Toegankelijke kinderopvang

Toegankelijke kinderopvang

Kinderopvang is niet alleen een belangrijke voorziening die kinderen kansen biedt. Kinderopvang is ook cruciaal voor ouders die willen werken. D66 wil een ruim en hoogwaardig aanbod van kinderopvangvoorzieningen. De brede buurtschool gaat aan kinderen vanaf twee jaar vroeg- en voorschoolse educatie bieden. Zo zorgen we voor een goede start voor elk kind, beginnend met vier dagdelen vroeg- en voorschoolse educatie, met een eigen bijdrage voor ouders die dat kunnen betalen en die nu over het algemeen vergelijkbare bedragen uitgeven aan kinderopvang. Voor de kinderopvang willen we dat de overheid stuurt op onze wensen – veiligheid, toegang tot taal, pedagogische kwaliteit – en minder op hoe dat tot stand komt. Daarbij willen we minder, maar vooral simpelere regels en meer ruimte voor initiatief van ouders. We vereenvoudigen de huidige versnipperde financiering van de opvang.

Kinderopvangcentra kunnen straks niet-gevaccineerde kinderen weigeren

Kinderopvangcentra kunnen straks niet-gevaccineerde kinderen weigeren

Een wet die kinderopvangcentra het recht geeft om niet-gevaccineerde kinderen te weigeren, is vanmiddag aangenomen door de Tweede Kamer. De vaccinatiegraad voor ziektes als mazelen, bof en rode hond blijft zorgwekkend laag. Op plekken waar veel kinderen samenkomen, zoals kinderopvangcentra, willen ouders een zo veilig mogelijke situatie voor hun kind.

Kamerlid Paul van Meenen: ‘We zijn nu een flinke stap dichterbij het bieden van zoveel mogelijk zekerheid voor ouders en kinderen. Kinderopvangcentra krijgen straks de mogelijkheid om niet-gevaccineerde kinderen te weigeren. Daarmee vergroten we niet alleen de veiligheid; we stellen ook ouders en kinderopvangcentra gerust.’

Vaccineren werkt
Dat de vaccinatiegraad zorgwekkend laag blijft, heeft voor een groot deel te maken met toenemende scepsis over de werking van vaccinaties. Zo doen er op sociale media en de rest van het internet veel spookverhalen de ronde. Van Meenen: ‘Dat is aantoonbare, gevaarlijke onzin. De wetenschap is glashelder: vaccineren werkt. Het beste zou zijn als iedereen zijn kinderen zou laten vaccineren. Maar als sommige ouders dat niet doen, moeten wat D66 betreft kinderen van andere ouders daar niet te dupe van worden. Met onze wet ontstaat er voor de ouders straks duidelijkheid en meer zekerheid.’

Verdere maatregelen
Het bieden van de mogelijkheid voor kinderopvangcentra om niet-gevaccineerde kinderen te weigeren is wat D66 betreft een eerste stap. Het is een relatief lichte maatregel, die snel door de politiek kon worden genomen. Van Meenen: ‘Wij blijven scherp naar de vaccinatiegraad kijken. Juist om kinderen die niet gevaccineerd kunnen worden, omdat ze te jong zijn, of bepaalde ziektes hebben, is het belangrijk dat we blijven werken aan de groepsbescherming. Het doel van onze wet is niet de verhoging van de vaccinatiegraad, al lijkt het ons heel aannemelijk dat dit wel gebeurt. Mocht het aandeel gevaccineerde kinderen verder zakken, dan sluiten we verdere maatregelen niet uit.’

Wet vaccineren kinderopvang aanscherpen

Wet vaccineren kinderopvang aanscherpen

D66 vindt dat er zo snel mogelijk actie moet worden ondernomen om de vaccinatiegraad op een veilig peil te krijgen. Kamerlid Rens Raemakers: ‘We willen kinderen veiligheid bieden. Het is wat ons betreft code rood. Er zijn steeds meer uitbraken van mazelen op kinderopvangcentra. De tijd van alleen voorlichten is voorbij.’

Daarom heeft D66 een wet ingediend die kinderopvangcentra de mogelijkheid geeft niet-gevaccineerde kinderen te weigeren. Daar is zeer brede maatschappelijke steun voor, bleek onlangs uit een peiling van EenVandaag. Nu de commissie Vermeij adviseert om een ondergrens vast te stellen voor een vaccinatieplicht op de kinderopvang, zien we daarin aanleiding om aan ons wetsvoorstel een maatregel toe te voegen. Als de vaccinatiegraad voor mazelen onder de 90% zakt, willen wij een vaccinatieplicht op ieder kinderopvangcentrum.

Overheid aan zet
De commissie Vermeij, die is ingesteld door staatssecretaris Van Ark, heeft onderzoek gedaan naar vaccineren in verband met kinderopvangcentra en vindt dat de overheid meer regie moet nemen. De commissie beveelt ook aan dat de overheid een ondergrens vaststelt voor dwingender maatregelen. D66 volgt die aanbeveling op. Raemakers: ‘In het belang van de veiligheid van kinderen is het belangrijk dat we als politiek actie ondernemen. De samenleving vraagt daar ook om. We hebben het rapport van de commissie Vermeij met belangstelling gelezen. We zien er aanleiding toe om ons wetsvoorstel uit te breiden en daarmee aan te scherpen. Zo blijft de overheid aan zet om de vaccinatiegraad omhoog te krijgen.’ Raemakers: ‘Er waren recent uitbraken van mazelen in Den Haag, Leiden en Urk. Laten we als politiek nu actie ondernemen, voor de veiligheid van onze kinderen.’

Leraren

Onderwijsvisie: Leraren

Obstakels van nu

Onderbezet, onderbetaald en overwerkt
Leraar is een fantastisch beroep. Je hoeft je nooit af te vragen of je werk ertoe doet. Want dag in, dag uit zie je het effect in de klas: Een nieuw inzicht, wat extra zelfvertrouwen, een bijdehand grapje. Vraag iemand naar zijn lievelingsleraar en je krijgt gegarandeerd een prachtig verhaal. Toch staat het leraarschap in een negatief daglicht. De werkdruk is te hoog, het salaris te laag en er heerst een ernstig tekort waardoor het op veel scholen elke dag weer gaten vullen is. Leraren hebben in de lesweek geen tijd voor professionalisering, voorbereiding en extra ondersteuning voor een leerling. Dit maakt niet alleen het beroep onaantrekkelijker, het is ook slecht voor de kwaliteit van het onderwijs.

Onderbezet

Al in 2007 waarschuwde een commissie van leraren dat er zowel een kwalitatief als een kwantitatief lerarentekort zat aan te komen. Het is onvoorstelbaar dat het tekort alsnog naar de huidige omvang is opgelopen. Al die tijd is het lerarentekort genegeerd of zelfs vergroot. Leraren zijn jarenlang niet betrokken bij overheidsbeleid. Veel hervormingen zijn mislukt omdat het ontbrak aan draagvlak onder leraren. Ondertussen nam ook op de school de afstand tussen leraar en management toe door bestuurlijke schaalvergroting. De groeiende problemen van de werkvloer – bijvoorbeeld rond de werkdruk en het salaris – kwamen niet op de radar van de schoolbesturen en de overheid.

De hele samenleving is de dupe van het tekort. Leraren zijn de belangrijkste factor voor goed onderwijs. Bij een tekort ontstaat er een bedreiging voor de onderwijskwaliteit.  Er vallen lessen uit, collega’s die de leerlingen niet goed kennen moeten bijspringen of klassen worden samengevoegd. Door het kwantitatieve tekort worden er concessies gedaan aan de kwalitatieve eisen aan leraren en worden noodgedwongen onbevoegde mensen voor de klas gezet. Zo wordt een vak als wiskunde, waar veel leerlingen moeite mee hebben, regelmatig door onbevoegden gegeven. Niet vreemd dat internationaal vergeleken de wiskundescores van Nederlandse leerlingen dalen.

Scholen met kansarme leerlingpopulaties hebben bovendien meer last van de het lerarentekort. Lesgeven op dit soort scholen is doorgaans intensiever en emotioneel belastender. Ouders zijn moeilijker bereikbaar, er zijn meer kinderen met leer- en gedragsproblemen en er is veel armoedeproblematiek waardoor kinderen bijvoorbeeld niet hebben ontbeten of geen jasje aan hebben als ze op school aankomen. Bij een tekort kiezen (beginnende) leraren er begrijpelijkerwijs vaak voor om les te geven op andere scholen. Precies daar waar kinderen het onderwijs het hardste nodig hebben, komt nu de kwaliteit als eerste in het gedrang.

Het lerarentekort versterkt zichzelf doordat het afbreuk doet aan de aantrekkelijkheid van het beroep. Ook krijgen startende leraren direct veel op hun bord en worden onvoldoende begeleid. Hierdoor verlaat een kwart van de leraren binnen vijf jaar het onderwijs, met name ook door de  praktijkschok. Al met al wordt er in 2025 in het basisonderwijs een tekort verwacht van 3.100 fte en in het voortgezet onderwijs vooral bij vakken als de talen, informatica, natuurkunde, scheikunde en rekenen/wiskunde van 1.350 fte.

Leraren zijn de belangrijkste factor voor goed onderwijs. Bij een tekort ontstaat er een bedreiging voor de onderwijskwaliteit.

Onderbetaald

Er is een kloof tussen het salaris van basisschoolleraren en dat van middelbare schoolleraren. Niemand kan deze kloof goed verklaren. Zowel de pabo als de tweedegraadslerarenopleiding zijn hbo bachelorniveau. Beide sectoren hebben ook academisch geschoolde leraren (eerstegraads en academische pabo). Deze kloof is vergroot omdat de basisschoolbesturen zich niet aan afspraken hebben gehouden met betrekking tot de functiemix., in tegenstelling tot middelbare schoolbesturen die zich wél aan de afspraken hebben gehouden. Hierdoor zijn basisschoolleraren onterecht niet in een hogere salarisschaal geplaatst. Bovendien hebben de lerarensalarissen lange tijd op de nullijn gestaan. Vanaf 2017 zijn de eerste stappen gezet met een extra salarisverhoging van 10% voor de basisschoolleraren, maar de kloof is nog niet gedicht.

Overwerkt

Internationaal vergeleken geeft het Nederlands onderwijs veel uren les. We staan in de top 5 van landen met de meeste onderwijstijd. Een basisschoolleraar geeft per jaar 147 uur meer les dan het gemiddelde in OESO-landen. Hierdoor blijft er weinig tijd over voor leraren om bijvoorbeeld samen te werken met het lerarenteam, lessen voor te bereiden en differentiatie toe te passen tussen de leerlingen. Als een leraar dat wel doet, werkt hij of zij daar onbetaald voor over.

Veel les betekent dus niet automatisch beter onderwijs. Het gaat om de kwaliteit van lesuren, niet de kwantiteit. Onderwijs fungeert nu eerder als compensatie voor ondermaatse kinderopvang. Zie hieronder de vergelijking van het aantal lesuren met onze buurlanden en twee top presterende onderwijslanden Finland en Japan.

De werkdruk kent echter meer oorzaken. Er wordt veel gevraagd van leraren. De politiek roept om de zoveel tijd dat het onderwijs moet vernieuwen Of het onderwijs moet een maatschappelijk probleem oplossen zoals overgewicht. Sommige besturen hebben een doorgeslagen verantwoordingscultuur en daarmee een hoge administratiedruk voor de leraren. Ook zijn sommige ouders veeleisend. En door passend onderwijs hebben leraren vaak meerdere kinderen in de klas met extra ondersteuningsbehoeften die extra tijd of bepaalde expertise vereisen.

Leraren willen zelf ook alle kinderen in de klas het onderwijs geven dat ze nodig hebben. Maar als je veel uren lesgeeft in een grote klas én weinig scholingsmogelijkheden hebt, lukt dat simpelweg niet. De spanning tussen al deze vragen en vereisten enerzijds en de beperkte mogelijkheden om eraan te voldoen of te vernieuwen anderzijds levert werkdruk en stress op. Bovendien kent het leraarschap een hoge emotionele belasting. Leraren onderhouden een sterke band met hun leerlingen en zijn begaan met de persoonlijke problemen die automatisch de klas binnenkomen. Ongeveer 1 op de 4 mensen in het onderwijs heeft burn-outklachten. Dat is het hoogste burn-outpercentage in Nederland. Een veel gehoorde uitspraak op de D66 scholenreis was dan ook: “Ik werk vier dagen per week zodat ik vijf dagen kan werken”. Om hun baan volledig uit te kunnen voeren, hebben leraren meer tijd nodig waarbij ze niet voor de klas staan.

Voor de toekomst

Wie de kwaliteit van het onderwijs wil verbeteren moet eerst kijken naar de leraren. Zij maken het onderwijs. Zonder de stevige basis van goede en gelukkige leraren slaagt geen enkele onderwijsambitie. Daarom begint de visie van D66 op onderwijs met de leraar. 
 
Om het lerarentekort terug te dringen zijn diverse maatregelen getroffen. Zo is het salaris verhoogd, is er extra geld voor het verlagen van de werkdruk en is er een halvering van het collegegeld voor 2 jaar aan de pabo. Maar dat is niet genoeg. Om het tekort structureel terug te dringen moet het beroep leraar veranderen naar een volwassen, professionele en vooral mooiste baan die er is.

Richtingwijzer 1:
Naar een eerlijk salaris

Leraren zijn een belangrijk onderdeel van de samenleving. Zij zorgen ervoor dat een dubbeltje wél een kwartje kan worden, dat kinderen zoveel mogelijk leren en hun talenten en persoonlijkheid optimaal ontwikkelen. Leraren leggen bij elke nieuwe generatie de basis voor verdere studie, werk, samenleven en deelname aan de maatschappij.

Kortom, leraren leveren ons per persoon én als samenleving als geheel ongelofelijk veel op. Zij verdienen dus in de eerste plaats een passende waardering. Het verschil tussen het salaris van een leraar in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs is niet uit te leggen. Deze salariskloof moet dicht. Het salaris van basisschoolleraren wordt omhoog bijgesteld naar het niveau van hun collega’s in het voortgezet onderwijs. Lerarensalarissen groeien voortaan mee met de beloning in de marktsector. Hierdoor kunnen alle leraren in het funderend onderwijs in een gezamenlijke cao komen, waar ook de pedagogisch medewerkers onder vallen.

Om de aantrekkelijkheid van het beroep verder te versterken en leraren te behouden voor het onderwijs, komt er een nieuw functiegebouw. Met betere carrièreperspectieven en bijbehorende salarisstappen. Waar professionalisering wordt erkend, benut en beloond. Het nieuwe functiegebouw wordt echter niet opgesteld door de politiek, maar door de leraren zelf, door de beroepsgroep.

Richtingwijzer 2:
Naar minder lesuren

Ook de werkdag van leraren wordt anders. De lestaak van elke leraar in het funderend onderwijs gaat terug naar maximaal 20 lesuren per week. Dit betekent niet dat leerlingen ook korter naar school gaan, maar daar komen we later op terug. Leraren krijgen tijd voor ontwikkeling van hun onderwijs en van henzelf. En ook weer tijd voor die individuele leerling die wat extra nodig heeft. Dat maakt het leraarschap tot de volwassen, professionele en vooral mooiste baan die er is.

Het verlagen van het aantal lesuren verlaagt de tijdsdruk en draagt daarmee bij aan het verlagen van de werkdruk.  Het creëert een betere verdeling op een werkdag tussen lesgeven en andere taken. Dit is slechts één kant van het verhaal achter de werkdruk in het onderwijs. Zoals eerder genoemd, spelen de mate van autonomie en emotionele belasting ook een grote rol. Hier komen we later op terug bij de hervorming van het systeem en de combinatie zorg en onderwijs.

De nieuwe invulling van het leraarschap maakt een fulltimebaan aantrekkelijker. Meer fulltimers zijn goed voor de professionalisering van het beroep. Zij kunnen sneller meer ervaring opdoen, intensiever samenwerken en meer nascholing volgen.

Door het aantal lesuren te verlagen, verhoogt de professionaliteit en het werkplezier van leraren. Daarmee is het een enorme impuls voor de kwaliteit van het onderwijs. Professionalisering kost veel tijd in het onderwijs omdat lesgeven gebaseerd is op gedrag en routines. Het vereist een constante koppeling van nieuwe kennis aan de dagelijkse lespraktijk. De vrijgevallen tijd biedt ruimte aan leraren om in teamverband te werken aan beter onderwijs aan de hand van ervaringen uit de klas. Dit zorgt er ook voor dat het onderwijs responsiever wordt voor verbeteringen en vernieuwingen. Leraren hebben namelijk de tijd om nieuwe vaardigheden aan te leren. Dit komt allemaal ten goede aan de kwaliteit van het onderwijs. De overheid voorziet in lerarenbeurzen die zowel de kosten van de opleiding als de vervanging op school vergoeden. Zo krijgen leraren de ruimte om op de opleiding én op school verder te ontwikkelen.

Net afgestudeerde leraren zijn startbekwaam maar logischerwijs nog geen volleerd docent. Teveel leraren stoppen na een paar jaar les te hebben gegeven. Zij hebben dus extra ondersteuning en voorbereiding nodig en geven dus minder les. Zij staan de eerste twee jaar 16 uur voor de klas en krijgen supervisie van een ervaren leraar die medeverantwoordelijk is en praktijkkennis overdraagt. Het is vergelijkbaar met een traineeship binnen het bedrijfsleven of de coschappen binnen het ziekenhuis.

Richtingwijzer 3:
Naar een professionele beroepsgroep

In crisismomenten ontstaan soms de mooiste initiatieven. Zo ontpopte POinActie zich in razend tempo tot een volwaardige vakbond die een zelfbewuste, professionele en betrokken beroepsgroep vertegenwoordigde. Het lukte om plichtsgetrouwe leraren in actie te laten komen voor het beste onderwijs voor alle kinderen. Beroepsgroepvorming van, voor en door leraren laat waarschijnlijk niet lang op zich wachten. Dat is ook hoognodig.

De zorgsector laat zien het goed is als de beroepsgroep zelf gaat over bijvoorbeeld de opleiding, een register en het nascholingsaanbod. Dat werkt veel beter dan een van boven opgelegde ‘Haagse Blauwdruk’. Het zorgt voor een betere koppeling tussen praktijk enerzijds en opleiding en beleid anderzijds. Leraren weten zelf het beste wat nodig is voor huidige en toekomstige leraren. Zij moeten dus de verantwoordelijkheid en de ruimte krijgen om constant te sturen op verbetering van hun beroep. De beroepsgroep kan leraren ondersteunen bij belangenbehartiging, opleidingskansen en contacten. De vorming van de beroepsgroep moet aan de leraren zelf blijven. De overheid moet de vorming faciliteren met de benodigde middelen.

Op de scholenreis hebben we op de Marnix academie en de Hanze Hogeschool (aanstormende) leraren gesproken die barstens vol goede ideeën zitten om het onderwijs te verbeteren. Zoals voor de verrijkingen van de lerarenopleidingen, tweedegraads vakdocenten in het basisonderwijs en de samenwerking met ouders. We kunnen alle vertrouwen hebben in de beroepsgroep. 

Voorstellen

  1. Dichten van de salariskloof tussen basisschool en middelbare schoolleraren
  2. Een leraar geeft maximaal 20 lesuren per week, zodat er tijd is om te werken aan het vak. -Een beginnende leraar geeft de eerste twee jaar 16 uur per week les
  3. Stimuleren van een beroepsgroepsvorming van leraren. Zij krijgen zeggenschap over het beroep, de opleiding en een nieuw functiegebouw.
  4. 1 cao voor het funderend onderwijs met nieuw functiegebouw gevormd door beroepsgroep
  5. Lerarenopleiding in handen van de beroepsgroep. Zij bepalen de inhoud en leggen de link tussen opleiding en praktijk.
  6. Er zijn toereikende lerarenbeurzen, zodat bij-, na-, en omscholing makkelijker wordt.
Het jonge kind

Onderwijsvisie: Het jonge kind

Obstakels van nu:
Valse start

De eerste jaren van een kind zijn voor een belangrijk deel bepalend voor de verdere ontwikkeling. Kinderen die in deze fase een achterstand oplopen, halen die later vaak nauwelijks meer in. Het ene kind groeit op in een taalrijke en stimulerende omgeving en gaat naar een goede kinderopvang. Het andere kind heeft onrustige eerste jaren, gaat helemaal niet naar de opvang en loopt een achterstand op. 

Op dit moment is er voor deze laatst genoemde groep kinderen vanaf 2,5 jaar 16 uur per week voor- en vroegschoolse educatie. Dat is er voornamelijk op gericht om spelenderwijs taalachterstanden in te halen. Maar eigenlijk is dit al laat en kunnen we de opgelopen achterstanden al moeilijk inhalen voor ze naar school gaan. Bovendien zorgen deze verschillende vormen van opvang ervoor dat kinderen al vanaf de eerste jaren worden gescheiden naar sociaaleconomische kansen. Terwijl het in die jaren juist belangrijk is voor kinderen om samen spelenderwijs op te groeien, omdat kinderen veel van elkaar leren. Op het gebied van taal maar bijvoorbeeld ook sociale regels. Een ander gevolg van deze gescheiden aanpak is dat een basisschool kinderen binnenkrijgt die van vier verschillende soorten opvang komen. Hierdoor kunnen zij lastig samenwerken, een soepele overgang voor ieder kind realiseren en zorgen voor een doorlopende leerlijn. De kwaliteit van de kinderopvang is de laatste jaren toegenomen maar, de gemiddelde educatieve kwaliteit is duidelijk nog te laag. Terwijl de kwaliteit van de kinderopvang van groot belang is voor de ontwikkeling van het kind. 

Spitsuur van het leven
Ouders van jonge kinderen zitten in een stressvolle levensfase door het combineren van zorg, werk en een sociaal leven. Het is het spitsuur van het leven. Hoewel veel jonge ouders gelukkig zijn, geven zij ook aan zich opgejaagd en gestrest te voelen. Op dit moment sluiten opvang en onderwijs onvoldoende aan op het leven van een jong gezin. Kinderen moeten naar verschillende locaties voor opvang of onderwijs. En de openingstijden van opvang zijn doorgaans niet afgestemd op afwijkende en flexibele werktijden. Ouders organiseren zich een slag in de rondte met oppas, grootouders en buren om de gebreken van de voorzieningen op te vullen. 

Versnippering
Niet alleen de kinderen zijn verdeeld, het hele beleid is versnipperd. Kinderopvang wordt vanuit de overheid nu voornamelijk gezien als instrument voor arbeidsparticipatie. Daarom wordt de kinderopvang betaald door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, werkgevers en werkende ouders zelf. Werkende ouders zijn vaak veel geld kwijt aan kinderopvang. Kinderen van ouders zonder werk kunnen niet naar de kinderopvang. Zij krijgen voor- en vroegschoolse educatie. Dat wordt betaald door het ministerie van Onderwijs en de gemeente. De achterliggende argumentatie achter dit verschil, is dat dit wordt gezien als instrument om achterstanden voor de basisschool te voorkomen. De laatste jaren is er meer aandacht voor de ontwikkeling van het jongste kind, maar dit komt uit ministerie van Volksgezondheid. Onderling is er nauwelijks aansluiting in beleid tussen onderwijs, zorg en sociale zaken. Deze versnippering in aanpak, doelstellingen, financiering, verantwoordelijkheid en toezicht zorgt ervoor dat er grote verschillen zijn in de kwaliteit en de toegankelijkheid. Het creëert verschillen tussen verschillende vormen van opvang. Dat is niet in het belang van de ontwikkeling van kinderen. Bovendien werkt dit de segregatie tussen kinderen verder in de hand. 

Op de scholenreis hebben we gezien dat er steeds meer plekken zijn waarbij kinderopvang, scholen en zorg nauw samenwerken. Samen zijn zij gericht op de ontwikkeling van het kind. Denk hierbij aan de brede scholen, vensterscholen en integrale kindcentra. Vanuit één organisatie geven zij, als gemeenschap, aan ieder kind de beste kansen. Door de versnippering van beleid lopen zij continu tegen belemmeringen in wet- en regelgeving aan. Vanuit de overheid zijn deze organisaties nog totaal gescheiden werelden met eigen inspecties. Een kind uit groep 1 mag bijvoorbeeld absoluut niet een dagje terug naar het opvang gedeelte. 85% van de bestuurders geeft aan hier last van te hebben. De overheid zit deze initiatieven op dit moment in de weg. Bovendien starten deze initiatieven vooral in wijken met veel tweeverdieners en weinig achterstandsleerlingen waardoor ook hier een tweedeling is te zien. D66 wil dat de brede school de norm wordt voor alle kinderen en niet langer de uitzondering.

Kinderen worden vanaf 2,5 jaar gesegregeerd naar de sociaaleconomische kansen

Voor de toekomst

Vanaf vier jaar gaan kinderen naar de basisschool. Dat is een vanzelfsprekendheid in Nederland. Wij willen kinderopvang minstens net zo belangrijk en vanzelfsprekend maken als school. Een plek waar alle kinderen kinderen naartoe gaan en er oog is voor hun ontwikkeling. Zodat er een samenleving ontstaat waar mensen met verschillende achtergronden letterlijk met elkaar hebben geknikkerd. Zodat ouders met een gerust hart naar hun werk kunnen gaan en weten dat hun kinderen in goede handen zijn.

Richtingwijzer 1:
Naar kinderopvang voor iedereen

De kinderopvang wordt een publiek bekostigde en algemeen toegankelijke voorziening. Aansluitend op het ouderschapsverlof krijgt elk kind in Nederland gratis opvang. De huidige opvang, voorschoolse educatie en peuterspeelzaal worden samengevoegd tot één voorziening. Zo worden alle kinderen bereikt, groeien ze samen op en leren ze van elkaar. En zo wordt het toegankelijk voor alle ouders.

D66 wil af van het toeslagensysteem. Eerder heeft D66 een voorstel gedaan om dit te realiseren en de kinderopvang een gratis publieke voorziening  te maken. De kinderopvang wordt direct publiek bekostigd. Daarbij hoort dat alle kinderopvangorganisaties maatschappelijk verantwoord ondernemen en zich blijven inzetten om de kwaliteit en de veiligheid van de kinderopvang te verbeteren. Het belang en het welzijn van het kind staan voorop. Zo behouden we de kenmerkende creativiteit, professionaliteit en dienstverlening van deze sector. Maar maken we een einde aan de cowboys en de sprinkhanen op de markt.

Het gratis maken van de kinderopvang vraagt om een flinke investering. Een goede en eerlijke start heeft forse maatschappelijke baten, zowel voor kinderen als voor de samenleving als geheel. Nobelprijswinnaar Heckman heeft aangetoond dat hoe jonger de investering in het kind, des te meer profijt later voor het kind en de samenleving. Het voorkomt toekomstige ineffectieve kosten. Denk hierbij aan kosten in de zorg, sociale voorzieningen, alfabetiseringsprogramma’s, achterstandenbeleid, schooluitval, en verval naar criminaliteit. Maar het zorgt ook voor hogere economische opbrengsten door de beter opgeleide beroepsbevolking. Dit wordt aangeduid met het ‘skill multiplier-effect’: vaardigheden die worden aangeleerd in de periode 0-4 zijn bepalend voor de leerprestaties later. Dit effect is sterker voor kinderen met het risico op achterstanden. Hoe jonger de achterstanden worden aangepakt, des te beter de achterstanden weer worden ingelopen of zelfs ongedaan gemaakt kunnen worden. Voorkomen is en blijft beter, en goedkoper, dan genezen.

Een toegankelijke en kwalitatieve kinderopvang heeft ook een positief effect op werkende moeders. Nederlandse moeders werken internationaal vergeleken weinig uren. 9 op de 10 moeders is op enig moment thuis terwijl de partner werkt. In gezinnen waarvan kinderen naar de opvang gaan, werken moeders meer uren; terwijl er geen samenhang is met de gewerkte uren van de vader. Dit toont aan dat de zorg voor kinderen voor en na school op dit moment nog grotendeels rust op de schouders van de moeders. Zij hebben er profijt van als de opvang beter wordt geregeld. Moeders kunnen meer uren werken, daardoor betere posities krijgen en financiële onafhankelijkheid bereiken. Goed voor de positie van de vrouw én goed voor de samenleving en de economie.

Wij werken toe naar een toekomst waar opvang en onderwijs fysiek op één locatie worden aangeboden met ruime openingstijden. De brede school biedt een aanbod van 0 tot 12-jaar met zowel opvang als onderwijs. Hierdoor is de kinderopvang beter toegespitst op het moderne gezinsleven. Het draagt bij aan een meer ontspannen en plezierig werk- en privé balans voor jonge ouders. Er is bovendien één aanspreekpunt voor ouders. Dat versterkt ook de onderlinge betrokkenheid en samenwerking tussen ouder(s), leraar en pedagogisch medewerker. Voor het kind verzacht het de wisselingen op een dag en in hun schoolloopbaan. Een kind is op één plek, met dezelfde kinderen om zich heen, waar dezelfde regels gelden, en eventueel met hun broertje of zusje in de buurt. Deze rust is in het belang van het kind. Bestaande mooie kinderopvangfaciliteiten kunnen blijven. Wel is het van belang dat er nauwe onderlinge samenwerking ontstaat met de basisschool.

Richtingwijzer 2:
Naar het samenspeelrecht

Zoals genoemd zijn de eerste jaren van een kind zeer bepalend voor de verdere ontwikkeling. Daarom is het van belang dat de kwaliteit van de kinderopvang goed op orde is. Er is aandacht nodig voor de ontwikkeling van het kind. Voor kinderen tot zes jaar voeren we een samenspeelrecht in (voor oudere kinderen een leerrecht, zie daarvoor het hoofdstuk onderwijs en zorg). Dit betekent niet dat kinderen achter een bureautje een kleutertoets aan het maken zijn, maar dat kinderen samen opgroeien in een taalrijke en stimulerende omgeving. Jonge kinderen spelen en zingen samen en luisteren samen naar verhaaltjes en liedjes. Kinderen met taalachterstand krijgen extra ondersteuning.  Tussen de middag krijgen de kinderen een gezonde warme maaltijd.

De opvang voorziet zowel in zorg als ontwikkeling en dit loopt soepel in elkaar over. Leraren gespecialiseerd in het jonge kind en pedagogisch medewerkers werken samen voor de gezonde ontwikkeling en het veilig opgroeien van kinderen (zie Leraren). Dit verhoogt de kwaliteit en het aanzien van de kinderopvang. Onderzoek toont aan dat de kwaliteit van de voorzieningen grotendeels wordt bepaald door de kwaliteit van de professional. Leraren creëren een stimulerende omgeving en vormen het leerplan, waarin jonge kinderen spelenderwijs sociale, motorische en taalvaardigheden ontwikkelen. Door spraak- en taalvaardigheden te bevorderen (zoals woordenschat en klanken), leren kinderen op latere leeftijd makkelijker lezen en schrijven. Samen houden de leraar en de pedagogisch medewerker de ontwikkelbehoefte van het kind in de gaten en bieden maatwerk. Zoals bij de leraren beschreven komen ook de pedagogisch medewerkers in de onderwijs-cao. Pedagogisch medewerkers verdienen een eerlijk salaris in vergelijking met leraren. En ook voor hen geldt dat de beroepsgroep een grote rol dient te spelen bij besluiten over de inhoud van het vak. 

Samenbrengen beleid
De overheid bevordert de samenwerking in wet- en regelgeving en financiering. De overheid ziet toe op de kwaliteit, de gezondheid en veiligheid van de voorzieningen voor het jonge kind. In samenspraak met het veld worden richtlijnen opgesteld voor de ratio begeleider/leraar kind. De onderwijsinspectie en de GGD vormen een gezamenlijke inspectie voor de kinderopvang en de basisschool (zie Systeem). De kinderopvang valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van onderwijs.

Geduld met kinderen
Door de vroege startleeftijd en de kwaliteitsverbeteringen kunnen achterstanden ongedaan worden gemaakt. Jonge kinderen beginnen hierdoor niet langer met een valse start aan de basisschool. Er is een doorlopende ontwikkellijn waardoor het mogelijk wordt om te differentiëren met overgangsleeftijden. We hebben dus geduld met kinderen; ze maken de stap naar het basisonderwijs als ze er klaar voor zijn. Hierdoor wordt de eerste leservaring geen verveling of ‘ik-kan-het-niet-ervaring’, beide destructief voor de leermotivatie van kinderen. Daarnaast zorgt deze persoonlijke benadering ervoor dat de kinderopvang inclusief kan worden en ook kinderen met een handicap  erheen kunnen. Hoe de dag eruitziet als de kinderen aan het basisonderwijs starten, wordt in het volgende hoofdstuk beschreven.

Voorstellen

  1. Kinderopvang als gratis voorziening voor elk kind
  2. Samenspeelrecht voor kinderen van 0-6 jaar. Kinderen met achterstand krijgen extra ondersteuning.
  3. Hoge kwaliteit, veiligheid en gezondheid van opvang
  4. Ruime openingstijden voor de kinderopvang
  5. Naar opvang en basisschool op één locatie
  6. Warme lunch voor de kinderen
  7. Gezamenlijke inspectie op onderwijs en opvang.
  8. Een doorlopende ontwikkellijn waardoor het mogelijk wordt om te differentiëren met overgangsleeftijden
  9. Kinderopvang valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van OCW. De ontwikkeling van het kind staat centraal.
  10. Strengere regels aan maatschappelijk verantwoord ondernemen voor kinderopvangorganisaties
De nieuwe onderwijsvisie van D66

De nieuwe onderwijsvisie van D66

Anke – Docent Anke voor de klas.

Op dit moment wordt je toekomst nog te veel bepaald door wie je ouders zijn, waar je woont of waar je vandaan komt. Daar nemen wij geen genoegen mee. Het is tijd om de tweedeling te slopen. In deze onderwijsvisie, voor het onderwijs van 0 tot 18 jaar, doen wij 44 voorstellen voor het beste onderwijs. Zo ziet het onderwijs eruit als we écht alle kinderen de beste kansen geven om hun talenten te ontwikkelen.

De nieuwe onderwijsvisie in 5 punten

De verschillen tussen kinderen nemen niet af, maar juist toe. Het maakt steeds meer uit waar je bent geboren, wat de opleiding van je ouders is, in welke wijk je woont. Je afkomst mag nooit je toekomst bepalen. Daarom komen wij met een nieuwe onderwijsvisie, gebaseerd op tientallen en tientallen gesprekken met ouders, leerlingen en leraren in het basis- en voortgezet onderwijs. Dít is de toekomst van het onderwijs. Dít is hoe het onderwijs echt gaat zorgen voor gelijke kansen voor ieder kind.

  1. Gratis kinderopvang voor elk kind
  2. De rijke schooldag met warme lunch
  3. Alle kinderen samen naar school
  4. Leraren meer salaris en vertrouwen, minder lesuren
  5. Geld direct naar scholen

Gratis kinderopvang voor elk kind

De kinderopvang voor ieder kind tussen de 0 en 4 jaar wordt gratis. Nu kost het ouders nog veel geld en gaat lang niet ieder kind er naartoe. Maar het is juist heel goed voor de ontwikkeling van een kind. Ze worden er socialer en leren hoe ze moeten samenwerken met andere kinderen. Daarnaast is het goed voor de taalontwikkeling van een kind. Wij zorgen voor vier dagen gratis kinderopvang, zodat jonge kinderen samen spelen en leren. Kinderen met taalachterstanden krijgen direct extra ondersteuning. Zo voorkomen we op het allereerste moment al grote verschillen tussen kinderen.

De rijke schooldag met warme lunch

Sommige kinderen gaan van voetbal, door naar muziekles en dan naar tennis. Andere kinderen zitten na school thuis voor de tv. Hierdoor neemt de ongelijkheid tussen kinderen alleen maar toe. Dat mogen we niet laten gebeuren. Wij kiezen voor een rijke schooldag. Alle kinderen krijgen les, opvang, sport, cultuur, muziek, natuur en huiswerkbegeleiding op hun school. Alle leerlingen krijgen een warme lunch, want op een lege maag kan je geen reken- of taalles volgen. En scholen die leerlingen hebben met een hoger risico op leerachterstanden krijgen extra geld.

Alle kinderen samen naar school

Al door de eindtoets in groep 8 worden kinderen in hokjes geplaatst. Ga je naar het vmbo? De havo? Of vwo? Op zo’n jonge leeftijd heeft een kind nog volop de tijd nodig om zijn of haar talenten te ontwikkelen. Daarom schaffen we de eindtoets in groep 8 af. En kinderen gaan naar gemengde brugklassen tot 14 jaar. Daar volgen leerlingen gemeenschappelijk lessen en pas daarna kiezen ze hun richting. Zo voorkomen we dat kinderen die laat opbloeien op een te laag niveau terechtkomen.

Vanaf 14 jaar volgen kinderen vakken als gym of burgerschap op hetzelfde niveau. En als je minder goed bent in Frans, kan je dat op een lager niveau volgen. Ben je goed in wiskunde, dan volg je dat op een hoger niveau. Zo bepaalt niet jouw slechtste vak het niveau waarop je je diploma behaalt, maar heb je alle ruimte om jouw talent te ontwikkelen. Ook kinderen met een extra zorgvraag, omdat ze een handicap hebben of last van autisme, gaan gewoon naar school. Zo kunnen leerlingen samen leren en opgroeien.

Leraren meer salaris en vertrouwen, minder lesuren

Het is een van de grootste uitdagingen van dit moment: het lerarentekort. En dat is heftig, want de kwaliteit van het onderwijs begint juist bij de leraar. Zij maken het onderwijs. Nu moeten veel leraren veel uren lesgeven (veel meer dan leraren in andere Europese landen!), nakijkwerk doen, lessen voorbereiden, contact onderhouden met ouders, sommige kinderen extra begeleiding geven. Niet voor niets gingen duizenden leraren protesteren.
De werkdruk in het onderwijs is te hoog, het salaris te laag. Wij stellen voor dat leraren maximaal 20 uur per week lesgeven, zodat ze meer tijd hebben om lessen voor te bereiden en zich te verdiepen in hun vak. Bovendien willen we dat de salarissen van leraren op basisscholen worden verhoogd naar de salarissen van leraren op middelbare scholen. Dat is wel zo eerlijk.

Geld direct naar scholen

Al het geld dat scholen nu krijgen, gaat naar schoolbesturen. Van bovenaf beslissen zij waar het geld naartoe gaat: een Digibord, een nieuw schoolplein of een extra conciërge. Wat ons betreft veranderen we dat. Want wie weet het beste waar het geld goed op z’n plek komt? Juist. De leraren en de ouders. Geef het onderwijsgeld direct naar scholen, zo komt het terecht in de klas. Leraren en ouders weten ten slotte veel beter waar het onderwijsgeld aan moet worden besteed: is er een extra gymdocent nodig? Meer klassenassistenten? Of juist nieuwe speeltoestellen? Op deze manier wordt de werkdruk van leraren écht lager.

Voorwoord

Paul van Meenen, Tweede Kamerlid van D66 neemt je mee door de nieuwe onderwijsvisie. Waarom is die geschreven? Waar komen de plannen vandaan? En welke rol had de coronacrisis?

Leraren

  • Richtingwijzer 1: Naar een eerlijk salaris
  • Richtingwijzer 2: Naar minder lesuren
  • Richtingwijzer 3: Naar een professionele beroepsgroep

Het jonge kind

  • Richtingwijzer 1: Naar kinderopvang voor iedereen
  • Richtingwijzer 2: Naar het samenspeelrecht

Basisschool

  • Richtingwijzer 1: Extra geld voor kansen
  • Richtingwijzer 2: Naar de brede brugklas
  • Richtingwijzer 3: Naar de rijke schooldag

Middelbare school

  • Richtingwijzer 1: Naar de brede brugklas
  • Richtingwijzer 2: Van niveaus naar richtingen
  • Richtingwijzer 3: Naar een rijke schooldag
  • Richtingwijzer 4: Naar maatwerk
  • Richtingwijzer 5: Naar toegankelijk vervolgonderwijs

Onderwijs en zorg

  • Richtingwijzer 1: Naar de inclusieve school voor iedereen
  • Richtingwijzer 2: Naar het leerrecht
  • Richtingwijzer 3: Naar een zorgteam per school 

Geld naar school

  • Richtingwijzer 1: Geld naar scholen
  • Richtingwijzer 2: Naar samenwerking in het belang van het kind
  • Richtingwijzer 3: Naar een sterke schoolleider
  • Richtingwijzer 4: Naar de school midden in de samenleving
Voorwoord

Onderwijsvisie: Voorwoord

Het is 15 maart 2020. 
Leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders en alle anderen betrokken bij het onderwijs krijgen te horen dat de scholen dichtgaan. Een besluit dat ik niet had verwacht ooit mee te maken. Kinderen hebben het recht op onderwijs. Zij verdienen goed onderwijs van de beste leraar. En nu gingen de schooldeuren dicht. Voorlopig niet meer de leraar en klasgenoten zien. Terwijl goed onderwijs de nabijheid van de leraar vereist. En kinderen juist zoveel leren van elkáár.

Kansenongelijkheid wordt pijnlijk duidelijk

In de weken daarna wordt de kansenongelijkheid pijnlijk zichtbaar. Leraren werken met man en macht om zo snel mogelijk onderwijs op afstand te realiseren. Maar hiermee kunnen ze niet elke leerling in de klas bereiken. Er zijn kinderen kwijt. Scholen krijgen geen contact met ouders en leerlingen. Juíst die leerlingen voor wie school vaak de fijnste en veiligste plek is, blijken het kwetsbaarst te zijn. Ook kan niet elk kind onderwijs op afstand volgen. Het ontbreekt sommige leerlingen thuis aan een computer, internetverbinding of rustig plekje. Niet alle ouders zijn in staat goed te helpen bij het thuisonderwijs. Deze leerlingen lopen een achterstand op. Terwijl leeftijdsgenootjes direct het afstandsonderwijs kunnen volgen op de iPad. Met ouders die zo goed en zo kwaad als het gaat thuisonderwijs geven. En soms ook een extra lesje geven. Zo kon ik het toch niet laten, als wiskundeleraar, om een paar sommetjes te doen met mijn kleindochter.

Ongelijkheid is niet nieuw

De ongelijkheid die de coronacrisis zichtbaar heeft gemaakt, speelt al langer. Al jaren stagneert de onderwijskwaliteit en neemt de kansenongelijkheid toe. Je afkomst bepaalt teveel je toekomst. Bij gelijk talent hebben leerlingen nu zelfs minder gelijke kansen dan tien jaar geleden. Het opleidingsniveau is steeds vaker erfelijk. Het lerarentekort slaat extra hard toe op scholen met veel leerlingen met achterstanden, waardoor die scholen het nóg moeilijker krijgen. 24% van de 15-jarigen is dusdanig laaggeletterd dat ze niet goed kunnen meekomen in de maatschappij. Er zit zand in de emancipatiemotor die het onderwijs heet. Slecht voor het individu en slecht voor Nederland. Dit raakt niet alleen onze samenleving, maar kennis is ook onze enige grondstof.

Ondanks meer geld

Het verval in het onderwijs vindt plaats ondanks het feit dat er afgelopen jaren fors meer geld naar het onderwijs is gegaan. Extra geld dat hard nodig was en waar D66 zich telkens sterk voor heeft gemaakt. Het komt te vaak niet bij de leraar en de leerling in de klas terecht. Er is een ongezonde overheidsobsessie met systemen, rendementen en gemiddelden die de realiteit van de klas miskent. Het groeiende lerarentekort is te lang genegeerd. Leraren worden onvoldoende vertrouwd om te doen waar ze goed in zijn en staan onder grote werkdruk. En dan moeten wij, als D66, ook de eerste zijn om dit te erkennen en kritisch naar het systeem te kijken. Zodat elk kind in Nederland het beste onderwijs krijgt. En om breed draagvlak voor onderwijsinvesteringen te bouwen. 

Begonnen aan de scholenreis

Daarom zijn wij in september 2019 begonnen met een Scholenreis door heel Nederland. In lerarenkamers, klaslokalen, aula’s en op schoolpleinen zijn we in gesprek gegaan over nieuwe ideeën. Over kansengelijkheid, het leraarschap en hoe het onderwijsgeld de klas bereikt. Vanuit het kind en de leraar. Want het onderwijs verdient een grote ambitie. Om de beste en gelijke kansen te bieden aan ieder kind. Om de leraar weer de eigenaar te maken van haar of zijn eigen vak.

Toen kwam de coronacrisis

Toen kwam de coronacrisis. De crisis biedt een nieuw perspectief om voorbij vastgeroeste patronen en systemen te denken. En kent ook gevolgen, die we willen vasthouden. Zoals de toegenomen waardering voor de leraar. De leraren hebben zich van hun allerbeste kant laten zien. Vanuit hun professionaliteit én hun betrokkenheid bij iedere leerling in de klas hebben ze met een ongekende snelheid alternatief en innovatief onderwijs opgezet. Leraren floreerden in de ruimte en het vertrouwen, dat ze kregen. Aan de andere kant ervaren ouders wat een oneindig geduld, rust en vertrouwen het kost om kinderen te laten leren. 

In de coronacrisis zien we een bevestiging van de noodzaak om nieuwe keuzes te maken voor het beste onderwijs met de beste kansen. Dat begint met een visie op de basis, de kinderen van 0-18 jaar. Zij krijgen wat D66 betreft het recht op een goede ontwikkeling en goed onderwijs, het leerrecht. In een onderwijsbestel dat ieder kind optimaal laat leren. We zien de ontwikkeling van het kind van 0 tot 18 jaar als doorlopend en samenhangend. 

Zes perspectieven

Onze visie voor de toekomst van het funderend onderwijs is opgebouwd vanuit zes perspectieven: de leraar, de kinderopvang, de basisschool, het voortgezet onderwijs, onderwijs en zorg en geld naar scholen.

Breed ontwikkelen en vrij leren

Zo kan een nieuwe generatie zich breed ontwikkelen en vrij leren denken in onderwijs dat is gebaseerd op het bieden van de beste kansen. Waar overgangen beter getimed zijn en minder bepalend. Waar toetsen kinderen verder helpen in plaats van beleidsmakers en bestuurders dienen. Waar de nadruk ligt op leren en geduld met kinderen in plaats van presteren en afrekenen. Waar leraren tijd en ruimte krijgen om hun onderwijs te optimaliseren. Waar academisch geschoolden en vak- en beroepsgeschoolden gelijk worden gewaardeerd. Alleen dan krijgt iedereen in Nederland de kans krijgt zich volledig, gelukkig, en gezond te kunnen ontwikkelen.

Je kan alleen vrij zijn, als iedereen de kans heeft om zich te ontplooien, talent te ontwikkelen en vrij kan deelnemen aan de samenleving. En ons onderwijs is de allerbeste manier om ervoor te zorgen dat iedereen die kansen krijgt. Daarom komen wij met onze visie op het onderwijs. Met hoe het onderwijs er uitziet als we écht alle kinderen de beste kansen willen geven. Wie je ook bent. Waar je ook vandaan komt. Wie je ouders ook zijn.

Paul van Meenen
Tweede Kamerlid D66
Onderwijswoordvoerder

Onderwijs en zorg

Onderwijsvisie: Onderwijs en zorg

Obstakels van nu:
Passend onderwijs

Sinds 2014 hebben we voor leerlingen die in de klas extra ondersteuning of zorg nodig hebben “passend onderwijs”. Te denken valt aan dyslexie, hoogbegaafdheid, ADHD of autisme. Helaas heeft dat systeem niet zijn veelbelovende naam waargemaakt. Er zitten nu bijna 5000 kinderen thuis omdat er geen passende plek op school is. Het afgelopen jaar zijn er 2000 kinderen meer naar speciaal onderwijs doorverwezen. In de wirwar van regels zijn het kind, de ouder en de leraar uit het oog verloren. Rond passend onderwijs duiken regelmatig kafkaëske verhalen op van kinderen die vastlopen in “het systeem”. Zoals het gezin met drie gehandicapte kinderen, waarvan twee met de taxi naar school worden gebracht maar de derde niet mag meerijden en erachteraan moet worden gebracht. Of ouders die aan tafel zitten met 10 hulpverleners zonder dat iemand naar hen luistert en het kind thuiszit. Of Pim die vanaf speciaal onderwijs is gaan stapelen en nu zijn VWO diploma wil halen, maar dat niet mag omdat hij geen Frans of Duits heeft gehad. Zoals D66 al vreesde is met passend onderwijs de oude bureaucratie rond het rugzakje vervangen door nieuwe bureaucratieOndertussen zitten leerlingen, ouders en leraren nog steeds in de knel.

Obstakels van nu:
Kafkaëske samenwerkingsverbanden

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van passend onderwijs is gedecentraliseerd naar een nieuwe bestuurslaag: de regionale samenwerkingsverbanden. Deze samenwerkingsverbanden bestaan uit de gezamenlijke schoolbesturen. Zij mogen grotendeels zelf bepalen hoe ze het samenwerkingsverband inrichten. Hierdoor zijn er grote verschillen tussen de samenwerkingsverbanden. Scholen die leerlingen hebben uit een groter gebied hebben te maken met meerdere samenwerkingsverbanden die verschillende procedures en systemen erop nahouden voor zorgaanvragen. Bovendien werken deze scholen en samenwerkingsverbanden samen met diverse gemeenten met ook weer hun eigen systemen voor  zorg en jeugdzorg. Hierdoor krijg je de vreemde situatie dat er klasgenoten zijn met dezelfde zorgvraag, maar verschillende ondersteuning krijgen omdat ze in verschillende gemeentes wonen. Het beoogde maatwerk is doorgeslagen naar ongewenste kansenongelijkheid. 

In deze ingewikkelde bureaucratische knoop van passend onderwijs is veel afstemming en vergadertijd nodig en is het makkelijk wijzen naar elkaar. Dit gaat ten koste van de aandacht en het geld dat ook besteed had kunnen worden aan ondersteuning van leerlingen. Voor ouders en leraren is de samenwerking in het samenwerkingsverband nauwelijks te volgen. Maar ook de Algemene Rekenkamer stelde dat ze niet inzichtelijk krijgt waar de samenwerkingsverbanden hun geld aan besteden en tot welke resultaten dat leidt. Het intern toezicht bestaat uit belanghebbende schoolbesturen; de slager die het eigen vlees keurt. Er is een gebrek aan toezicht en verantwoording. Gevolg is dat in 2018 de samenwerkingsverbanden gezamenlijk 19 miljoen euro overhielden. In totaal hadden de samenwerkingsverbanden eind 2019 260 miljoen euro op hun spaarrekening. Een merkwaardig hoog bedrag aangezien de samenwerkingsverbanden geen reserve hoeven aan te houden omdat ze weinig risico lopen en geen langlopende verplichtingen aangaan. Bovendien kunnen de gezamenlijke besturen garant staan voor de risico’s. 260 miljoen euro die niet terecht komt in de klas, bij de leraar en de leerling, voor zijn of haar ondersteuning.

In 2017 hielden de samenwerkingsverbanden gezamenlijk 32 miljoen over wat ze toevoegden aan een totale spaarrekening van 260 miljoen.

Obstakels van nu:
Werkdruk

Zoals eerder benoemd in het hoofdstuk over leraren, heeft passend onderwijs gezorgd voor een verhoging van de werkdruk van leraren. Er zijn meer leerlingen in de klas gekomen met een ondersteuningsbehoefte. In een gemiddelde klas zit tenminste één leerling met ADHD die niet lang op zijn stoel kan zitten, één leerling met dyslexie die opdrachten op de laptop maakt en niet hoeft voor te lezen en één leerling met autisme die graag een voorspelbare dagplanning heeft. Voor deze leerlingen moeten de leraren extra zorg aanvragen, verantwoording afleggen en administratie bijhouden. Tegelijkertijd hebben de leraren niet meer expertise, kennis, tijd of handen in de klas erbij gekregen om passend onderwijs goed in de praktijk te brengen. Leraren kunnen deze leerlingen niet altijd de ondersteuning bieden die ze nodig hebben, of het gaat ten koste van de tijd die leraren kunnen besteden aan andere leerlingen in de klas. Zo vertelde een lerares op de scholenreis dat ze een leerling in de klas heeft met gedragsproblemen. Bij een woedeaanval moet zij de leerling tot bedaren brengen. Maar ondertussen breekt ook de paniek uit bij de andere 25 leerlingen, waar niemand dan op kan letten. Dit frustreert enorm en het verhoogt de emotionele belasting en de werkdruk van leraren.

Obstakels van nu:
Leerlingen en ouders in de knel

Kinderen met een complexere ondersteuningsbehoefte, zoals autisme, een chronische ziekte of een lichamelijke handicap, worden regelmatig door een school geweigerd. Scholen zijn door passend onderwijs niet inclusiever geworden. Dit komt enerzijds door een gebrek aan capaciteit op de scholen. Anderzijds is er angst voor het oordeel van de onderwijsinspectie. Want de inspectie kijkt naar resultaten en slagingspercentages, en een leerling met een ondersteuningsbehoefte zou onder gemiddeld kunnen scoren. Hierdoor komen de kinderen thuis te zitten. Bij het voortgezet onderwijs betekent dit dat havo/vwo-leerlingen naar het speciaal onderwijs moeten voor de passende ondersteuning. Daar wordt hen veelal hoogstens vmbo-tl geboden. Het is zeer frustrerend voor deze kinderen dat ze wat ze wél kunnen, niet kunnen doen door hun beperking. Het risico dat deze leerlingen uitvallen is dan ook groot.

In veel samenwerkingsverbanden worden leraren, ouders en leerlingen niet of nauwelijks betrokken bij de besluitvorming. Te vaak wordt er over een leerling gesproken in plaats van met de leerling, de ouders en de leraar. Terwijl daar de kennis zit van wat een kind nodig heeft. Ouders voelen zich niet serieus genomen en worden van het kastje naar de muur gestuurd. Als gevolg daarvan wordt er te laat en ineffectief gehandeld. Problemen worden onnodig groter en daarmee duurder. Dat schaadt leerlingen in hun ontwikkeling en hun kansen.

Obstakels van nu: Medicalisering

Een ander doel van passend onderwijs was om kinderen minder te labelen; ook dat doel is niet gehaald. Door het systeem van monitoren en presteren zet de diagnosedrang bij ouders en de school onverminderd door. Toetsprestaties zijn belangrijker dan het individuele leerproces. Kindgedrag zoals druk zijn, moeite hebben met lang concentreren, planning of lezen en schrijven worden in sommige gevallen te snel weggezet met een label van een psychiatrische aandoeningen. En er wordt snel gegrepen naar medicatie of therapie om kinderen rustig te houden in de klas, beter te laten presteren of om vermeend onderpresteren te rechtvaardigen. Psychiatrische aandoeningen worden opgerekt en het aantal kinderen zonder ‘label’ neemt af. Er is sprake van wat Bloemink “diagnosedrift” noemt. Er wordt te weinig gekeken naar de situatie en het eventueel tekortschieten van ouders en onderwijs. Scholen slaan soms de pedagogische oplossing over en verschuiven de verantwoordelijkheid naar hulpverlening en medische instanties. 

Dit kan zeer negatief uitwerken voor kinderen. Het kan een negatieve leeridentiteit creëren (“ik kan het toch niet”). Het verlaagt bij leraar en leerling de verwachtingen, wat reflecteert in de resultaten en de motivatie. Voor sommige kinderen is een diagnose en professionele hulp juist nodig en is het dé redding. Helaas komen zij door de medicalisering op wachtlijsten en moeten vaak wachten op hulp. Dit is niet in het belang van kinderen en jongeren.

Voor de toekomst
Richtingwijzer 1:
Naar de inclusieve school voor iedereen

Kansengelijkheid gaat ook over kinderen met een beperking of ziekte. Het systeem van het zogenaamde ‘passend onderwijs’ heeft niet daadwerkelijk geleid tot passend onderwijs. D66 wil de weg inslaan naar inclusief onderwijs: elke school en opvang is toegankelijk voor alle kinderen. Niet langer kinderen gescheiden van elkaar laten opgroeien, maar samen spelen en leren. Dit is goed voor de brede ontwikkeling van kinderen én goed voor de samenleving als geheel. 

De vraag van de leerling moet centraal staan, niet het aanbod van de school. Bij elke aanmelding gaan ouders en school in gesprek over hoe ze het kind het beste onderwijs kunnen geven. Niet denken vanuit het systeem maar denken vanuit het kind. De expertise van het speciaal onderwijs wordt behouden en ingezet op alle reguliere scholen. Voor een beperkte groep kinderen met een complexe en zeer specialistische behoefte aan zorg en ondersteuning blijft (zo mogelijk tijdelijk) speciaal onderwijs een mogelijkheid.

Er is nog veel nodig om inclusief onderwijs te realiseren. Zo moeten de scholen over voldoende tijd, ruimte en geld gaan beschikken om ieder kind het beste onderwijs te geven dat bij hem of haar past. Het geld moet daadwerkelijk de klas bereiken in plaats van op de bankrekening blijven staan.  Er moet te allen tijde door de schoolleider en intern begeleider samen met de leraar worden gecheckt wat er nodig is om de kinderen goed onderwijs te geven. Bijvoorbeeld een onderwijsassistent in de klas, kleinere klassen en ondersteuning van experts. Ook hebben veel schoolgebouwen aanpassingen nodig. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het rolstoelvriendelijk maken van het gebouw of het inrichten van een rustruimte. Alleen zo kunnen we de voordelen uit inclusief onderwijs halen met minder leerlingen die noodgedwongen thuiszitten en minder doorverwijzingen naar het speciaal onderwijs. Onderzoek toont aan dat kinderen met een beperking die naar een reguliere school gaan meer, beter en sneller leren. Ze hebben een grotere kans op het vinden van een baan en hebben een rijker sociaal leven. De voorwaarden voor onderwijs dat écht voor iedereen is zijn echter ook in het voordeel van reguliere leerlingen. Zij hebben ook baat bij kleinere klassen, meer persoonlijke aandacht en opgroeien met verschillende kinderen.

Inclusief onderwijs is niet alleen een keuze. Het is ook een recht dat leerlingen hebben op grond van het VN-verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking. Het is hoog tijd dat dit ook de praktijk wordt in het onderwijs.

Passend onderwijs wordt in 2020 volledig geëvalueerd en hoogstwaarschijnlijk herzien. D66 waakt voor een nieuwe blauwdruk uit Den Haag. De herziening van het systeem vraagt om een groot visionair overleg tussen alle betrokkenen; besturen, schoolleiders, leraren, ouders, leerlingen, kinderopvang, gemeenten, (jeugd)zorg en overheid. Alleen zo kunnen we een ambitieus plan maken voor de weg naar inclusief onderwijs en een goede combinatie van onderwijs en zorg. In de jaren ’90 is eerder zo’n overleg gehouden het zogeheten “Schevenings Beraad”. Dit heeft het fundament onder het huidige onderwijs gelegd. Met elkaar moeten we bespreken: welke aanpak heeft zich succesvol bewezen? Wat moeten we veranderen? Hoe moeten partijen samenwerken? En bovenal, hoe gaan we scholen die inclusief zijn of willen worden de wind meegeven in plaats van met regelingen en wetten in de weg zitten? Net als bij de kinderen moet het credo zijn: wat zijn de mogelijkheden, in plaats van wat zijn de beperkingen.

Op scholenreis: klas op wielen

  1. De Klas op Wielen is een fantastisch voorbeeld van een inclusieve school. In een gebouw waar vroeger 3 basisscholen zaten, zit nu een zorginstelling voor kinderen, een kinderopvang en een school. Doodnormaal is het voor die leerlingen dat de ernstig meervoudig beperkte kinderen met een zorgbegeleider in de klas komen; dat ze samen buitenspelen en racen met de rolstoelen of een middagje gaan helpen bij de zorginstelling. Kinderen met en zonder beperking gaan samen naar school en zijn bevriend met elkaar. De kinderen vinden het onbegrijpelijk dat plekken zoals de bioscoop nog rolstoelontoegankelijk zijn; dat gaan zij later echt anders doen. Voor de kinderen met een ernstige meervoudige beperking en hun ouders is het heerlijk om naar een ‘gewone’ school te kunnen gaan. Zo heeft India, die zelf niet kan spreken, pas sinds 4 jaar een spraakcomputer die ze bedient met haar oogbewegingen. Daarvoor kon ze zich niet uitdrukken en wist de omgeving ook niet wat er in haar hoofd omging. Het blijkt dat ze een slim, leergierig en grappig meisje is. Zij kan geen toets maken of voldoen aan verplichte lesuren, maar vindt het heel leuk om de lessen in de klas te volgen en kinderen om zich heen te hebben die zich kunnen uitdrukken. Je kan zien dat het haar voldoening geeft en gelukkig maakt. 

Richtingwijzer 2:
Naar het leerrecht 

Doordat er geen passende plek op school kan worden gevonden, zijn er steeds meer thuiszitters en vrijstellingen van de leerplichtwet. Kinderen komen noodgedwongen thuis te zitten. Er is een toename van kinderen die vallen onder artikel 5a: “het kind is om psychische of lichamelijke redenen niet in staat naar school te gaan”. Het gaat om kinderen die volledig onderwijs niet aankunnen of meer aandacht of uitdaging nodig hebben dan de scholen aanbieden. In het schooljaar 2017-2018 hadden 5576 leerlingen deze vrijsteling. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling. Er is een gedeeld kenmerk van àlle kinderen: ze willen leren, ontdekken en uitproberen. De moeder van India vertelde ons hoe vreselijk het is om als ouder je kind het recht op onderwijs te moeten ontzeggen. Ondertussen zorgt de vrijstelling ervoor dat ook de overheid geen enkele verplichting heeft om een kind een vorm van onderwijs te bieden. De leerplicht is op dit moment een aan/uit knop. Je volgt alles of je volgt niks.

De leerplichtwet stelt vooral de school centraal bij de toelating, het volgen van onderwijs en de doorstroom. Op dit moment belemmert de wet het recht op onderwijs in plaats van dat het beschermt.

Hiernaast moet het leerrecht worden gesteld. Er mag geen enkele barrière worden opgeworpen voor het kind om naar school te gaan. Ook geen financiële barrière. Elke bijdrage die een ouder betaalt aan het onderwijs is op vrijwillige basis. Bij het leerrecht staat het perspectief van het kind centraal in plaats van de mogelijkheden van een school. Kinderen hebben al recht op onderwijs vanuit het VN-kinderrechten verdrag. Maar dit recht is nooit vastgelegd in Nederlandse wetgeving. Het leerrecht maakt flexibele en tijdelijke oplossingen mogelijk met als doel de weg terug naar de klas zo snel mogelijk te vinden. Want kinderen leren van kinderen en iedereen heeft baat bij een uitdagende omgeving. Ook de kinderen die zich niet kunnen uitdrukken. Vanuit het leerrecht volgt de zorgplicht voor scholen en de overheid. Ouders en leerlingen kunnen zich beroepen op het leerrecht. Scholen en gemeenten hebben dan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om onderwijs beschikbaar te maken dat toegankelijk en passend bij de behoeften van het kind is.

Bij het uitgangspunt van leerrecht hoort inherent dat het onderwijs algemeen toegankelijk is voor kinderen. De acceptatieplicht en het leerrecht worden daarom wettelijk verankerd.

Richtingwijzer 3:
Naar een zorgteam per school 

De inclusieve school heeft een breder doel dan de leerlingen de eindtoets te laten halen. De school en de opvang spelen een belangrijke rol in het leven van een kind. Het heeft als doel samen met de ouders het kind veilig, gezond en gelukkig op te laten groeien. Dit is ook essentieel om kinderen optimaal te laten leren en ontwikkelen. De school is een vertrouwde omgeving voor ouder en kind en daardoor vaak de eerste plek waar signalen voor extra behoeften worden opgevangen. De school is dan ook de ideale centrale plek om jeugdhulp en zorg van kinderen te organiseren. Op dit moment wordt er veel op wijkniveau georganiseerd. Hierdoor blijven signalen te lang liggen en heeft de leraar bijvoorbeeld met verschillende wijkteams te maken. Door jeugdhulp op het niveau van de school te organiseren krijgen kinderen sneller hulp en kan erger worden voorkomen. Leraren, ouders en zorgverleners zijn nauwer betrokken en kennen elkaar. Hierdoor ontstaat er vertrouwen en worden bureaucratie en protocollen overbodig.

Uiteindelijk willen we dat elke school een zorgteam ter beschikking heeft. Bij kleinere scholen rouleert het team tussen de scholen. In het zorgteam zit ten minste een schoolpedagoog, een schoolverpleegkundige, een schoolpsycholoog en iemand van jeugdhulp. De teams kunnen naar behoefte worden uitgebreid met expertise zoals bijvoorbeeld met een schooltandarts. Het team houdt gezamenlijke bijeenkomsten waarin de klas besproken wordt met de leraar. Er kunnen ook inloopspreekuren gehouden worden voor leraren en ouders. Vanuit het kind wordt er in zijn geheel bezien wat er nodig is. Het team kan advies geven of interveniëren zonder het kind direct te diagnosticeren. In overleg met de GGZ-sector wordt ingezet op demedicalisering en minder diagnoses.

De zorgteams lijken in eerste instantie een kostbare ingreep. Maar er wordt gigantisch veel gewonnen door vroege signalering van zorgbehoeften en preventie van hogere curatieve kosten in de toekomst. Bovendien is het veel beter voor de ontwikkeling van elk individueel kind. Allereerst moeten de bekostiging van onderwijs, jeugd en zorg beter worden afgestemd en deels ontschot. Alleen zo kunnen we kinderen snel en flexibel zorg bieden op school.

De leraar is geen zorgverlener. Leraren zijn niet verantwoordelijk voor de zorg maar worden handelingsbekwaam gemaakt hoe zij elke leerling passend onderwijs kunnen geven, zo nodig met extra ondersteuning in de klas. Zij kunnen gebruik maken en advies inwinnen van de experts in het zorgteam. Hiermee worden leraren ontzorgd. Het, verlaagt daarmee de werkdruk en de emotionele belasting van het werk.

Voorstellen

  1. Inclusieve scholen waar alle leerlingen samen leren en opgroeien, met de benodigde investeringen.
  2. Leerrecht voor ieder kind, zodat kinderen niet meer geweigerd kunnen worden van scholen en te allen tijde recht hebben op een vorm van onderwijs.
  3. Zorgteam op elke school, zodat er geen onnodige diagnoses zijn en op tijd gehandeld kan worden.
  4. Groot overleg over de toekomst van Passend Onderwijs met alle belanghebbenden.
Geld naar school

Onderwijsvisie: Geld naar school

Obstakels van nu:
Geld naar besturen

D66 wil altijd investeren in beter onderwijs. Het is echter wel van belang dat het geld dan op de goede plek terecht komt; namelijk in de klas, bij de leerling en de leraar. Onderwijsgeld moet niet blijven hangen in bestuurlijke lagen, in onnodig hoge reserves en in bureaucratie die het onderwijs niet beter maken. Maar dat gebeurt op dit moment wel op veel plekken. In 2017 hield het basisonderwijs 204 miljoen euro over, terwijl er een blijvende roep is uit de sector voor extra investeringen. Dat het geld niet in de klas terecht komt is niet alleen slecht voor de kwaliteit het onderwijs, maar ook slecht voor het draagvlak om (extra) onderwijsinvesteringen te doen.

Schoolleiders kunnen formeel niet meebeslissen in het bestuur en hebben soms vrijwel geen invloed meer.

Obstakels van nu:
“De Koepel”

Vanuit de overheid wordt het onderwijs top-down bekostigd. De besturen ontvangen het geld en zij verdelen het geld vervolgens onder de scholen. Om in termen van de tv-serie “De Luizenmoeder” te spreken: het geld wordt overgemaakt aan Pjotr-Jan van de bestuurlijke koepel in plaats van aan meester Anton en juf Ank van de school, de Klimop. Dit is in de loop der jaren zo gegroeid via een steeds verdergaande schaalvergroting en lumpsumbekostiging.

De besturen zijn in sneltreinvaart uitgegroeid tot een dikke laag tussen overheid en scholen. Daarmee zijn besturen machtig geworden. Want wie betaalt, bepaalt. Een veelgehoorde klacht is dat schoolleiders, leraren, ouders en leerlingen de controle over hun school zijn kwijtgeraakt. Een onbekend managementniveau met afstand tot de klas stuurt veel en regelt het verkeerde. Er ontstaat overregulering, bureaucratie, starheid en te veel overhead. Het beperkt de professionele ruimte van de leerkracht en de schoolleider om eigen keuzes te maken, verhoogt de werkdruk, en vermindert de zeggenschap. Over het algemeen zit het bestuur op afstand van de school en maakt vaak andere afwegingen dan leraren of schoolleiders zouden doen. Besturen sturen op bedrijfs­- en beheersmatig beleid. Precies hier ontstaan situaties waarbij leerlingen tussen wal en schip vallen. Scholen kijken naar individuele leerlingen en hoe zij het beste onderwijs kunnen bieden. Maar zij worden in veel gevallen teruggefloten door hun bestuur omdat er juridische risico’s ontstaan of het inspectieoordeel kan worden aangetast. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kinderen met een chronische ziekte die geweerd worden van een school.

Bij deze verplaatsing van macht is onvoldoende tegenmacht meegegroeid: geen ‘checks and balances’. Het bestuur heeft relatief veel macht. Daardoor is zowel de horizontale verantwoording waarbij de school verantwoording aflegt aan leerlingen, ouders,  leraren en de omgeving (zoals vervolgonderwijs, opvang, zorg en maatschappelijke organisaties) als de verticale verantwoording van de school naar de overheid verwaterd. Op school is er geen inzicht in hoe de besluiten door het bestuur op afstand worden genomen en wie ter verantwoording kan worden geroepen. Schoolleiders kunnen formeel niet meebeslissen in het bestuur en hebben soms vrijwel geen invloed meer. Hierdoor verliest ook de medezeggenschapsraad waar leraren en ouders in zitten zijn kracht. Kortom: het bestuur heeft relatief veel macht, en de leraren en de school hebben die steeds minder.  De zeggenschap in het onderwijs is uit balans. Juist een goede horizontale verantwoording is cruciaal om constant de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Verticale verantwoording draagt het risico alleen te kijken naar extern opgelegde targets, beleidsregels en ‘afvinklijstjes’ in plaats van dat er wordt gekeken naar ‘goed onderwijs’.

Vanuit Den Haag is er voornamelijk contact met de landelijke koepelorganisaties van de schoolbesturen, de PO-raad en de VO-raad. Regelmatig zijn er afspraken gemaakt met deze sectorraden over waar het geld van extra overheidsinvesteringen aan besteed zou worden. Deze afspraken zijn echter niet bindend, want de koepelorganisaties hebben geen doorzettingsmacht ten opzichte van de scholen. De raden kunnen hoogstens een intentie uitspreken zonder enige garantie op resultaat. In het boek “De sluipende crisis” beschrijft Rene Kneijber feilloos hoe zulke bovenbestuurlijke “afspraken” telkens opnieuw gedoemd zijn tot mislukken. Er is geen realistische schatting of berekening gemaakt van wat de afspraken en doelstellingen daadwerkelijk kosten.

Bovendien zijn leraren lange tijd niet vertegenwoordigd geweest bij deze afspraken. Hierdoor ontbrak het bij deze afspraken aan draagvlak en bekendheid bij de belangrijkste groep in het onderwijs. Het gevolg is dat afspraak na afspraak niet is nagekomen of gerealiseerd. Dat is voornamelijk niet gebeurd in het basisonderwijs: Leraren zouden in een hogere salarisschaal worden ingedeeld zodat lesgeven beter beloond zou worden, de zogenaamde functiemix (279 miljoen euro). Ook zouden alle basisschoolkinderen minimaal twee uur bewegingsonderwijs krijgen (8 miljoen euro) en scholen zouden jonge leraren aantrekken en behouden (150 miljoen euro). Het is onduidelijk waar het geïnvesteerde geld is gebleven.

Obstakels van nu:
Sparen zonder doel

Vanaf 2013 zijn de spaartegoeden op de bankrekeningen van basisscholen, middelbare scholen en samenwerkingsverbanden substantieel gestegen. Jaarlijks blijken schoolbesturen meer geld over te houden dan ze van tevoren hadden gedacht. Dat geld is bedoeld voor het onderwijs, maar komt niet in de klas terecht. Het gevolg is dat de vermogenspositie van de besturen groeit, zonder dat er een duidelijk doel is voor het opgepotte geld. Dit staat in schril contrast tot de realiteit op scholen waar een voortdurend tekort is aan geld om bijvoorbeeld de werkdruk te verlagen en goede ondersteuning te geven aan leerlingen met leer-, of gedragsproblemen. Met frustratie voor de leraren tot gevolg. En duizenden kinderen krijgen ondermaatse ondersteuning, worden veel te laat geholpen of zitten zelfs thuis. De samenwerkingsverbanden hebben een nog hogere spaarrekening dan scholen, terwijl zij niet eens een reserve aan hoeven te houden. De risico’s en langlopende verplichtingen worden namelijk gedragen door de gezamenlijke schoolbesturen.

Kortom het huidige systeem laat te veel ruimte voor verkeerd gedrag. Hoe ingewikkelder het systeem des te meer publiek geld er wegvloeit naar managers, overleggen, procedures, marktpartijen, reserves, controles en toezicht, en hoe minder geld er echt in de klas terecht komt. En des te ingewikkelder het wordt voor leraren, leerlingen en ouders om invloed uit te oefenen via medezeggenschapsraden. Zeker niet alle besturen doen het slecht, en er zijn ook hele goede schoolbesturen. Maar er is te veel ruimte om keuzes te maken die het onderwijs niet dienen of zelfs ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. Zoals een bestuurder tijdens de Scholenreis het omschreef: “Sommige besturen zetten het organisatiebelang boven het publiek belang van het geven van goed onderwijs aan alle leerlingen. Ze stellen de concurrentiepositie, efficiency en een sterke financiële positie boven het onderwijs. Hier zijn de leerlingen en leraren niet mee geholpen.” 

De eerste stappen naar verbetering zijn in gang gezet. Zo krijgt de medezeggenschapsraad instemmingsrecht op de begroting waardoor bestuurders veel beter moeten gaan verantwoorden waar ze het geld aan willen besteden. Maar dat is nog niet genoeg.

Voor de toekomst

De school gaat meer doen dan alleen lesgeven. De school wordt de belangrijkste plek in de wijk en de samenleving. Een plek voor educatie, zorg, welzijn, ontmoeting en ontspanning. Waar kinderen les krijgen van de beste leraren, samen opgroeien en buitenschoolse activiteiten binnen de school worden gehaald zodat alle kinderen eraan mee kunnen doen. Een school met een sportveld, theater, muziekschool, bibliotheek en een gezonde maaltijd in de kantine.

Om deze ambitie te verwezenlijken moet de school de centrale eenheid worden in het onderwijs in plaats van het bestuur.  

Richtingwijzer 1:
Geld naar scholen

D66 wil het geld direct naar de scholen sturen in plaats van naar besturen. De school is dé herkenbare plek voor overheid, leraren, ouders en leerlingen. Het is dat gebouw in de wijk waar het elke ochtend spitsuur is, geleid door een schoolleider die iedereen kent. De school moet de zeggenschap en verantwoordelijkheid hebben om het beste onderwijs te geven aan ieder kind. Dan komt het geld direct op de plek waar het voor bedoeld is: in de klas waar wordt lesgegeven, bij leerling en leraar.

Het onderwijsgeld gaat direct naar de scholen. Het grote verschil is dat de scholen nu zelf beslissen, in plaats van dat dit van bovenaf door het bestuur wordt opgelegd. Want wie betaalt, bepaalt. De directe bekostiging van scholen betekent niet dat ze alle grote verantwoordelijkheden alleen moeten dragen. Scholen werken met elkaar samen. Zeker voor specialistische voorzieningen waar het duidelijk schaalvoordelen biedt, zoals personeelsbeleid, ICT en huisvesting. De nieuwe samenwerking zou vorm kunnen krijgen in een ‘shared servicemodel’. De schoolleiders vormen dan gezamenlijk het bestuur. Uitgangspunt is dat de zeggenschap en verantwoording op school blijft. Het is dan ook mogelijk voor een school om uit een samenwerking te stappen.

Ruimte en vertrouwen
Scholen krijgen de ruimte en het vertrouwen om hun eigen onderwijs in te richten. Zij hebben de kennis in huis. Ze zien de leerlingen en ouders vrijwel elke dag en vormen een veilige en vertrouwde omgeving. Het beleid en de bekostiging moeten gericht zijn op de school. Hiermee hebben scholen de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van onderwijs.

De scholen krijgen de ruimte om de eigen onderwijstijd in te richten. Natuurlijk met de kwaliteit van het onderwijs voorop en in samenspraak met leraren, leerlingen, ouders en de medezeggenschapsraad. Scholen kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om het onderwijs te spreiden over meer dan de huidige 41 weken. Op de Scholenreis hebben we gezien dat voor sommige kinderen school de fijnste en veiligste plek is om te zijn. Zoals voor kinderen met een onveilige thuissituatie of kinderen in een asielzoekerscentrum. Voor hen is de 6 weken zomervakantie een verschrikking. Dit biedt ook ruimte voor scholen om een eigen invulling te geven aan vakanties en vrije dagen. Op die manier kunnen leerlingen vrij opneembare vakantiedagen krijgen. Zodat iedereen zijn eigen feestdagen kan vieren of een keer op vakantie kan buiten het vakantieseizoen. 

Het werkdrukakkoord

  1. De inspiratie voor het omdraaien van de bekostiging is het succes van de werkdrukmiddelen. Naar aanleiding van POinactie is er 500 miljoen euro structureel extra geïnvesteerd in het verlagen van de werkdruk van leraren. Samen met de leraren, schoolleiders en besturen heeft de minister een werkdrukakkoord gesloten. Het geld is direct uitgekeerd aan de scholen. De leraren in de medezeggenschapsraad hebben instemmingsrecht op dat deel van de begroting. Op elke basisschool zijn lerarenteams met elkaar in overleg gegaan hoe zij op hun school de werkdruk het beste zouden kunnen verlagen. In de jaarverslagen van 2018 is goed terug te vinden wat elke school doet om de werkdruk te verlagen.

Richtingwijzer 2:
Naar samenwerking in het belang van het kind

Scholen werken niet alleen samen met elkaar, maar zeker ook met de opvang, de zorg, de gemeente en het vervolgonderwijs om samen te zorgen voor de rijke schooldag van het kind. Bij deze samenwerking staat het belang van het kind voorop. Vanuit het kind denken in plaats vanuit het systeem. Om dit en de onderlinge samenwerking te bevorderen moeten het beleid, de wetten en het geld van de verschillende beleidsterreinen beter op elkaar worden aangesloten.

Kinderopvang zien we vanuit de ontwikkeling van het kind en komt daarom onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van OCW. Om een doorlopende ontwikkellijn van opvang, basis- en voortgezet onderwijs te realiseren, moeten de huidige schotten tussen opvang en deze twee vormen van onderwijs vervagen. Er komt één wet op het funderend onderwijs, die onnodige scheidingswanden tussen de voorschoolse, basis- en voortgezet onderwijs omverwerpt. De nieuwe wet ziet de ontwikkeling en het onderwijs van het kind tot 18 jaar als een doorlopende en samenhangende lijn. Om onderlinge samenwerking binnen scholen te bevorderen, komen leraren en pedagogisch medewerkers onder dezelfde cao te vallen. De bekostigingen van onderwijs, jeugdhulp en zorg worden beter afgestemd en ontschot. Alleen zo kunnen we kinderen snel en flexibel zorg bieden, wanneer zij dat nodig hebben. 

Richtingwijzer 3:
Naar een sterke schoolleider

Het omdraaien van de bekostiging en het verbreden van de functies van school betekent dat de schoolleider een sterkere, echt leidinggevende rol krijgt. Hij is niet meer slechts een schakel tussen het schoolbestuur en de school. De schoolleider kan niet langer ook de conciërgetaken op zich nemen en een klas overnemen. De verantwoordelijkheden van de schoolleider worden vergroot.

De schoolleider is zowel onderwijskundig als financieel leider. Daarnaast draagt de schoolleider in hoge mate bij aan de kwaliteit en de professionalisering van de leraren. Ook houdt de schoolleider contact met de partijen buiten de school zoals de gemeente, zorg en andere scholen in de regio. Deze combinatie aan specialiteiten vereist een aparte opleiding op masterniveau. Net als bij de leraren hebben ook schoolleiders baat bij beroepsgroepvorming. Hierdoor kan de rol van schoolleiders op schoolniveau, in de sector en landelijk niveau worden versterkt. Deze beroepsgroep kan zelf invulling geven aan de opleiding, kennisdeling bevorderen en belangen behartigen bij de politiek. Schoolleiders zijn goed geschoolde professionals en verdienen dan ook een passend salaris.

De onderwijsinspectie stelt dat de kwaliteit van een school in hoge mate wordt bepaald door de schoolleider. Door de verantwoordelijkheden en vereisten van de schoolleider te verzwaren geven we een impuls aan de onderwijskwaliteit.

Richtingwijzer 4:
Naar de school midden in de samenleving

Een school vormt een gemeenschap en is van de gemeenschap. Ouders krijgen de gelegenheid om betrokken te zijn bij de school. Doordat de zeggenschap op het niveau van de school komt, kan ouderbetrokkenheid een betere invulling krijgen. Niet alleen de 10- minutengesprekjes. De leraar krijgt in de aangepaste werkweek tijd en ruimte om beter contact met ouders te onderhouden, ook met de ouders die niet uit zichzelf aankloppen. Dit is in het belang van de ontwikkeling van het kind.

Bij de verrijkte schooldag mogen ouders meebeslissen hoe de invulling van de dag buiten de klas eruitziet. Welke sport-, cultuur-, muziek- en natuurlessen de kinderen kunnen volgen. Welke uitjes en bezoekjes georganiseerd kunnen worden. Ook de inclusieve school vraagt directe en indirecte ondersteuning van ouders. Ouders van kinderen met een zorgvraag besluiten samen met de leraar welke ondersteuning er nodig is in de klas. De andere leerlingen én ouders leren om te gaan met de verschillen en op welke manier ze elkaar kunnen helpen. Deze nieuwe vorm van ouderbetrokkenheid versterkt het onderling begrip en de sociale veiligheid op de school in het belang van het welzijn van alle kinderen op school.

Bovendien is het geven van het goede voorbeeld in omgang met elkaar de beste manier om een nieuwe generatie kennis en vaardigheden over burgerschap te leren. Op deze manier kunnen kinderen naarmate ze ouder worden zelfstandig betrokken zijn bij hun eigen ontwikkeling en hun omgeving.

Gemeenten
Gemeenten zijn er ook voor hun jongste inwoners. De gemeenten staan dichtbij het onderwijs maar hebben op dit moment nauwelijks bevoegdheden om in te grijpen als ze het fout zien gaan. Zo hebben sommige gemeenten te maken met krimp en zien steden een toenemende segregatie tussen kansarme en kansrijke kinderen. Vanuit kansengelijkheid krijgen gemeenten de gelegenheid om een centrale rol te spelen bij de inschrijving en toelating op scholen. Zo kunnen ze een eerlijke kans voor alle kinderen bevorderen in plaats van het recht van de sterkste.

Nieuwe invulling ouderbetrokkenheid

  1. Er zijn scholen die werken met een buddy-systeem om beter onderling kennis uit te wisselen. Nieuwe ouders worden gekoppeld aan ouders van ouderejaars leerlingen, ouders van zorgleerlingen worden aan elkaar gekoppeld of ouders die de Nederlandse taal nog niet machtig zijn aan taalvaardige ouders. Dit soort nieuwe invullingen van ouderbetrokkenheid bevordert de ontwikkeling van alle kinderen en is een onderlinge ondersteuning voor ouders.

Richtingwijzer 5:
Naar beter toezicht

De scholen krijgen veel vrijheid. Er zijn twee vereisten waaraan moet worden voldaan: een transparante en zinvolle verantwoording, en toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en de uitgaven van het geld. Dit toezicht wordt voornamelijk gedaan door de directbetrokkenen, zoals leraren en ouders. Het is tenslotte hún school. Op dit moment is de verantwoording vaak nog te vaag, en is de medezeggenschap onnodig een tandeloze tijger met een kennisachterstand. Dus deze horizontale verantwoording aan ouders en leraren moet worden versterkt. Want dan kan de medezeggenschapsraad daadwerkelijk meebeslissen over het onderwijs en de effectieve en efficiënte besteding van het geld. Met de komst van het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad op de begroting moet er betere verantwoording worden afgelegd. De medezeggenschapsraad wordt hiermee een kritische partner die gewoon “nee” zegt als de besluitvorming niet goed of niet duidelijk is. Deze bevoegdheid wordt versterkt doordat bij de inspectie een onderwijsrekenkamer wordt ingesteld. Hier kunnen raden van toezicht en medezeggenschapsraden van scholen financiële expertise inwinnen of een onderzoek laten doen naar de school. Op deze manier kan de eerste lijn van verantwoordelijkheid haar taak volledig uitvoeren. Daarnaast gaat de inspectie toezicht houden op de goede inrichting van de horizontale verantwoording en het intern toezicht.

Inspectie
Het functioneren van de onderwijsinspectie kan verder worden verbeterd. Eerder heeft de inspectie al meer ruimte gekregen om de school te beoordelen op het ‘eigen verhaal van de school’ door de wet Bisschop/Van Meenen/Rog. De school wordt veel meer beoordeeld op de doelen die de school zichzelf heeft gesteld, in plaats van een ‘one size fits no one’ toetsingskader. Dit kan verder versterkt worden nu de school, in plaats van het bestuur, verantwoordelijk is voor de onderwijskwaliteit. Om een beter beeld van de onderwijskwaliteit van een school te krijgen, zou de inspectie veel meer gebruik moeten maken van onaangekondigde inspectiebezoeken. Daarnaast moet er meer gekeken worden naar de toegevoegde waarden van het onderwijs voor de leerling in plaats van platte prestatienormen.

Voorstellen

  1. Onderwijsgeld gaat direct naar scholen in plaats van naar bestuurskoepels
  2. De samenwerking tussen scholen wordt bestuurd door de schoolleiders
  3. Scholen krijgen maximale ruimte en vertrouwen om de beste onderwijskwaliteit te bieden
  4. Scholen krijgen vrije invulling van lesuren, vakanties en vrije dagen
  5. Versterken van de medezeggenschap van ouders en leraren 
  6. Er komt een landelijk ondersteuningspunt en een rekenkamer voor medezeggenschapsraden
  7. Eén wet op funderend onderwijs
  8. Opleiding tot schoolleider
De rijke schooldag voor beter onderwijs

De rijke schooldag voor beter onderwijs

De afgelopen jaren zijn in het onderwijs pleisters geplakt. Er is onder andere geïnvesteerd in het verlagen van de werkdruk en het verhogen van de salarissen van leraren. Maar het is niet genoeg. Om het onderwijs echt alle leerlingen de beste kansen op een mooie toekomst te geven, moeten er fundamenteel andere keuzes worden gemaakt. Daarom heeft D66 een nieuwe visie op het basis- en middelbaar onderwijs opgesteld voor leerlingen van 0 tot 18 jaar oud: “Een betere basis, een betere toekomst”. D66 wil onder andere een rijke schooldag met onderwijs, opvang, sport, cultuur, muziek, een warme lunch, natuur en huiswerkbegeleiding op één locatie voor alle leerlingen.

Van Meenen: “Het is nu echt tijd om de tweedeling te slopen. Onderwijs is dé manier om de beste kansen te geven aan iedereen. Het kan niet zo zijn dat je hele levensloop al bepaald is op het moment dat je geboren wordt. De afgelopen jaren zijn pleisters geplakt in het onderwijs. Ook door D66. En die pleisters waren hard nodig. Maar het is niet genoeg. Dat rekenen wij als onderwijspartij ook onszelf aan. Leerlingen zijn steeds minder goed in rekenen en taal. Een kwart van de 15-jarigen is nu zelfs functioneel analfabeet! Daarom moeten er fundamentele keuzes worden gemaakt. Een leraar verdient een beter salaris. Maar een leraar heeft ook meer tijd en ruimte nodig om goed les te kunnen geven. En alle leerlingen krijgen een rijke schooldag met les, opvang, sport, cultuur, muziek, natuur en huiswerkbegeleiding op hun school. Daar hoort ook een warme lunch bij. Daarmee zorgen we ervoor dat iedereen een betere basis heeft voor de beste toekomst. Wie je ouders ook zijn en waar je ook vandaan komt.”
 
Daarnaast wil D66 onder meer dat de leraar weer de baas wordt van het eigen beroep en komt gratis kinderopvang en buitenschoolse opvang voor iedereen. Ook komt er een leerrecht voor alle leerlingen tot 18 jaar. Leerlingen gaan zoveel mogelijk samen naar school en krijgen extra zorg als ze dat nodig hebben.
 

Geduld met kinderen

Sommige kinderen gaan nu naar muziekles en worden door de ouders naar voetbal gebracht en ’s avonds voorgelezen. Andere kinderen krijgen die kansen niet. Kinderen hoeven niet op hun 12e een grote stap te zetten naar de middelbare school, maar gaan bijvoorbeeld naar gemengde brugklassen tot 14 jaar. De leerlingen kunnen vakken volgen op verschillende richtingen met maatwerkdiploma’s, zodat niet je slechtste vak bepaalt wat voor diploma je haalt. Van Meenen: “We willen onderwijs dat de beste kansen biedt op een mooie toekomst. Waar toetsen kinderen verder helpen in plaats van beleidsmakers en bestuurders dienen. Waar de nadruk ligt op leren en geduld met kinderen in plaats van presteren en afrekenen. Waar we kijken wat de talenten zijn van een leerling, in plaats van in welk hokje een leerling past.”

Vrijheid en salaris voor leraren

De kwaliteit van het onderwijs begint bij de leraar. Zij maken het onderwijs. Nu is ondanks de extra investeringen van afgelopen jaren de werkdruk te hoog en het salaris te laag. Wanneer leraren maximaal 20 uur per week zouden lesgeven, hebben zij de tijd om zich te verdiepen in hun vak. De salarissen van leraren worden verhoogd. De leraar wordt weer de baas van zijn eigen les en beroep. En leraren krijgen beurzen, zodat bij-, na- en omscholing makkelijker wordt. Door het vak van leraar aantrekkelijker te maken, dringen we het lerarentekort terug. Van Meenen: “Nederlandse leraren geven omgerekend meer dan 7 weken van 36 uur meer les dan een Finse leraar. Die tijd kan de Nederlandse leraar beter besteden aan het geven van extra aandacht aan leerlingen of aan het voorbereiden van lessen. Geef de leraar meer tijd en vertrouwen. Dat maakt het beroep aantrekkelijker en zorgt voor betere lessen voor leerlingen.”

Zeggenschap en leerling centraal

De talenten van de leerling komen centraal te staan. Ouders en leraren gaan op school meebeslissen waar het onderwijsgeld aan wordt besteed. En het geld gaat direct naar de scholen in plaats van naar de besturen. Zodat het geld terecht komt in de klas, waar het voor bedoeld is. Het leerrecht voor kinderen tot 18 jaar wordt wettelijk vastgelegd. Leerlingen gaan zoveel mogelijk naar inclusieve scholen, waar leerlingen samen leren en opgroeien. Wanneer een leerling extra zorg nodig heeft, dan staat de vraag van de leerling centraal, niet het aanbod van de school. De scholen krijgen zorgteams om de leerlingen te ondersteunen en de leraren te ontzorgen.