Terugblik Statenvergadering 15 april: Omgevingsvisie en Regionale Energiestrategie: bouwen aan de energie van morgen

De energietransitie vraagt om keuzes die verder reiken dan de huidige bestuursperiode. Tijdens de commissiebehandelingen en de Statenvergadering van 15 april 2026 heeft D66 zich daarom uitgesproken over twee belangrijke dossiers: de Omgevingsvisie en de Regionale Energiestrategie (RES). In beide debatten stond één uitgangspunt centraal: Groningen moet ruimte bieden aan een toekomstbestendig energiesysteem én inwoners moeten daar op een goede manier bij worden betrokken. Dat vraagt om een langetermijnvisie, realistische keuzes en een overheid die niet alleen kaders stelt, maar ook ruimte creëert voor innovatie en lokaal initiatief.

Omgevingsvisie: ruimte voor de energie van morgen

D66 zag verschillende positieve elementen in de nieuwe Omgevingsvisie. Zo sprak de fractie waardering uit voor de aandacht voor veerdiensten en voor de mogelijkheden om, in goede afstemming met gemeenten, meer ruimte te bieden voor woningbouw in het buitengebied.

Tegelijkertijd stelde D66 vast dat twee cruciale thema’s onvoldoende zijn uitgewerkt: economie en energie. Juist deze onderwerpen bepalen hoe Groningen zich de komende 25 jaar ontwikkelt. Hoewel energie als leidend principe wordt genoemd, ontbreekt volgens D66 de noodzakelijke ruimte voor een robuust energiesysteem richting 2050. De eerder door D66 ingediende en aangenomen motie ‘Ruimte voor de energie van morgen’ is volgens de fractie nog onvoldoende terug te zien in de visie.

Ook de windenergiestrategie riep vragen op. D66 wees erop dat windenergie op land als “tijdelijk” wordt omschreven, terwijl windturbines tientallen jaren meegaan en langdurige investeringen vragen. Daarnaast verschuift de focus sterk naar wind op zee, waardoor kansen voor kleinschalige lokale initiatieven uit beeld dreigen te verdwijnen.

De fractie pleitte daarom voor meer ruimte voor dorps- en erfmolens, gebaseerd op heldere voorwaarden zoals lokaal initiatief, aantoonbaar draagvlak en lokaal eigendom. Ook stelde D66 voor om 50 procent lokaal eigendom als streefwaarde te hanteren in plaats van als harde eis, zodat projecten haalbaar blijven en het draagvlak wordt vergroot.

Verder benadrukte D66 dat de energietransitie vraagt om samenhangende energiesystemen, waarin opwek, opslag, transport en gebruik met elkaar verbonden zijn. Vooral op bedrijventerreinen liggen volgens de fractie kansen voor energiehubs die helpen om netcongestie tegen te gaan en lokaal vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen.

Ook vroeg D66 aandacht voor de uitbreiding van de energie-infrastructuur. De provincie moet volgens de fractie voldoende ruimte behouden in de regels voor nieuwe hoog- en middenspanningsstations en daarbij maatwerk mogelijk maken. Starre eisen voor landschappelijke inpassing zorgen voor hogere kosten en vertraging, terwijl een betaalbare en betrouwbare energievoorziening juist vraagt om realistische keuzes.

Rekenkamer rapport over de Regionale Energiestrategie (RES): meer democratie en betere participatie

De Rekenkamer concludeerde dat inwoners op regionaal niveau nauwelijks betrokken zijn geweest bij het RES-proces. Volgens D66 is dat een zorgelijke constatering. De RES is daardoor te veel een product geworden van overheden onderling, terwijl inwoners juist een volwaardige rol moeten krijgen bij keuzes die hun leefomgeving raken.

De fractie herinnerde eraan dat D66 al in 2020 met de aangenomen motie ‘Steek energie in burgerpanels’ opriep om participatie binnen de RES te versterken. Ook richting RES 2.0 zijn eerder aanbevelingen overgenomen om inwoners beter te betrekken. In de praktijk ziet D66 echter nog te weinig terug van deze ambities.

Daarnaast stelde de fractie vast dat ook Provinciale Staten steeds vaker pas achteraf worden geïnformeerd. D66 vindt dat volksvertegenwoordigers juist vooraf betrokken moeten worden bij belangrijke keuzes, zodat zij daadwerkelijk richting kunnen geven aan het beleid.

Om participatie structureel te verbeteren deed D66 verschillende voorstellen. De provincie moet duidelijk vastleggen wie verantwoordelijk is voor participatie, werken met een overkoepelend participatieplan en vaker gebruikmaken van vernieuwende vormen zoals burgerpanels. Daarnaast moeten Provinciale Staten eerder bij grote keuzes worden betrokken en zou het Programma Energie openbaar ter inzage moeten worden gelegd, zodat inwoners en maatschappelijke organisaties actief kunnen meepraten.

Voor D66 staat vast dat de energietransitie alleen kan slagen wanneer technische keuzes hand in hand gaan met democratische betrokkenheid. Niet alleen een betrouwbaar energiesysteem is essentieel, maar ook een overheid die inwoners serieus betrekt en ruimte geeft om mee te denken en mee te doen.