Bij ‘gelijkheid’ denken sociaal-liberalen vaak als eerste aan ‘kansengelijkheid’. Maar die interpretatie leidt af van de schade die een toenemende ongelijkheid in uitkomsten aan onze democratie doet. Dat zegt de Amerikaanse filosoof en hoogleraar Elizabeth Anderson. ‘Er moet een limiet komen op hoe rijk mensen kunnen zijn.’
Interview door Suzanne van den Eynden, Lucy van Eck & Redger Barels
Het is nog vroeg in haar thuisstaat Michigan wanneer we Elizabeth
Anderson via een videoverbinding spreken. Achter de filosoof staan
familieportretten op een klassieke schouw. De sfeer is ontspannen,
maar het onderwerp is er niet minder ernstig om. Anderson is
scherp in haar kritiek op de manier waarop er over (on-)gelijkheid wordt gedacht en gesproken.
D66’ers interpreteren ‘gelijkheid’ vaak als ‘kansengelijkheid’. Hoe kijk jij daarnaar?
‘Het idee van ‘kansengelijkheid’ is niet per se fout, maar leidt wel af van een fundamenteler probleem. Stel je de maatschappij voor als een ladder, met de slechtst betaalde banen op de onderste trede, daarboven de gemiddeld betaalde banen en bovenaan de banen met de hoogste salarissen. Het enige wat kansengelijkheid nastreeft, is dat iedereen dezelfde kans heeft om op een specifieke trede op die ladder te belanden. Maar het echte probleem zit hem in de vorm van de ladder. Hoe groot is het verschil tussen de hoogste en de laagste treden? En zijn er veel treden in het midden, of juist een paar hoge treden en een heel groot aantal lage treden met een flink gat daartussen? Dan gaat het niet meer over kansengelijkheid, maar over gelijkheid van uitkomsten. Dat is een veel fundamentelere kwestie.’
Waarom is dat het geval?
‘Als de afstand tussen de hoogste en de laagste trede te groot wordt, kunnen we niet langer spreken van een samenleving van gelijken. Rijke mensen hebben buitenproportioneel veel invloed op de
politiek, waardoor er geen sprake meer is van echte democratie. In veel staten in de Verenigde Staten wordt partijpolitiek feitelijk gerund door één of twee miljardairs. Zij bepalen wie er campagnegeld krijgt en wie zich kandidaat kan stellen voor politieke posities. Superrijken genieten bovendien een bepaalde mate van straffeloosheid. Zij bekleden hoge posities in de samenleving, inclusief bij de overheid en de rechtspraak, en kunnen tot op zekere hoogte ongestraft wetten overtreden. Ze hoeven zich niet te verantwoorden, omdat zij bepalen hoe de samenleving wordt gerund. Ik ben gepromoveerd bij de filosoof John Rawls. Hij is waarschijnlijk de beroemdste voorstander van het idee dat een beetje ongelijkheid niet erg is, maar het gat tussen de hoogste en de laagste trede van de ladder echt kleiner moet. Daartoe moet de laagste trede zo ver mogelijk omhoog gebracht worden. De belangrijkste reden daarvoor is dat we onze democratie van gelijken moeten beschermen.’
Waarom is kansengelijkheid voor veel mensen dan toch zo’n aantrekkelijk concept?
‘Het vooruitzicht dat ze hoger op de maatschappelijke ladder kunnen komen, stemt mensen positief over zichzelf en over hun levensloop. Mensen krijgen zo het gevoel dat zij hun lot in eigen handen hebben. Dat geeft hoop.’ Anderson is even stil en voegt dan toe: ‘Daar is op zich niks mis mee. Sterker nog, het versterkt het gevoel van grip
op het eigen leven. Dat is iets om na te streven. En het tegenovergestelde, kansenongelijkheid, moeten we uiteraard bestrijden. Discriminatie vanwege afkomst, gender of wat dan ook is onacceptabel. Maar kansengelijkheid is voor mij een secundair vraagstuk. Het primaire vraagstuk is de vorm van de ladder, dus de mate van afstand tussen mensen met hoge en lage inkomens.’
Hoe kunnen we de afstand tussen de bovenste en onderste treden van de maatschappelijke ladder verkleinen?
Ooit hoopte ik dat goede regelgeving een einde zou kunnen maken aan de invloed van geld op de politiek. Maar nu, in de 21ste eeuw, is het duidelijk dat er geen geloofwaardige manier is om die invloed te stoppen. Daarom moeten we een limiet stellen aan hoe rijk mensen kunnen zijn. Nederland kent een belangrijke filosoof op dat gebied, Ingrid Robeyns. Door een grens te stellen aan de hoeveelheid rijkdom die een individu mag vergaren, komen de hoogste treden van de ladder automatisch dichter bij de laagste treden te liggen.’
Robeyns is een van de grondleggers van het ‘limitarisme’, een filosofische stroming die pleit voor een bovengrens aan de rijkdom van individuen. Extreme rijkdom is volgens Robeyns moreel
niet te verdedigen omdat al dat geld boven een bepaald niveau maar weinig toevoegt aan het levensgeluk van de bezitter. Terwijl voor anderen datzelfde geld het verschil kan maken tussen wel en geen zeker en gelukkig leven. Ook dragen rijke mensen volgens Robeyns disproportioneel bij aan klimaatverandering, terwijl de armste groepen er het meeste onder zullen lijden, en hebben zij, net zoals Anderson betoogt, een onredelijke invloed op de politiek. Robeyns spitst haar betoog toe op economische ongelijkheid, maar Andersons pleidooi rijkt verder dan economie alleen.
Je pleit in je werk voor democratische gelijkheid. Wat bedoel je hiermee?
‘Ik schets hiermee een ideaalbeeld van de maatschappij, namelijk een vrije maatschappij van gelijken. Mensen beschouwen het in zo’n samenleving als vanzelfsprekend dat zij elkaars gelijken
zijn. Ze kunnen elkaar in de ogen kijken zonder zich daarbij superieur of minderwaardig te voelen. De meeste mensen keuren relaties van onderwerping en onderdrukking af. En wie gezag heeft, legt verantwoording af aan degenen over wie zij dat gezag uitoefenen. Iedereen telt mee in deze maatschappij, in het bijzonder als het gaat om de democratische besluitvorming. Ik zie de democratie bovendien voor me als integraal onderdeel van de cultuur. Iedereen is zich
ervan bewust dat alle mensen het recht hebben om zich te laten horen in het publieke debat en dat ieders belang even zwaar telt in de besluitvorming. Deze democratische cultuur is het fundament waarop de formele democratie – die waarin we elke vier jaar naar de stembus gaan en onze vertegenwoordigers kiezen – gebouwd is. Democratische gelijkheid gaat dan ook voornamelijk over de vraag: hoe verhouden we ons tot elkaar? En niet over de vraag: wie krijgt wat?’
Afwezigheid van onderdrukking speelt een belangrijke rol in jouw denken over gelijkheid. Wat bedoel je met die onderdrukking?
Sommige mensen spreken van ‘onrechtvaardigheid’ als de één geluk heeft en de ander niet. Bijvoorbeeld: iemand die geboren is met een beperking – of, zo je wil, met een bepaalde seksuele geaardheid of huidskleur – kan hier zelf niets aan doen, maar begint wel bij voorbaat met een achterstand aan het leven. Dat is oneerlijk, zo zullen sommigen betogen. Zo iemand verdient compensatie voor deze speling van het lot. Ik ben het daar niet mee eens. De persoon die geboren is met een beperking heeft weliswaar misschien pech
gehad, maar dit is op zichzelf niet oneerlijk of onrechtvaardig. Hoe we deze persoon behandelen als medemens in onze maatschappij is rechtvaardig of onrechtvaardig. Dat is een cruciaal verschil. Het gaat erom wat we doen met deze wereld, hoe we de sociale structuren inrichten. Veel sociale structuren zijn ingericht ten gunste van de één
en ten nadele van de ander. Dat is onderdrukking,
en de strijd voor gelijkheid moet daarover gaan.’
Waar zie je momenteel voorbeelden van onderdrukking?
‘Ik zie vooral een verschuiving in de genderverhoudingen. Het patriarchaat is weer behoorlijk in opmars. In Amerika vindt dit zijn oorsprong in het christelijk nationalisme, dat lange tijd zijn cultureel dominante positie leek te verliezen. Christennationalisten proberen die dominante positie weer te heroveren, door mensen te bewegen om bijvoorbeeld bepaalde schoolboeken in de ban te doen en hun kinderen weg te houden van mensen die homoseksueel of transgender zijn.’
Stel dat we de maatschappij volledig in zouden richten naar het ideaal van democratische gelijkheid. Zou dat ten koste gaan van andere waarden, zoals vrijheid?
‘Ja. Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn nodig in de maatschappij die ik voor ogen heb. Maar zo werken wetten altijd: het ene mogelijk maken door het andere onmogelijk te maken. Een simpel voorbeeld zijn de verkeersregels. Je zou kunnen zeggen dat verkeerslichten ons minder vrij maken, want ze verbieden ons om zelf te bepalen wanneer
we een kruispunt over mogen steken. Daarmee verminderen ze de keuzes en mogelijkheden die wij hebben in het verkeer. Stel dat iemand een apparaatje heeft waarmee hij rode stoplichten groen kan maken. Met zo’n hulpmiddel kan een individu zijn vrijheid behoorlijk vergroten. Maar dat apparaatje zou natuurlijk niet goedkoop zijn, alleen rijke mensen kunnen zich het veroorloven. Alleen zij komen zo sneller op hun werk, de rest van de verkeersdeelnemers moet langer wachten voor stoplichten. Met andere woorden, de vrijheid van de één botst al heel snel met de vrijheid van de ander. Dus: de maatschappij is vrijer en gelijker voor alle verkeersdeelnemers als de verkeersregels hetzelfde zijn voor zowel rijke als arme mensen. Oftewel, de vrijheid om een stoplichtapparaatje te kopen moet worden ingeperkt, maar dat zorgt voor meer vrijheid en gelijkheid voor iedereen. En ja, die dingen bestaan echt!’
Wie moet de democratische gelijkheid gaan bewerkstelligen?
‘Dat moet van onderaf komen. Tegelijkertijd moeten sociale bewegingen scherp blijven op hun eigen gedrag. Hier in de Verenigde Staten hebben we een zeer gepolariseerd en vijandig publiek debat waarin mensen snel een kant kiezen en niet meer zien wat ze verbindt. Op links is de sfeer er een van veroordeling, van met het vingertje wijzen en censureren. Daar schieten we niets mee op.’
Hoe kunnen we democratische gelijkheid dan aantrekkelijk maken?
‘Democratische gelijkheid wordt aantrekkelijker als mensen ervaren hoe prettig het is om met elkaar samen te leven als gelijken. Dan gaan mensen elkaar meer vertrouwen. En we weten dat een samenleving met meer vertrouwen goed is voor het mentale welzijn van burgers. Het is goed voor de welvaart en het helpt om grote maatschappelijke problemen op te lossen. Als we beginnen met werken aan vertrouwen
op lokaal niveau, dan kunnen we dit langzaam uitbreiden. Jongeren kunnen en zullen hierin een voortrekkersrol nemen. Zij zijn flexibeler dan oudere generaties. Ze staan open voor nieuwe ideeën en zijn niet – of minder – bang voor sociale veranderingen. Zij zien niet in waarom hun ouders of grootouders bang waren voor bepaalde veranderingen in de maatschappij; sterker nog, zij zetten zich af van hun ouders en grootouders om dergelijke veranderingen teweeg te brengen. Zo zullen jongeren de motor zijn van maatschappelijke vooruitgang.’
Het moet dus een breed gedragen maatschappelijke beweging zijn. Maar wat zouden progressieve politici ondertussen kunnen doen?
‘Voor een deel is democratische gelijkheid een politieke aangelegenheid, met name als het gaat om herverdeling. En daarin kan de overheid veel betekenen, zoals het doorvoeren van goede mededingingswetgeving zodat bedrijven geen onevenredig hoge prijzen kunnen vragen, en het aan banden leggen van grote techbedrijven. Ook moeten we vermogen echt zwaarder gaan belasten. Het belangrijkste is dat de afstand tussen de hoogste en
de laagste treden van de maatschappelijke ladder kleiner wordt, in het belang van onze democratie. We moeten werken aan een samenleving waarin we elkaar als gelijken in de ogen kunnen kijken.
Het is de enige manier om onze democratie te beschermen en de gelijkwaardigheid van individuen te garanderen.’
Elisabeth Anderson is hoogleraar filosofie en vrouwen- en genderstudies aan University of Michigan. Zij doet onder meer
onderzoek naar democratische theorie, gelijkheid,
integratie en arbeidsfilosofie. Ze schreef verschillende boeken,
waaronder Value in Ethics and Economics (Harvard University press, 1995) en Hijacked: How neoliberalism turned the work ethics against workers and how workers can take it back (Cambridge University Press, 2023)
Van ‘kansengelijkheid’ naar een samenleving van gelijken
Beeld: Anderson
Suzanne van den Eynden was hoofdredacteur van Idee. Lucy van
Eck en Redger Barels waren stagiair bij de Van Mierlo Stichting