Door Léa Maartens en Camillus Op het Veld
Voor het project ‘Het is aan ons’ spreekt de Van Mierlo Stichting met verschillende denkers en doeners over de vraag hoe we het progressieve verhaal kunnen ontwikkelen. Hoe formuleer je een verhaal dat niet alleen werkt in een verkiezingscampagne, maar ook op de langere termijn houvast biedt?
Hanspeter Kriesi is een Zwitserse politicoloog en emeritus-hoogleraar aan het Europees Universitair Instituut in Florence. Hij onderzoekt politieke tegenstellingen, directe democratie en politieke communicatie, en schreef onder meer over hoe migratie en Europese integratie nieuwe politieke tegenstellingen hebben gevormd. We spreken met Kriesi over zijn analyses. Wat moeten we volgens hem dan juist wél doen?
Volgens Kriesi wordt de hedendaagse politiek gevormd door twee grote tegenstellingen, ook wel breuklijnen genoemd. Daarmee bedoelt hij de maatschappelijke scheidslijnen waar politieke partijen zich omheen organiseren en waar kiezers zich in herkennen.
U stelt dat het centrale conflict in de hedendaagse politiek niet populisme is, maar dat daar een diepere, nieuwe breuklijn onder ligt. Wat bedoelt u daarmee?
‘Er zijn twee breuklijnen. Aan de ene kant is er nog steeds de traditionele klassenbreuklijn. Die is vooral economisch van aard. Maar dat is niet meer de enige tegenstelling die de politiek bepaalt: er is een nieuwe breuklijn ontstaan, en deze is vooral cultureel. Je zou die de tegenstelling tussen kosmopolitisme en nationalisme kunnen noemen. Progressieve partijen hebben dit conflict lange tijd genegeerd, waardoor radicaal-populistisch rechts de kans heeft gekregen om zich op deze tegenstelling te richten.
Dit culturele conflict draait vooral om twee kwesties: immigratie en Europese integratie. Het conflict over immigratie gaat minder over economische concurrentie dan vaak wordt gedacht. Anti-immigratiesentiment in westerse landen gaat voor een groot deel over sociale en culturele zorgen. Natuurlijk spelen economische zorgen soms ook een rol, maar die gaan zelden over de persoonlijke economische situatie van mensen zelf. Ze gaan eerder over het idee dat immigratie de samenleving als geheel verandert.
Daarom is immigratie zo’n belangrijk thema geworden. Economische onzekerheid speelt wel mee, maar niet rechtstreeks. Die onzekerheid wordt vooral politiek relevant wanneer zij leidt tot een gevoel van statusverlies. Mensen die tegen verdere immigratie zijn, ervaren vaak dat zij zelf minder meetellen of achteruitgaan. Dat gevoel van wrok wordt vervolgens door radicaal-rechtse partijen gekanaliseerd. Zij wijzen buitenlanders aan als zondebok: mensen die, in de ogen van hun kiezers, ten onrechte profiteren van de verzorgingsstaat of van publieke voorzieningen.
De tweede kwestie is Europese integratie, waaronder vooral grenscontrole, machtsvorming in Brussel en solidariteit tussen landen valt. Voor radicaal-rechts betekent dit sterke grenscontrole: ze willen de buitengrenzen van de Europese Unie versterken om migratie tegen te houden en veiligheid te vergroten. Maar tegelijkertijd willen ze geen sterker centrum in Brussel. Ze zijn dus tegen meer Europese machtsvorming, maar voor Europese grensbewaking. Dat is tot op zekere hoogte tegenstrijdig, maar hun kiezers willen precies dat.’
D66 staat voor onderwijs, Europa, democratische vernieuwing, klimaat en individuele vrijheid. Tegelijkertijd wordt de partij soms gezien als vertegenwoordiger van hoogopgeleide, stedelijke winnaars van globalisering. Hoe kan D66 ook geloofwaardig zijn voor mensen die zich juist onzeker of ongehoord voelen?
‘Dat is een heel moeilijke vraag. Maar je hoeft als partij geen nieuw centraal conflict te formuleren. Je moet omgaan met het conflict dat er al is, en daar antwoorden op vinden.
Voor immigratie heb ik ook geen wonderoplossing, maar je kunt wel een ander perspectief introduceren: demografie. Europa vergrijst en krimpt. We hebben immigratie nodig om onze zorg, bouw en toerisme draaiende te houden. Dat is een argument over efficiëntie: als Europa wil blijven functioneren, hebben we immigratie nodig.
Als progressieve partij moet je daarnaast een argument over legitimiteit maken. Mensen die bescherming nodig hebben, moeten worden geholpen. Maar dat betekent niet dat iedereen automatisch recht heeft om in Nederland te wonen. Er is geen mensenrecht om in Nederland te wonen, maar er is wel een mensenrecht om beschermd te worden als je bescherming nodig hebt. Dat onderscheid moeten progressieven durven maken, ook om te laten zien dat ze grenzen erkennen.
Bij economische onzekerheid blijft herverdeling nodig. Je moet mensen zekerheid geven. Maar herverdeling alleen is niet genoeg. We hebben ook publieke diensten en sociale investeringen nodig die mensen in hun dagelijks leven helpen: kinderopvang, zorg, ouderschapsverlof, huisvesting en onderwijs. Wonen is vandaag een groot probleem; in dat verband is jullie idee van tien nieuwe steden interessant.
Het doel van progressieven moet zijn om breuklijnen te overbruggen. Rechts verdiept vaak tegenstellingen zonder echte oplossingen te bieden. Progressieven zijn succesvol als zij die tegenstellingen overbruggen met hervormingen die mensen concreet helpen. De verzorgingsstaat is daar een goed voorbeeld van.
Daarvoor heb je concrete voorstellen nodig. Neem CO₂-reductie. Je kunt zeggen: nul uitstoot in 2050. Maar daarna moet je laten zien wat dat op korte termijn betekent: wat is het tijdpad, wat kost het, hoe financier je het en wie wordt geraakt? In Frankrijk zag je bij de gele hesjes wat er gebeurt als je onvoldoende nadenkt over compensatie voor mensen die hun auto echt nodig hebben.
Dus mijn punt is: progressieve partijen moeten grote doelen formuleren, maar die ook concreet maken. Ze moeten laten zien wat het betekent, wat het kost, wie geraakt wordt en hoe je mensen compenseert.’
In de campagne van D66 werd ook gesproken over ‘positieve krachten’: optimisme tegenover pessimisme, samenwerken en dingen voor elkaar krijgen. Dat is op zichzelf een sterke campagneboodschap, maar is dat genoeg voor de langere termijn?
‘Ik denk het niet. Het is te abstract. Je moet het concreter maken. Neem bijvoorbeeld ook de campagne boodschap van D66: democraten tegenover antidemocraten. Ik denk niet dat dat erg behulpzaam is. Iedereen ziet zichzelf namelijk als democraat. Zeker populisten. Zij denken juist dat zij de beste democraten van allemaal zijn. Je moet het daarom niet zo formuleren, maar laten zien dat jij de betere democraat bent. Dat jouw manier van democratie bedrijven beter is dan die van je tegenstanders.
Hetzelfde geldt voor ‘positieve krachten’. Optimisme is op zichzelf een sterke campagneboodschap, maar het is niet genoeg als verhaal voor de langere termijn. Je moet laten zien wat het concreet betekent.
Neem klimaatverandering. Veel mensen aan de rechterkant van het politieke spectrum geven daar niet zoveel om. Zij zien klimaat vaak als een linkse hobby. Ze denken: het is niet waar, of het zal in elk geval niet tijdens mijn leven gebeuren. Maar je kunt hetzelfde doel ook op een andere manier uitleggen. Je kunt zeggen: we moeten minder afhankelijk worden van olie. Kijk naar wat er in het Midden-Oosten gebeurt, kijk naar de stijgende energieprijzen. Dan vind je misschien een argument waarmee je hetzelfde doel bereikt, maar dan op een manier die aansluit bij iets waar zij wel om geven.
Voor Kriesi betekent concreet worden niet alleen dat partijen hun boodschap anders moeten formuleren. Het vraagt ook om campagneonderzoek naar de eigen achterban en naar groepen die partijen moeilijker bereiken. Focusgroepen kunnen daarbij volgens hem nuttiger werken dan alleen peilingen of enquêtes. ‘Je moet naar je publiek luisteren en mensen daadwerkelijk opzoeken.
Focusgroepen kunnen echt blootleggen waarom mensen zo denken, waar de publieke woede echt vandaan komt’.
Optimisme is op zichzelf een sterke campagneboodschap, maar het is niet genoeg als verhaal voor de langere termijn. Je moet laten zien wat het concreet betekent.
Hanspeter Kriesi
Rob Jetten ging in de campagne van 2025 op een tour door Nederland, waarbij hij juist naar die plekken ging waar D66 de minste steun heeft.
‘Dat is heel goed. Renzi deed dat in Italië ook, met een bus waarmee hij naar allerlei plekken ging. Dit soort campagnes moeten niet stoppen na de verkiezingen. Je zou tijdens de hele regeerperiode contact moeten blijven houden met mensen, met twee doelen. Ten eerste moet je het publiek informeren over wat vertegenwoordigers doen: wat doen jullie eigenlijk? En ook over de moeilijkheden bij het uitvoeren van beleid. Mensen moeten kunnen zien waarom het soms niet eenvoudig is om een belofte waar te maken.
Ten tweede moet je de publieke opinie gedetailleerd blijven volgen. Niet alleen tijdens de campagne, maar gedurende de hele regeerperiode. Alleen dan begrijp je beter wat mensen bezighoudt en waar hun boosheid vandaan komt.
Daarnaast zijn er ook andere vormen van democratie dan alleen representatieve democratie. Als Zwitser heb ik hier goede ervaringen mee en zou ik aanraden om daar serieus naar te kijken. Het geeft mensen meer zeggenschap over wetgeving.’
Bestaat dan niet het risico dat mensen, zoals bij Brexit, stemmen voor radicale voorstellen waarvan ze de gevolgen niet goed kunnen overzien?
‘Dat risico bestaat, ja. In Zwitserland kunnen we meerdere keren stemmen over hetzelfde onderwerp, met jaren ertussen. Het is nooit het laatste woord. In juni hebben we een stemming over ‘tien miljoen Zwitsers’. Er wonen nu ongeveer 9,1 miljoen mensen in Zwitserland, en de populisten willen vastleggen dat het aantal inwoners nooit boven de tien miljoen mag komen. Dat is natuurlijk absurd, maar daar stemmen we dus over. En het is niet duidelijk hoe dat zal aflopen.
Je neemt dus risico’s. Daar staat tegenover dat je mensen meer mogelijkheden geeft om daadwerkelijk mee te doen aan politieke besluitvorming. Bovendien zijn er voor elke stemming campagnes. Er ontstaan dan landelijke debatten over een concreet onderwerp. Die debatten worden voor een groot deel ook door politieke partijen georganiseerd.’
Kriesi wijst daarnaast op een andere manier om democratische participatie te vernieuwen. Hij verwijst naar Tegen verkiezingen van David Van Reybrouck, waarin loting en burgerberaden worden voorgesteld als aanvulling op, of alternatief voor, de klassieke verkiezingsdemocratie. Het idee is dat een willekeurige groep burgers de tijd en informatie krijgt om zich in een onderwerp te verdiepen, met elkaar te delibereren en tot een voorstel te komen. Zulke vormen zijn volgens Kriesi op verschillende plekken uitgeprobeerd, bijvoorbeeld in Frankrijk met burgerconventies. ‘Onder bepaalde voorwaarden kan zo’n voorstel vervolgens de wet worden. Als je als partij innovatief wilt zijn op het gebied van democratische participatie en democratische rechten, dan zou je hier serieus naar moeten kijken.’
Waarom heeft het klassieke linkse verhaal over de haves en de have-nots minder aantrekkingskracht gekregen? De ongelijkheid is groot, maar partijen als de SP worden kleiner. Hoe verklaart u dat?
’Sociaal-democratische partijen zijn partijen van de middenklasse geworden. De mensen die op hen stemmen, zijn vaak middenklasse kiezers. Een deel van hun vroegere arbeidersachterban is naar radicaal-rechts gegaan, omdat zij ervan overtuigd zijn geraakt dat nationaliteit belangrijker is dan sociale klasse.
Kriesi verbindt die gevoelens van statusverlies aan het werk van Michael Sandel, een Amerikaanse politiek filosoof die in zijn boek De tirannie van verdienste stelt dat moderne samenlevingen te veel zijn geloven dat succes volledig aan eigen talent en inzet te danken is. ‘Als wij dan tegen hen zeggen: wij hebben het gemaakt omdat wij slim zijn, omdat wij slimmer waren dan jullie, dan voegen we eigenlijk belediging toe aan verwonding. Volgens Sandel is dat een voedingsbodem voor populisme. Mensen voelen zich op neergekeken door mensen zoals wij, die het wel hebben gemaakt. En die mensen zoals wij zitten vaak bij progressieve of sociaal-democratische partijen.’
Dat betekent volgens Kriesi niet dat progressieve partijen herverdeling moeten opgeven. Integendeel: materiële ongelijkheid blijft belangrijk. Maar hij waarschuwt dat beleid niet afstandelijk of technocratisch mag worden. Kriesi: ‘De gele hesjes in Frankrijk zijn een duidelijk voorbeeld van de fouten die je kunt maken. Macron is wat mij betreft een van de meest teleurstellende leiders van de afgelopen tijd. Ik had echt hoop voor hem, maar hij is te afstandelijk, te losgezongen van wat gewone mensen denken. Daarom zeg ik steeds: je moet uitzoeken wat mensen echt denken, waar hun woede vandaan komt en hoe je die woede kunt verminderen.’
Dus u zegt eigenlijk dat progressieve mensen, bijvoorbeeld in Nederland, vaak mensen zijn die zelf tot de middenklasse zijn gaan behoren. Ze hebben een goed huis, een goede baan en een goed inkomen. En dan maakt het ze misschien niet zo boos dat iemand anders tien huizen en een superjacht heeft. Dat conflict is voor hen minder belangrijk geworden.
Kriesi ziet dat veel kiezers uit de middenklasse ongelijkheid minder direct ervaren dan mensen aan de onderkant. In Europa is de ongelijkheid bovendien minder extreem dan in de Verenigde Staten. Toch betekent dat volgens hem niet dat de verzorgingsstaat goed genoeg werkt voor iedereen: ‘Er blijven mensen achter. De vraag is waarom de verzorgingsstaat hen niet voldoende bereikt. Meritocratie is waarschijnlijk één verklaring: mensen denken dat ze hun positie verdiend hebben en dat de verzorgingsstaat er vooral is voor de armen.’
Voor een tweede verklaring wijst Kriesi op het werk van Anton Hemerijck, een Nederlandse politicoloog en socioloog die veel schrijft over de verzorgingsstaat, sociale investeringen en Europees sociaal beleid: ‘Misschien moet de verzorgingsstaat daarom worden herijkt. Anton Hemerijck schrijft over sociale investeringen: niet alleen herverdelen, maar ook investeren in huisvesting, onderwijs, gezondheid en publieke diensten. Want de middenklasse heeft genoeg van publieke diensten die niet werken. Mensen weten niet bij welk loket ze moeten zijn, de bussen rijden niet, dagelijkse voorzieningen haperen. De verzorgingsstaat moet niet alleen geld verdelen, maar ook zorgen dat het dagelijks leven beter werkt.’
Kriesi verwijst ook naar Dani Rodrik, een invloedrijke econoom die veel schrijft over globalisering, democratie en industriebeleid: ‘Ik heb onlangs een boek gelezen van Dani Rodrik, Shared Prosperity in a Fractured World. Hij wijst op een ander onderwerp: industriebeleid. Met AI en andere technologische ontwikkelingen moet een partij als die van jullie daarover nadenken. Het belangrijkste doel moet volgens hem zijn: goede banen creëren. Banen die mensen een ladder naar de middenklasse bieden en betekenis geven aan hun leven.
Daarbij moeten we niet alleen naar de maakindustrie kijken. De meeste banen zitten tegenwoordig in de dienstensector. Dus moeten we juist daar zorgen voor betere banen en hogere productiviteit, via organisatorische en technologische innovatie. Neem elektrische auto’s. De staat moet zorgen voor laadinfrastructuur, anders kopen mensen ze niet. Ook dat is een vorm van bouwen, maar dan vanuit industriebeleid.’
In een van uw artikelen schrijft u dat populisme vaak tijdelijk is. In Nederland lijkt de PVV na regeringsdeelname minder sterk, maar je ziet dat centrumrechtse partijen vooral op migratie delen van haar standpunten hebben overgenomen. Betekent dat dat populistische partijen kunnen verdwijnen, maar hun thema’s blijven bestaan en zelfs mainstream worden?
‘Precies dat bedoel ik: migratie is nu het centrale conflict in de samenleving. Aan de ene kant staan mensen die zeggen: er zijn er te veel. Aan de andere kant mensen die zeggen: we moeten menselijk zijn, maar ook efficiënt. Radicaal-rechts kan verdwijnen als centrumrechts haar thema’s overneemt. Dat zag je bij Orbán met Jobbik en bij Boris Johnson met UKIP. Alleen wordt centrumrechts dan steeds populistischer.
Mijn punt gaat nog iets verder. Het populistische karakter, vooral het anti-elitaire element, kan verdwijnen zodra deze nieuwe breuklijn mainstream wordt en geïnstitutionaliseerd raakt. Dat is ook gebeurd met het klassenconflict. Ooit was dat een nieuw conflict, met socialisten en communisten als radicale krachten. Uiteindelijk is dat conflict geïnstitutionaliseerd en hebben we er de verzorgingsstaat op gebouwd. Daarmee werd de tegenstelling tussen de twee kampen deels overbrugd.
Met het nationalistische conflict kan iets vergelijkbaars gebeuren. In Zwitserland hebben we een zeer sterke radicaal-rechtse partij, maar die is inmiddels geïntegreerd in regeringen op allerlei niveaus. De mensen die namens die partij besturen, zijn vaak relatief gematigd en verstandig, al blijft hun immigratiestandpunt natuurlijk de reden waarom ze zo sterk zijn.
Andere partijen moeten dus manieren vinden om dit conflict te verzachten. Probeer de culturele breuklijn te overbruggen. Toon enig begrip voor mensen die op deze partijen stemmen, en bied oplossingen die ver genoeg gaan om hun zorgen serieus te nemen, maar die de samenleving ook pacificeren.’
Léa Maartens studeert sociologie aan VU Amsterdam en is projectmedewerker bij de Van Mierlo Stichting.
Camillus Op het Veld is politiek psycholoog en fellow bij de Van Mierlo Stichting.