Interview Gijs Schumacher: “Ook een democratische partij moet permanent kritisch blijven op de elite”

Door Léa Maartens en Camillus Op Het Veld

Voor het project ‘Het is aan ons’ spreekt de Van Mierlo Stichting met verschillende denkers en doeners over de vraag hoe progressieve politiek leidend te maken en te houden. Hoe formuleer je een verhaal dat niet alleen werkt in een verkiezingscampagne, maar ook op de langere termijn houvast biedt? 

Dit keer spreken we met Gijs Schumacher, hoogleraar politieke psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en mededirecteur van het Hot Politics Lab, een interdisciplinaire onderzoeksgroep. Schumacher doet onderzoek naar emoties in de politiek en naar de manier waarop die emoties beïnvloeden hoe mensen naar politiek kijken en politieke keuzes maken. In het voorjaarsnummer van Idee schreef hij daarover het essay Politiek, omarm de emotie.

Met hem praten we over de vraag waarom feiten alleen niet genoeg zijn, hoe progressieve partijen een sterker emotioneel verhaal kunnen vertellen, en waarom D66 ook na een succesvolle campagne moet blijven bouwen aan een bredere politieke identiteit.

D66 voerde een optimistische campagne met de boodschap: het kan wel. Maar is optimisme genoeg als duurzaam overkoepelend verhaal? En welke rol moeten emoties spelen in zo’n politiek verhaal?
 ‘Veel politici en mensen die vanuit de overheid communiceren, denken: zolang we feiten presenteren, komt het wel goed. Maar zo werkt het niet. Tijdens corona werd dat heel duidelijk. Zelfs wanneer de feiten evident lijken, luisteren mensen niet altijd of reageren ze juist met weerstand. Waarom dat gebeurt, is complex. Het gaat daarom niet om de vraag of emoties een rol spelen, maar hoe.’

Laatst werd in een tv-programma tegen een Kamerlid van D66 gezegd over migratiemaatregelen: ‘het is toch dweilen met de kraan open’. Hoe vind je dat je dan moet reageren, als een journalist zo’n beeld oproept?
‘In Nederland hebben we de afgelopen dertig jaar een interessante verschuiving gezien: het politieke en mediale discours is rechtser geworden. Daardoor moeten partijen zich nu verhouden tot frames als ‘dweilen met de kraan open’. Of je daar op één specifiek moment wel of niet op moet reageren, is lastig te zeggen zonder de hele context te kennen. Maar in bredere zin moet je daar een ander beeld tegenoverzetten.

In de politicologie wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen issue avoidance en issue engagement: ga je in op het onderwerp van je tegenstander, of probeer je het gesprek naar een ander onderwerp te verplaatsen? Voor allebei valt iets te zeggen. Toch is het in een politiek systeem met veel partijen, zoals in Nederland, moeilijk om de discussie volledig naar je eigen terrein te trekken. Daarom denk ik dat je er meestal wel op in moet gaan. Maar dan niet alleen met een feitelijke correctie. Je moet er een eigen verhaal en een eigen beeld tegenover zetten.’

Migratie is al jarenlang een dominant thema in de Nederlandse politiek. Hoe kan een progressieve partij daarmee omgaan?
‘Dat klopt. Tegelijkertijd is dat beeld ook misleidend. Als je mensen open vraagt welke onderwerpen zij belangrijk vinden, noemen ze vaak veel verschillende thema’s. Dan scoort immigratie soms maar een paar procent hoger dan andere onderwerpen. Het thema wordt dus ook groot gemaakt.

Daarbij gebeurt er nog iets anders: migratie wordt steeds vaker verbonden aan andere thema’s, zoals woningbouw, Europa of de verzorgingsstaat. Daardoor wordt het lastiger om het onderwerp los te bespreken.

Daar moet je als partij wel een beeld tegenover zetten. De vraag is alleen wat voor beeld dat moet zijn. In de huidige context is het moeilijk om alleen een heel positief verhaal neer te zetten. Wat wij in focusgroepen vaak terugzien, is dat mensen spreken over machteloosheid en een gebrek aan controle over hun leefomgeving. Ik denk dat je daar serieus iets mee moet doen.

Vertrouwen speelt daarin ook een belangrijke rol. Als je de overheid niet vertrouwt, ervaar je minder controle over je omgeving. Die dingen hangen met elkaar samen: vertrouwen, controle, emoties, identiteit en persoonlijkheid. Ik probeer daarom iets dieper te kijken dan alleen naar politiek vertrouwen als houding. Daaronder zitten allerlei emotionele processen.

Voor een progressief verhaal zou ik dus zoeken naar een manier om mensen weer het gevoel te geven dat zij grip hebben op hun leven en leefomgeving.’

Even een uitstapje naar de Amerikaanse sociaalpsycholoog Jonathan Haidt, die  in zijn ‘moral foundations theory’ stelt dat progressieven en conservatieven vaak andere morele intuïties aanspreken, of dezelfde morele intuïties anders interpreteren. Zo kan het begrip ‘fairness’ voor progressieven vooral gaan over gelijke behandeling, terwijl het voor conservatieven vaker betekent: voor wat hoort wat, of dat iemand iets moet hebben verdiend. Zou een progressief verhaal, bijvoorbeeld over migratie, daarom niet sterker worden als het minder alleen draait om barmhartigheid, maar ook om eerlijkheid, controle en een rechtvaardig systeem?
‘Het idee achter moral foundations theory is dat progressieven vaak een kleinere set morele waarden gebruiken dan conservatieven. Conservatieven spreken bijvoorbeeld ook waarden aan zoals zuiverheid, loyaliteit  en autoriteit, terwijl progressieven dat minder doen. ‘Fairness’ en ‘harm’ zijn interessant, omdat die waarden wel overlappen. Daarmee kun je dus mogelijk een bredere groep aanspreken.

Tegelijkertijd is er ook kritiek op die theorie. De bevindingen zijn niet altijd goed repliceerbaar, zeker niet in Europa. Maar los daarvan vind ik ‘fairness’ wel een sterke term. Je ziet dat idee op meerdere plekken terugkomen. Economen spreken bijvoorbeeld over ‘inequity aversion’: het idee dat mensen sterk reageren op ongelijkheid. Ook in de antropologie komt dat terug, bijvoorbeeld in onderzoek naar hoe kleine gemeenschappen mechanismen ontwikkelen om te voorkomen dat sommige mensen te veel macht of middelen naar zich toetrekken.

Dat raakt ook aan het anti-elitaire element van populisme: een aanklacht tegen elites die te veel macht naar zich toe trekken en te weinig rekening houden met de rest van de samenleving. Daar heeft D66 overigens ook vrolijk aan meegedaan in 1966. Dat thema moet je niet zomaar aan rechts overlaten. Waarom zou je je op dat punt de kaas van het brood laten eten?

Ook een democratische partij moet permanent kritisch blijven op de elite, zelfs wanneer je daar zelf onderdeel van bent. Dat is de kern van democratie: macht moet kunnen wisselen en mag zich niet te veel concentreren bij een kleine groep mensen. Dat mechanisme zie je op allerlei manieren terug. Voor een progressief verhaal ligt daar dus ook een kans: laat zien dat je eerlijkheid, macht en controle serieus neemt.’

Moet er in een progressief verhaal ook een conflict zitten? Het lijkt alsof de elite die de techmiljardairs vormen, met ook nog politieke macht, weinig mensen interesseert. De afgelopen campagne draaide sterk om democraten tegenover antidemocraten.
‘Ik vond dat juist wel een sterke insteek, juist omdat die ook verbonden kan worden aan de macht van techmiljardairs. Dat zijn wel de lui die heel actief bezig zijn om democratie om zeep te helpen, voor hun eigen gewin. Misschien hoeft de vijand niet in Nederland te zijn.

Uiteindelijk interesseert het mensen in Nederland niet of iets links of rechts is. Ze willen vooral een fatsoenlijke regering. Daar valt mee te winnen, juist omdat de afgelopen jaren er op rechts veel troep is gemaakt. Een sterk alternatief kan dus ook zijn: ideologie wat meer loslaten en de campagne op fatsoenlijk, degelijk beleid. Niet problemen voor je uitschuiven of ze nog erger maken, maar laten zien dat je kunt regeren.’ 

Positiviteit werkt überhaupt beter dan negativiteit. Dat lijken we in de huidige politiek soms te vergeten. De meerderheid van de mensen wil meer positiviteit en minder negativiteit.

Gijs Schumacher

In een eerder interview spraken we met het campagneteam van Zohran Mamdani. Zij vertelden dat hij campagne voerde met voorstellen als gratis bussen en kinderopvang. De boodschap daarachter was: de overheid is er voor jou. Ook na zijn verkiezing probeerde hij dat meteen zichtbaar te maken, bijvoorbeeld door gaten in de weg te laten dichten. Zou zo’n boodschap ook voor D66 kunnen werken? 
‘Wat we in Nederland natuurlijk heel weinig doen, is projecten claimen. De meeste mensen volgen het nieuws totaal niet. Hoe komen zij er dan achter wat de regering heeft gedaan? Vaak krijgen mensen vooral een negatief beeld mee, bijvoorbeeld via gesprekken op verjaardagen. Hoe maak je dan op een positieve manier impact op dat beeld? Dat is best lastig.

Daar ligt natuurlijk ook een enorm pijnpunt: er zijn zo weinig mensen die politiek actief zijn. Er vallen ook veel mensen af, vooral vrouwen, omdat het zo enorm toxisch is en er een hoge werkdruk is voor weinig geld. Een goede lokale bestuurder kan echt verschil maken. De vraag is hoe je als partij op lange termijn zorgt dat goede, fatsoenlijke mensen op die posities terechtkomen. Dat is een partij-organisatorische vraag.’

Het lijkt alsof D66 is gestopt met campagnevoeren toen de partij bestuursverantwoordelijkheid ging dragen, terwijl een partij als de VVD juist voortdurend zichtbaar blijft maken wat zij heeft bereikt. 
‘Je moet blijven vertellen: dit hebben we bereikt. Ook partijpolitiek blijven. Bijvoorbeeld dat DigiD niet wordt overgenomen: dat heeft een D66-staatssecretaris geregeld. Daar kun je veel meer uithalen. Dan is het verhaal: D66 beschermt onze soevereiniteit.’

Weer over de rol van emoties: moet D66 de positieve toon van de verkiezingscampagne vasthouden nu de partij bestuurt?
‘Positiviteit werkt überhaupt beter dan negativiteit. Dat lijken we in de huidige politiek soms te vergeten. De meerderheid van de mensen wil meer positiviteit en minder negativiteit. Ook experimenteel onderzoek laat zien dat positieve emoties, of dat nou een glimlach is of een positieve slogan, beter werken dan negatieve emoties. Het effect is iets sterker bij linkse mensen dan bij rechtse mensen.

Natuurlijk moet je dat doortrekken. Als je één onderdeel van een progressieve identiteit zou moeten formuleren, dan zou dat een soort positiviteit moeten zijn. Neem opnieuw het voorbeeld van DigiD. Dat is eigenlijk gewoon een overwinning voor D66, die niet was behaald met de vorige regering. Daarbij zou de fractie een grotere rol kunnen spelen. Een staatssecretaris kan niet altijd partijpolitiek communiceren, maar de fractie kan dat wel.’

Betekent positiviteit dan dat je boosheid of verontwaardiging moet vermijden? Welke emotie moet je laten spreken wanneer het partijkantoor van D66 is aangevallen? 
‘De vraag is welke emoties je inzet, dat zijn niet per sé de emoties die je zelf voelt. Ergens wil je er toch een positief verhaal van maken. Dat dit niet past in Nederland, dit soort geweld. En eigenlijk gaat het nog niet eens alleen om het geweld, maar ook om de reactie erop. Misschien moet je denken: bij welk groter verhaal zou dit moeten passen? Wat past in het langere-termijn, progressieve verhaal?
Er is gezegd: dit past niet binnen de democratie. Maar probeer dan een positief beeld te schetsen van wat een democratie wel zou moeten zijn. Dat er ruimte is voor meningen, maar niet voor geweld. Veel mensen ervaren op dit moment juist een soort gebrek aan controle over extreemrechtse demonstranten. Daar moet je dus ook wat aan gaan doen, of laten zien dat je er wat aan doet. Want ik geloof best dat de politie en de AIVD hier uitgebreid onderzoek naar doen, maar mensen hebben niet het gevoel hebben dat er iets mee gedaan wordt.

Ergens zit daar ook een designfout in. Waarom lopen die protesten uit de hand? Veel gemeenten zijn heel bang om iets te doen. In plaats van het zo transparant mogelijk te maken, maken ze het zo ontransparant mogelijk. Daardoor worden sommige mensen, die anders misschien helemaal niet zo gewelddadig zouden zijn, toch boos. Dan komen daar honderd relschoppers bij en loopt het weer uit de hand.’

In je oratie noemde je dat politieke emoties een ander soort emoties zijn, omdat ze vaak gaan over dingen die jou niet direct overkomen, maar op afstand gebeuren. Moet je daar in politieke communicatie rekening mee houden?
‘Politieke emoties zijn voor mensen moeilijk te classificeren. Ze weten niet altijd goed of ze nou angstig of boos zijn. Bij persoonlijke gebeurtenissen kunnen mensen vaak beter aangeven wat ze voelen. Als mensen opschrijven wat hen recent is overkomen, is redelijk goed te voorspellen welke emoties daarbij horen. 

Bij politiek werkt dat anders. In een onderzoek dat ik heb uitgevoerd vroegen we mensen om iets politieks te beschrijven waar ze sterke emoties bij voelen. Daaruit bleek dat je veel minder goed onderscheid kunt maken tussen angst, boosheid en walging. Wat je vooral kunt onderscheiden, is of mensen iets positief of negatief ervaren. Dat komt onder meer doordat politieke gebeurtenissen vaak verder van mensen afstaan. Daarnaast krijgen mensen via media, politici en partijen ook steeds signalen over wat ze zouden moeten voelen. Daardoor raken emoties sneller gemengd. Daarom heb ik ook niet zoveel aan krantenkoppen als: “angstige burgers stemmen nu weer”. Je moet in politieke communicatie altijd breed oriënteren op positief of negatief, en niet te specifiek op afzonderlijke emoties.’

Welke rol speelt identiteit in politieke emoties?
‘Ik denk dat identiteit hier heel belangrijk is. Identiteit genereert emoties. Hoe iemand reageert op Rob Jetten, hangt bijvoorbeeld af van iemands politieke identiteit. Die identiteit staat niet vast, maar verandert steeds door nieuwe informatie. En je identiteit is ook emotioneel. Je identiteit is een serie positieve en negatieve gevoelens ten opzichte van objecten die bij die groep horen. Dat is voor mij een van de belangrijkste rollen van emotie in de politiek.
Een deel van de kiezers zweeft elke verkiezing tussen partijen als VVD, D66, CDA of Volt. Af en toe beweegt een deel richting radicaal-rechts of radicaal-links. ‘Die variatie komt doordat identiteiten redelijk zwak zijn en de verschillen tussen partijen redelijk klein.

Als je wilt bouwen aan een consistent grotere partij, kun je twee dingen doen. Of je maakt de verschillen groter, maar dat is niet zo makkelijk. Of je zorgt ervoor dat je identiteit sterker wordt. Ik denk dat je daarvoor moet denken aan het klassieke partijwerk. Hoe bouw ik een politieke partij? Dat is in Nederland behoorlijk losgelaten. Dat is best zonde, want ik denk dat daar wel wat te winnen is.’

Als je kijkt naar de Tweede Kamerfractie van D66, zie je vooral theoretisch opgeleide mensen. Mensen van kleur zijn ook in de minderheid. Kan meer representatie helpen om zo’n bredere identiteit te vormen?
‘Iedereen heeft het nu over Rob Jetten. Maar vroeger had je politieke partijen met een groot ledenbestand. Daardoor hadden verschillende groepen invloed binnen de partij, en waren er ook meerdere mensen nationaal bekend. Die hadden zichtbaarheid en vertegenwoordigden bepaalde specifieke groepen.

Eigenlijk heeft D66 nu vooral het VVD-model gekopieerd: één leider, één campagne, één partij. Dat werkte electoraal goed, maar ik denk dat ze bij de volgende verkiezing weer tien zetels hebben. Als je naar een bredere identiteit wil, en dat lijkt mij echt noodzakelijk om op lange termijn impact te maken, moet je op zoek naar manieren om je breder in de maatschappij te verankeren.

De PvdA van veertig jaar geleden, dat was een grote partij, waar verschillende machtscentra naast elkaar konden bestaan. Investeer in een grote ledenpartij. Investeer in maatschappelijke partners bij je partij betrekken. Dan kun je ook specifieker groepen bereiken die je nu niet hebt, maar die misschien best D66 zouden kunnen stemmen. Of die überhaupt eens zouden kunnen gaan stemmen.

En wat jullie eerder noemden: de regiotours en gesprekken buiten de Randstad, dat zijn allemaal momenten om mensen te mobiliseren. Maar daarvoor heb je slagkracht nodig. Mensen die dingen voor je gaan doen. Dat vraagt veel meer investering dan één verkiezingscampagne.’





Léa Maartens studeert sociologie aan VU Amsterdam en is projectmedewerker bij de Van Mierlo Stichting.

Camillus Op het Veld is politiek psycholoog en fellow bij de Van Mierlo Stichting.