Haal- en brengvoorziening grof huishoudelijk afval

D66 is positief over de voorstellen voor grof huishoudelijk afval. Raadslid Mark ziet dat duurzaamheid, dienstverlening en kosten zorgvuldig zijn afgewogen. D66 steunt het principe ‘duurzaam, niet duurder’ en vraagt om een nadere toelichting op de mogelijkheden voor het vernieuwen van het milieubrengstation.

Een circulaire economie

Voor mijn fractie was de informatie uit de nota helder. Er wordt vervolg gegeven aan het terugdringen van de afvalkilo’s en er wordt ingezet op het vergroten en verbeteren van de verschillende grondstoffenstromen. Daarnaast is er gekeken naar mogelijke aanpassingen in het haal- en brengproces. Daarmee is afgewogen hoe duurzaamheid, dienstverlening en kosten in een goede balans met elkaar zijn. D66 herkent en ondersteunt in de voorstellen van het college de lijn zoals die de afgelopen 10 jaar in het debat over grondstoffen heeft bestaan; duurzaam, niet duurder. 
 
Naast het hanteren van dit principe binnen het grondstoffenbeleid, is met name de laatste jaren te zien dat dit dossier steeds meer onderdeel uitmaakt van een groter geheel. Niet voor niets is er sprake van een circulaire economie; grondstoffen, producten en arbeid zijn telkens in onderlinge samenwerking met elkaar verbonden. Dat maakt het mogelijk om waarde zo lang mogelijk te laten bestaan, voordat iets uiteindelijk afval (en dus een kostenpost) wordt. In de argumentatie bij de voorstellen wordt concreet verwezen naar samenwerkingen met de Kringloop en het WaardeRing netwerk, dat zien wij als een goede ontwikkeling.  

Duurzaam, niet duurder

De argumenten over het niveau van dienstverlening rond grof huishoudelijk en tuinafval gaan uit van hetzelfde principe; duurzaam, niet duurder. Bij het tuinafval is de conclusie dat daar vrijwel geen duurzame winst of kostenbesparingen zijn te realiseren. Daar komt bij dat inwoners aangeven tevreden zijn over de huidige dienstverlening. Voor het grof huishoudelijk afval zijn er zeker verschillende maatregelen uit te voeren. Die variëren van aangepaste openingstijden, rijden zonder kraakperswagen (dus producten blijven beter bruikbaar) en een hogere frequentie van de ophaalservice. Al deze maatregelen brengen echter kosten met zich mee.  
 
Die vraag stelt het college zich ook; hoeveel service is wenselijk en tegen welke kosten? Interessante conclusie is dan dat juist het versoberen van de dienstverlening meer lijkt bij te dragen aan de doelen uit het grondstoffenplan 2025-2030 dan het uitbreiden. Toch wordt tegemoet gekomen aan de geuite wens om wel naar de dienstverlening te kijken. De verschillende opties die worden voorgesteld, koppelen het uitbreiden van service aan het verbeteren van de grondstoffenstromen. In die lijn kunnen wij ons goed in vinden.

Het opnieuw vormgeven
van het milieubrengstation

Dan ons laatste punt: het opnieuw vormgeven van het milieubrengstation. Een inrichting met een gratis lus (dus het wegbrengen van grondstoffen zonder kosten) en betaalde lus (het storten van afval, met kosten voor verwerking) zou veel van de huidige vraagstukken oplossen. Maar er wordt aangegeven dat vanwege stikstofproblematiek er geen nieuwe inrichting kan komen. We snappen dat een verbouwing incidenteel extra uitstoot met zich meebrengt. Daarom vragen wij ons af of er op één of andere manier niet een afweging valt te maken met andere projecten. Omdat een herinrichting juist op structurele basis milieubelasting verlaagt. In de stukken staat geen nadere toelichting, daarom de vraag of de wethouder hier nader op in kan gaan. 

Ik rond af. Wij zien in het voorstel de wil om de dienstverlening onder de loep te nemen, zonder afbreuk te doen aan de doelen uit het grondstoffenplan. Dat levert wat ons betreft een goede balans op tussen planeet en portemonnee; duurzaam, niet duur(der).