Inbreng Referendum Ringbaan-West

Op de raadsvergadering van maandag 2 februari 2026 sprak de gemeenteraad over het inleidend verzoek tot een referendum over de versmalling van de Ringbaan-West. Hieronder lees je de inbreng van fractievoorzitter Julian Zieleman.

Raad Tilburg - Beeld: Joris van Blerck

Brief van referendumcommissie

Allereerst nogmaals dank aan de commissie en dank aan de ‘werkgroep Leefbaarheid Ringbaan West’ voor hun uitgebreide brief.
 
D66 vindt het spijtig dat de commissie niet conform de Referendumverordening een formeel advies heeft uitgebracht over de toelaatbaarheid van het referendum. Wij hadden gehoopt op een gedegen toetsing van het referendumverzoek aan de verordening, onder andere op basis van vergelijkingen met ervaringen in andere gemeenten, wetenschappelijke literatuur en jurisprudentie. Wij begrijpen ook niet waarom deze toetsing door de commissie niet plaats zou kunnen vinden omdat er een juridisch advies ligt. Helemaal gezien de commissie aangeeft dat de beoordeling geen louter juridische exercitie is.
 
Een verordening is een juridisch document en een juridische toets zou ons inziens altijd onderdeel moeten uitmaken van een onderbouwd antwoord op de vraag of een referendumverzoek aan de verordening voldoet of niet. Het heeft overigens de voorkeur van D66 dat een dergelijk juridisch advies in opdracht van de raad of de commissie wordt aangevraagd. Dit is een punt voor de evaluatie.

Toetsing aan verordening

Nu er geen advies van de commissie ligt, is de raad gehouden om zelf het referendumverzoek te toetsen aan onze eigen verordening op basis van de informatie die voorhanden is. D66 heeft daarbij naar drie aspecten gekeken, die ik nu langsloop.
 
Ten eerste: Het benodigde aantal handtekeningen
Hier kunnen we kort over zijn. Er is voldaan aan de eis om 1300 handtekening op te halen.
 
Ten tweede: De uitzonderingsgronden van artikel 3 van de verordening
In dit artikel staan negen uitzonderingen vermeld, met als inleiding dat er geen referendum kan worden gehouden over een besluit waarop zo’n uitzonderingsgrond van toepassing is. 
 
In 2021, in de evaluatie van het referendumverzoek over Wijkevoort, is verhelderd op welke wijze de uitzonderingen van artikel 3 beoordeeld moeten worden. De conclusie was dat de uitzonderingen imperatief zijn. Wat inhoudt dat een referendum niet georganiseerd wordt als een uitzondering aanwezig is en wél georganiseerd wordt als er géén uitzondering aanwezig is. Destijds was er namelijk onduidelijkheid over deze bepaling, waarna de verordening is verhelderd op dit punt.
 
Nu door de commissie geen formeel advies is uitgebracht over deze uitzonderingsgronden, en de toetsing geen subjectief politiek oordeel zou moeten zijn, kijken we hiervoor naar het juridisch advies van AKD. Samenvattend stelt AKD, onderbouwd met jurisprudentie, dat de uitzondering krachtens artikel 3 onder f van toepassing is, namelijk dat het besluit zijn grondslag vindt in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden.

Ten derde: Het gebruik van het instrument raadgevend referendum
De referendumcommissie is glashelder over de wijze waarop het raadgevend referendum in voorliggend geval wordt gebruikt, nu een raadslid de initiatiefnemer van het referendumverzoek is. De commissie stelt dat dit schuurt met “het karakter” en “de bedoeling” van het referenduminstrument. De commissie stelt, en ik citeer: “Als een raadslid het initiatief neemt, verwordt het raadgevend referendum de facto tot een instrument van politici.” De commissie concludeert daarom, en ik citeer wederom: “de referendumcommissie acht de inzet van het referenduminstrument op deze manier onwenselijk en geeft de raad mee met enige urgentie te bezien hoe deze situatie in de toekomst kan worden voorkomen.”
 
D66 onderschrijft deze analyse en oproep. De raad heeft in 2017 mede om deze reden expliciet besloten om het raadplegend referendum (waarbij het initiatief vanuit de raad komt) uit de referendumverordening te halen en enkel een raadgevend referendum mogelijk te maken (waarbij het initiatief vanuit inwoners komt).
 
In de bijbehorende argumentatie in het raadsvoorstel komt nadrukkelijk naar voren dat het raadgevend referendum een instrument en initiatief is van inwoners en dat de raad een eigenstandige rol heeft in besluitvorming. Er wordt letterlijk gesproken over inwoners die kunnen verzoeken om een referendum wanneer een genomen raadsbesluit hen niet zint en over kiesgerechtigden die een raadgevend referendum kunnen initiëren wanneer zij zich niet goed vertegenwoordigd voelen. Kortom, het gaat hier duidelijk om inwoners die intrinsiek zichzelf mobiliseren in plaats van dat die uit politiek motief gemobiliseerd worden.

Conclusie

D66 is van oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten voor het indienen van een inleidend verzoek, aangezien er een uitzonderingsgrond van toepassing is. Daarnaast wordt naar ons oordeel het raadgevend referendum in strijd met de geest en de bedoeling van de verordening ingezet.