Van stikstofplannen naar resultaat: D66 wil zicht op wat werkt

In het landelijk gebied van Zuid-Holland wordt hard gewerkt aan natuur, water, landbouw en het terugdringen van stikstof. Plannen zijn gemaakt en samenwerkingen opgebouwd. Voor D66 breekt nu een nieuwe fase aan in het werken aan een gezondere natuur en het doorbreken van het stikstofslot, namelijk de fase van uitvoeren én controleren of maatregelen het gewenste resultaat opleveren.

Van plannen naar uitvoering

De provincie wil de gebiedsgerichte aanpak de komende jaren voortzetten. De bestaande gebiedsplannen worden daarvoor verder uitgewerkt, waarin projecten worden geconcretiseerd. Ook wordt een monitoringssysteem ontwikkeld om de voortgang op de doelen te volgen.

“Er is de afgelopen jaren veel werk verzet door agrariërs, gemeenten, waterschappen, natuurorganisaties en andere betrokkenen. Nu moeten we de stap zetten van plannen maken naar plannen uitvoeren, zonder de samenhang tussen natuur, stikstof, water en landbouw uit het oog te verliezen,” zegt Laura Neijenhuis, fractievoorzitter van D66 Zuid-Holland.

Ook landelijk komt er meer beweging. Het kabinet trekt meer geld uit voor de stikstofaanpak, onder meer voor natuurherstel en ondersteuning van boeren bij veranderingen in hun bedrijfsvoering. Het doel is helder; de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te maken.

Weten of maatregelen werken

Voor D66 is het belangrijk dat Provinciale Staten niet alleen kunnen zien welke maatregelen zijn uitgevoerd, maar ook wat die maatregelen opleveren. “Als we maatregelen nemen, willen we ook weten of onze doelen dichterbij komen. Waar liggen we op koers, wat is de resterende opgave en waar moeten we bijsturen? Dat inzicht hebben we nodig om goede keuzes te kunnen maken,” aldus Neijenhuis.

D66 wilde dat vastleggen met de motie Van voortgang naar doelbereik. Gedeputeerde Staten hebben tijdens het debat toegezegd het doelbereik nadrukkelijk terug te laten komen in de monitoring en rapportage. “Nu is het zaak om die kansen in Zuid-Holland te verbinden aan wat er in onze gebieden al gebeurt. Uitvoeren, monitoren wat werkt en waar nodig bijsturen: zo komen we verder,” besluit Neijenhuis.