid dat de politiek kan bijsturen, kan managen, maar vooral haar eigen grenzen in het oog moet houden. Laten we ons van die benauwdheid bevrijden. Laten we de sloophamer pakken en die muren te lijf gaan.

Voor mijn generatie moet politiek weer de plek zijn waar grote idealen de drijvende kracht zijn van het debat. De plek waar verandering tot stand komt.

Dat was het in de tijd van Kerdijk. Dat moet het nu weer worden, eens te meer.

Gesproken tekst geldt.

Vrij van ingewikkelde toeslagen

Vrij van ingewikkelde toeslagen

Ben je vrij als je je zorgen moet maken of je huurtoeslag wel binnenkomt iedere maand? Of als je onterecht als fraudeur wordt bestempeld en daardoor duizenden euro’s boete krijgt? Als het toeslagenstelsel zo ingewikkeld voor je is, dat je door de bomen het bos niet meer ziet en geld misloopt? Of dat je onterecht in de schulden raakt?

Een verouderd en ingewikkeld toeslagenstelsel

Ons toeslagenstelsel is verouderd. Bovendien is het erg ingewikkeld, juist voor de mensen die de extra steun het hardst nodig hebben. Ouders werden onterecht als fraudeurs bestempeld door de Belastingdienst en kregen duizenden euro’s boete. Het papierwerk is zo ingewikkeld, dat veel mensen door de bomen het bos niet meer zien. Het mag niet zo zijn dat mensen denken: ‘Nou, dan maar geen zorg- of huurtoeslag’, omdat het systeem ze in de weg zit. Of dat mensen onterecht diep in de schulden raken, omdat ze een verkeerd formulier hebben ingevuld. Het is tijd dat we het vertrouwen tussen de overheid en mensen herstellen.

Geen toeslag, maar belastingkorting voor iedereen

Wij komen daarom met een plan om het hele toeslagenstelsel te hervormen. De grootste belastinghervorming sinds 2001. We kijken vooruit. We schaffen alle toeslagen af. Geen huurtoeslag, geen zorgtoeslag, geen kinderopvangtoeslag. In plaats daarvan krijgt iedere Nederlander een belastingkorting. En als je niet genoeg verdient om belasting te betalen, krijg je geen korting maar het bedrag uitgekeerd. Zo blijven zorg, wonen en andere vaste lasten betaalbaar. Bovendien doen we meer. De zorgpremie gaat sterk omlaag, het minimumloon en uitkeringen gaan omhoog.

Gratis kinderopvang

We schaffen de kinderopvangtoeslag af, en maken de kinderopvang voor ieder kind tussen de 0 en 4 jaar gratis. Er zijn veel problemen met de kinderopvangtoeslag. Enkele jaren werd bij duizenden ouders de toeslag onterecht stopgezet. Zij moesten tienduizenden euro’s terugbetalen en veel van hen raakten daardoor in de problemen. Dat moeten we in de toekomst te allen tijde voorkomen. En dankzij gratis kinderopvang krijgen ouders meer de vrijheid om hun werkritme in te richten. Bovendien is de kinderopvang heel goed voor de ontwikkeling van een kind. Ze worden er socialer en leren hoe ze moeten samenwerken met andere kinderen. Daarnaast is het goed voor de taalontwikkeling van een kind. Voor kinderen tussen de 4 en 12 jaar wordt de buitenschoolse opvang ook gratis.

Minimumloon omhoog

Met de hervorming van het toeslagenstelsel willen we de hoogte van het minimumloon en de uitkeringen verhogen. Daardoor wordt het aantrekkelijker om te gaan werken. Bovendien halveren we de nominale zorgpremie, de minimale hoogte van de zorgpremie. Zo zijn mensen vrij van zorgen over de stijgende zorgkosten. 

Hoe gaan we het betalen?

Onze plannen zijn doorgerekend door het Centraal Planbureau. Vooral de lage en middeninkomens zullen erop vooruit gaan, de hoogste inkomens zullen wat meer belasting betalen. Door ons belastingstelsel te vergroenen, vervuilers meer te laten betalen en ingewikkelde constructies om belasting te ontwijken aan te pakken, willen we een deel van de weggevallen belastinginkomsten compenseren. We nodigen andere partijen uit om met ons mee te denken over de invulling van het plan. 

We kunnen af van het falende toeslagenstelsel. Met grote hervormingen die mensen vrijer maken.

Wij laten iedereen vrij, maar niemand vallen.

Scholenreis

Scholenreis: hoe ziet het onderwijs van de toekomst eruit?

Paul van Meenen en Rob Jetten voor de klas tijdens de Scholenreis. – Foto: Jeroen Mooijman

Het onderwijs verdient een grote ambitie. Om de beste en gelijke kansen te bieden aan ieder kind, zodat de emancipatiemotor weer op volle toeren kan draaien. Om de leraar de baas te maken over haar of zijn eigen vak. Daarom ging D66 tussen november en april op Scholenreis. Helaas werd de reis onderbroken door de onderwijslockdown. Maar we gaan online nog even door.

Eerder waren we in Breda op het congres, in Alkmaar, Almere, Amsterdam, Eindhoven, Emmen, Enschede, Capelle aan den IJssel, Groningen, Haarlem, Leiden, Utrecht en Zwolle.

Er stonden bijeenkomsten gepland in Middelburg, Breda, Leeuwarden, Nijmegen en Rotterdam.

Nieuwe onderwijsvisie

De nieuwe onderwijsvisie van D66 hebben we inmiddels gepresenteerd.

  • Gratis kinderopvang voor elk kind
  • De rijke schooldag met warme lunch
  • Alle kinderen samen naar school
  • Leraren meer salaris en vertrouwen, minder lesuren
  • Geld direct naar scholen

Een voorzet in de ideeën

Inmiddels is de onderwijsvisie gepresenteerd. Daarin lees je meer over de onderstaande discussie-onderwerpen.

Kinderopvang:
Naar de voorschool

Obstakels van nu
De tweedeling in de samenleving begint al bij twee jaar. Kinderen van werkende ouders gaan naar een kinderdagverblijf. De kinderopvang wordt teveel gezien als instrument voor arbeidsparticipatie en te weinig vanuit de ontwikkeling van het kind. Andere kinderen blijven thuis. Soms in een omgeving waar bijvoorbeeld geen Nederlands wordt gesproken of waar sociale problemen zijn. Voor deze groep kinderen dreigt een valse start nog voordat ze aan school beginnen, wat lastig in te halen is. Deze kinderen kunnen naar de voorschool voor spelenderwijs taalonderwijs, apart van de andere kinderen. Hierdoor ontstaat een samenleving waarbij mensen met verschillende achtergronden letterlijk niet met elkaar hebben geknikkerd.

Naar de voorschool
Wat zien we voor ons? D66 wil voor élk kind voorschoolse educatie zodat er oog is voor de ontwikkeling van elk kind en kinderen samen spelen en opgroeien. Geen vervroegde leerplicht of een kleutertoets maar een samenspeelrecht waar kinderen taalvaardigheden aanleren door het zingen van liedjes en het luisteren naar verhaaltjes.

De brede scholen met kinderopvang en school op één locatie, zijn de toekomst. Hier kan soepel worden omgesprongen met de overgang naar school, de expertise van leraren kan worden ingezet bij het kinderdagverblijf en ouders hebben één locatie waar ze de kinderen naartoe brengen.

Leraren:
Naar een aantrekkelijk beroep

Obstakels van nu
De huidige problemen rond het leraarschap behoeven bijna geen nadere toelichting: onderbetaald, onderbemand en overwerkt zijn de treurige sleutelwoorden. Leraren zijn de belangrijkste factor voor goed onderwijs, bij een tekort ontstaat er een bedreiging voor de onderwijskwaliteit. De salariskloof tussen het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs kan niemand goed verklaren. Een eerlijke beloning is belangrijk voor de aantrekkelijkheid van het beroep. Leraren hebben weinig tijd om lessen voor te bereiden, maatwerk te bieden en te werken aan het vak. Internationaal vergeleken geeft Nederlands onderwijs veel uren les. Ook dit maakt het vak onaantrekkelijk.

Naar een aantrekkelijk beroep
Waar denken we aan? De salariskloof helemaal dichten, zeker. Daarnaast dient de lestaak van de leraar teruggebracht te worden zodat er tijd komt voor de ontwikkeling van het onderwijs. Het maakt het leraarschap tot de volwassen, professionele en vooral mooiste baan die er is. Daarnaast is het een impuls voor de kwaliteit van het onderwijs.

Ook de vorming van een professionele beroepsgroep maakt het beroep van de leraar aantrekkelijker. Zij kunnen eigenaarschap krijgen over de lerarenopleiding waardoor die beter aansluit op de beroepspraktijk.

Basisschool:
Naar een verlengde schooldag

Obstakels van nu
Kansenongelijkheid begint na de schoolbel. Krijgt het kind daarna nog boekjes voorgelezen voor het slapen gaan of wordt er geen Nederlands gesproken? Krijgen ze extra huiswerkbegeleiding en bijles of heb je niet een rustige plek om je huiswerk te maken? Ga je naar gitaarles, de kinderboerderij en voetbaltraining of trap je elke dag in je uppie een balletje tegen een verveloze garagedeur? Kinderen komen steeds vroeger in bubbels van gelijkgestemden.

Naar de verlengde schooldag
Welke richting willen we uit? D66 wil dat er een breder aanbod komt binnen de schoolmuren. Kinderen krijgen niet meer, maar wel beter les. Ook krijgen ze binnen de schooldag een breed scala aangeboden van wat wij nu nog kennen als buitenschools schoolse activiteiten, zoals cultuur, muziek, sport en natuurlessen. Daarnaast kunnen zij binnen de school huiswerkbegeleiding en andere vormen van ondersteuning krijgen. Deze verlengde dag vraagt een gezonde warme lunch voor kinderen, te beginnen op de scholen waar de nood het hoogst is.

Voortgezet onderwijs:
Naar meer maatwerk

Obstakels van nu
Er gaat veel fout bij de overgang van basis naar voortgezet onderwijs. In Nederland selecteren wij met 12 jaar vroeg naar niveau. Bij veel kinderen is dan nog helemaal niet uitgekristalliseerd welk niveau het beste bij ze past. Bovendien werkt vroege selectie kansenongelijkheid in de hand. Kinderen gaan de sjoelbak van het leven in die het voortgezet onderwijs is geworden. Er zijn steeds meer categorale middelbare scholen waardoor op- of afstromen letterlijk fysieke barrières heeft: de leerling moet naar een totaal ander schoolgebouw in plaats van een andere klas. Daarnaast zijn leerlingen op het voortgezet onderwijs te vaak niet gemotiveerd en voelen ze zich niet uitgedaagd. Dit komt doordat het huidige voortgezet onderwijs nauwelijks eigen keuzes en maatwerk biedt. Het slechtste vak bepaalt het niveau van het diploma. Het vmbo heeft onterecht een slecht imago en de havo biedt geen enkele beroepsvoorbereiding.

Naar meer maatwerk
Hoe zouden we dit kunnen oplossen? Brede brugklassen waarbij de selectie wordt uitgesteld en kinderen langer in gemengde klassen zitten, geven letterlijk meer tijd om de achterstanden van leerlingen te compenseren en laatbloeiers tot hun recht te laten komen. Dit kan verschillende vormen aannemen zoals 10-14 scholen, verlengde basisscholen, junior colleges of verlengde brugklassen.
Ook het voortgezet onderwijs biedt binnen de schoolmuren huiswerkbegeleiding, sport, internationalisering, cultuur en stages zodat het voor iedere leerling toegankelijk wordt.
Leerlingen kiezen een vakkenpakket met richtingen in plaats van de huidige niveaus: praktijkgericht, vakgericht, beroepsgericht en academisch gericht. Door een maatwerkdiploma hebben leerlingen een eigen keuze, wordt het onderwijs uitdagend en worden brede talenten erkend. Van belang is dat ook de vervolgopleidingen aansluit zodat het maatwerkdiploma daadwerkelijk toegang biedt tot een passende opleiding.

Onderwijs en Zorg:
Naar een inclusieve school

Obstakels van nu
Passend onderwijs heeft zijn veelbelovende naam niet waargemaakt; het aantal thuiszittende kinderen is toegenomen, er worden steeds meer kinderen naar speciaal onderwijs doorverwezen en de diagnosedrang zet onverminderd door. De ene bureaucratie is vervangen door de andere bureaucratie wat soms kafkaëske situaties oplevert. 10 hulpverleners op een kind of verschillende zorg-aanvraagprotocollen in een klas die een leraar moet invullen. Het systeem is onbegrijpelijk en daardoor laat het ruimte voor verkeerd gedrag. In 2017 is er van het geld voor passend onderwijs 32 miljoen overgebleven. En let op: dit is toegevoegd aan een spaarrekening van 238 miljoen. Dit staat in schril contrast met de situatie in de klas waar de leerling en de leraar niet de gewenste ondersteuning krijgen.

Naar een inclusieve school
Hoe zouden we dit beter kunnen doen? Vooropgesteld, een school zou toegankelijk moeten zijn voor ieder kind. Onderzoek toont aan dat kinderen met een beperking die naar een gewone school gaan meer, beter en sneller leren en een grotere kans hebben op het vinden van een baan en het ontwikkelen van een sociaal leven. Ook de resultaten van de andere leerlingen gaan omhoog in een inclusieve school.

Er is nog heel veel nodig om dit te realiseren. Zorg moet dichter op de school worden georganiseerd, zodat leraren geen zorgverleners worden, maar de ondersteuning krijgen die ze nodig achten om het kind onderwijs te geven. Hier past ook bij om het leerrecht in te voeren. Kinderen kunnen dan niet meer geweigerd worden en scholen en overheid krijgen meer verantwoordelijkheid om een passende plek voor het kind te creëren.

Het systeem:
Geld naar scholen

Obstakels van nu
Hoewel er meer geld in onderwijs wordt geïnvesteerd, komt dat vaak op de verkeerde plek terecht, namelijk in reserves en bureaucratie. Dit staat in schril contrast met realiteit op scholen waar geregeld een tekort aan geld is. Dit komt doordat de schoolleiders hun positie zijn kwijtgeraakt en geen zeggenschap meer hebben. Besluiten worden genomen op een managementniveau dat te ver van de klas af staat. Bovendien is het financieringsmodel veel te ingewikkeld geworden met aparte potjes, bekostiging en subsidies.

Naar geld naar scholen
Aan welke oplossingen denken we? Stuur het geld direct naar scholen. Dé herkenbare plek voor overheid, leraren, ouders en leerlingen; dat gebouw in de wijk waar je je (klein)kind naar toe brengt, geleid door een schoolleider, die je gewoon kent. De school moet de zeggenschap en verantwoordelijkheid hebben om het beste onderwijs te geven aan ieder kind. De school krijgt hiermee grote verantwoordelijkheden zoals personeelsbeleid, ICT en huisvesting. Er dient dus zeker samengewerkt te worden tussen scholen. Dit kan worden gerealiseerd door de schoolleiders gezamenlijk het bestuur te laten vormen zodat de zeggenschap en verantwoording bij de school blijft. Het omdraaien van de bekostiging betekent dat de schoolleider terug in positie wordt gebracht. De schoolleider kan dan niet langer ook de conciërgetaken op zich nemen en een klas overnemen. Schoolleiders verdienen een passend en salaris en ruimte voor ontwikkeling.

Historische overwinning: Kroonbenoeming burgemeester uit de Grondwet!

Historische overwinning: Kroonbenoeming burgemeester uit de Grondwet!

Zojuist stemde de Eerste Kamer met een twee derde meerderheid vóór het schrappen van de Kroonbenoeming van de burgemeester en de Commissaris van de Koning uit de Grondwet.

Fractievoorzitter Rob Jetten: “Dit is een historische overwinning voor D66, zowel voor de inrichting van de Nederlandse democratie als voor onze partij. Daar ben ik heel trots op.”

Hans van Mierlo

De grondwetswijziging kwam er niet zonder slag of stoot. Al sinds 1966 is onze partij hiermee bezig. In het oprichtingsmanifest van D’66, Het Appèl, stond al dat D66 de burgemeestersbenoeming anders wilde inrichten. Hans van Mierlo wilde mensen dichter bij de democratie betrekken. Essentieel onderdeel van die strijd was het voorstel voor de verkiezing van de burgemeester, hetzij door de gemeenteraad, hetzij door de mensen rechtstreeks.

Nacht van Van Thijn

In de jaren ’90 kwam het voorstel pas écht op tafel. Het tweede Paarse kabinet regelde in het regeerakkoord dat de Grondwet zou worden gewijzigd: de Kroonbenoeming van de burgemeester en Commissaris van de Koning zou eruit gaan. Dat voorstel sneuvelde echter op 22 maart 2005, het laatst mogelijke moment dat het verkeerd kon gaan — de inmiddels beruchte ‘nacht van Van Thijn’.

Tweede Kamer

In 2012 kwam er een nieuw voorstel voor een grondwetswijziging. Ditmaal niet van het kabinet, maar van D66-Tweede Kamerlid Gerard Schouw. Bij de tweede lezing – een grondwetswijziging moet altijd twee keer door beide Kamers heen – mocht ik het overnemen. De Eerste Kamer deed dat net, mede door grote inzet van senator Hans Engels, met 57 stemmen vóór.

Hoe nu verder? We gaan in gesprek over hoe de burgemeester wél moet worden gekozen. Bijvoorbeeld direct door de inwoners van de gemeente of door de gemeenteraad, zoals wij vanaf het begin hebben benadrukt.

Sjoerd Sjoerdsma

Sjoerd Sjoerdsma

Tweede Kamerlid

Sjoerd Sjoerdsma – Foto: Jeroen Mooijman

Sjoerd Sjoerdsma (1981) is sinds september 2012 lid van de Tweede Kamer voor D66. Hij woont in Den Haag.

“Ons buitenland beleid is heel hard aan een herijking toe. De Nederlandse waarden moeten centraal staan en we moeten hoge eisen stellen aan mensenrechten. Vrijheid en het internationaal recht moeten we centraal stellen in alles wat we doen, want dat is op de lange termijn ook goed voor onze eigen belangen. Dat is altijd zo geweest. Voor D66 zijn deals en samenwerken met dictators en verkeerde regimes dan ook geen optie. Als voormalig crisisdiplomaat heb ik gezien hoe belangrijk het is niet te buigen voor dictators.

In het buitenland maar ook in ons eigen land is nog een wereld te winnen aan gelijke rechten tussen mannen, vrouwen, paradijsvogels en LHBTI’s. Iedereen moet zich vrij voelen zichzelf te kunnen zijn, ongeacht op wie je verliefd bent of waar je vandaan komt. Die gelijkheid is nog niet overal op orde. Nog te vaak verdienen vrouwen minder terwijl ze hetzelfde werk doen. Of verliezen vrouwen hun baan omdat ze zwanger zijn. Ik blijf me ook in ons eigen land hard maken voor emancipatie en gelijkheid.”

Portefeuilles

Buitenlandse Zaken; Terrorisme; Artikel 100 procedure/missies; Internationaal Strafhof (o.a. MH17)

Krijgsmacht en strategische keuzes

Strategische keuzes bij de krijgsmacht

Nederland moet scherpe keuzes maken over de ambities van de krijgsmacht. Er gaapt momenteel een gat tussen ambitie en middelen. De noodzakelijke middelen moeten beschikbaar worden gesteld zodat de krijgsmacht aan haar internationale verplichtingen en grondwettelijke taken kan voldoen en kan inspelen op de zich voortdurend ontwikkelende veiligheidssituatie. Daar hoort allereerst de erkenning bij dat effectieve defensie nog altijd leunt op drie klassieke pijlers: landmacht, marine en luchtmacht. 

In toenemende mate wordt ook de ruimte als militair domein gebruikt. D66 erkent dit, en wil zich inspannen voor Europese samenwerking op dit gebied.

D66 voegt expliciet een nieuw aspect toe aan de traditionele pijlers, en dat is digitale oorlogsvoering (cyber warfare). D66 ziet Nederland als digitale koploper in Europa. De bescherming van Nederland als wereldwijd knooppunt van verkeers- en datastromen vraagt om significante verhoging van het budget voor cybersecurity, zowel binnen Defensie als binnen Veiligheid en Justitie. D66 wil met dit extra budget het cybercommando, de inlichtingen- en communicatiecapaciteit en het IT netwerk versterken. D66 wil dat Defensie, het Nationale Cyber Security Centrum, onderzoeksinstellingen en bedrijven intensief samenwerken aan de bescherming van onze vitale infrastructuren en aan het ontwikkelen van innovatieve producten en diensten. Op die manier beschermen we Nederland als knooppunt en versterken we tegelijkertijd onze exportpositie.

D66 wil dat ons land in staat blijft deel te nemen aan activiteiten in het hoogste geweldsspectrum. Gelegen binnen een ring van instabiliteit is dit voor Nederland en Europa noodzakelijk. Tegelijkertijd deinzen wij er niet voor terug om ons – in samenspraak met onze partners – te specialiseren. We zullen bijvoorbeeld met mensen én middelen moeten anticiperen op het toenemende belang van cyber warfare en daarmee dus ook een hogere prioriteit geven. Een combinatie van investeren en specialiseren: daarmee blijft het mogelijk om onze veiligheid te bewaken en met partners deel te nemen aan de meest complexe militaire interventies.


Versterken van de interne markt

Versterken van de interne markt

Het vrij verkeer van diensten, van juridische diensten tot verzorging, is in de praktijk nauwelijks ‘vrij’ te noemen en ook de markt voor energie of digitaal ondernemerschap schiet tekort. Er is nog heel veel welvaart en werk te creëren door barrières weg te nemen. D66 wil dat Nederland in Europa voorop loopt in het versterken van de interne markt. Daarom werken we met Europa aan het bevorderen van concurrentie, het terugdringen van regeldrukte en het vereenvoudigen van grensoverschrijdend vervoer en werken over de grens. Ook willen we belasting aanpakken door de introductie van een eenduidige basis voor belastingheffing: de zogenaamde gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting op een Europees niveau (CCCTB). 


Wij willen ook werk maken van het openen van Europese markten die nu nog te gesloten zijn. Een Europese digitale markt die digitaal ondernemerschap over grenzen heen makkelijker maakt. Er komt één Europese energiemarkt die ons helpt te komen tot een duurzame en toekomstbestendige energievoorziening, met betere transportverbindingen tussen landen en ruimte voor meer uitwisseling van energie. Een gemeenschappelijk Europees luchtruim. Europees betalen en bankieren. Op deze onderwerpen blijven we in Europa werken aan vrije markten. Wanneer dat nodig is, lopen we voorop door met landen om ons heen de markten al vrijer te maken door regels te harmoniseren en wederzijds te erkennen.