Interview Catherine de Vries: ‘Er is een lijn  te trekken tussen de oprichting van D66 en de monsterzege van de PVV’

Het politieke landschap ziet er na de overwinning van de PVV totaal anders uit – maar hoe is dat zo gekomen? En wat betekent dat voor de campagne-strategieën van politieke partijen? Idee zocht het uit.

Door Daniël Schut

Catherine de Vries is hoogleraar politicologie aan de Bocconi Universiteit in Milaan, Italië.

De van oorsprong Nederlandse politicologe Catherine de Vries schreef samen met de Deense politicologe Sara Hobolt hét boek over hoe politieke partijen strategisch denken en doen: Political Entrepreneurs: The Rise of Challenger Parties in Europe (Princeton University Press, 2020). Dat maakt haar bij uitstek dé expert om antwoorden te verkennen op de vragen waar veel sociaal-liberalen mee zitten na de daverende verkiezingswinst van de PVV en het – schijnbaar ermee corresponderende – verlies van D66. Wat verklaart die ‘ruk naar rechts’ – en welke manoeuvreerruimte hebben progressieve partijen nog? Idee sprak haar via Zoom en vroeg als eerste…
 
Was je verbaasd over de verkiezingsuitslag van 22 november 2023?
‘Eigenlijk niet zo: dat er op de rechterflank een verschuiving zou plaatsvinden van de bekende rechtse partijen naar wat ik dan noem de ‘politieke ondernemers’, zoals NSC, BBB en PVV, dat zag ik wel aankomen. Maar dat het dan vooral Wilders was die van die beweging zou profiteren, dat verbaasde me ergens wel: bij de Provinciale Statenverkiezingen daarvoor lag het momentum juist bij BBB. Dat het dan nu de PVV was die zo plotseling zo’n groot, laten we zeggen, ‘marktaandeel’ verovert, dat had ik ook niet verwacht.’

‘Dankzij ontzuiling moeten politieke partijen pro-actiever concurreren om de kiezer’

Je gebruikt termen als ‘marktaandeel’ en ‘ondernemers’. In Political Entepreneurs gebruiken jullie die uit het marktdenken afkomstige termen om te beschrijven hoe politici concurreren om de kiezersgunst – kun je kort toelichten waar deze denkwijze vandaan komt en waarom het ‘werkt’?

 ‘Wat we eigenlijk proberen te zeggen is dat de oude manier van naar de verhouding tussen politieke partijen en kiezers kijken, niet meer werkt. Die oude manier veronderstelt dat er een soort ideologische of op identiteit gebaseerde banden tussen partij, ideologie en kiezers zijn. In Nederland herkennen we dat bijvoorbeeld in de verzuiling: vanaf de Pacificatie van 1917 was het meestal een gegeven dat een arbeider PvdA stemde, de oude liberalen VVD, een katholiek KVP en een protestant ARP – de twee voorlopers van het CDA. Vanaf de jaren zestig raakt Nederland langzamerhand ontzuild – dat ontzuilen is trouwens niet vanzelf gebeurd: een partij als D66 heeft daar een grote rol in gespeeld. Dankzij ontzuiling moeten politieke partijen pro-actiever concurreren om de kiezer.
 
Maar het denken óver die concurrentie tussen politieke partijen bleef ook vaak hangen in een verzuilde bril: de kiezer ‘is links’ of ‘verrechtst’. Door concepten en terminologie te ontlenen aan het denken over markten konden Sara Hobolt en ik accurater verklaren waar nieuwe partijen vandaan kwamen, we konden ook beter analyseren wat de gevestigde partijen deden om hun ‘kartel’-positie te beschermen, en we konden precies zien wat de nieuwe partijen deden om dat gevestigde ‘kartel’ te doorbreken…’

‘Het partijkartel’, die retoriek heb ik eerder gehoord bij Thierry Baudet!
(Lacht) ‘Nou, het zal je verbazen: het was D66 die als één van de eersten dit soort anti-establishment-retoriek toepaste in Nederland. Als ik nu uitspraken van Van Mierlo over het opblazen van het bestel voorleg aan mijn studenten, dan zeggen ze keer op keer: ‘dat moet wel een populistische, rechtse partij zijn, zoals FvD of PVV’. Maar niets is minder waar – en het laat ook zien dat een populistische partij niet per se rechts hoeft te zijn, maar ook links kan zijn: zoals de SP of GroenLinks in de jaren tachtig. En het laat zien dat een anti-establishment-partij dus ook niet automatisch populistisch hoeft te zijn: populisme is een retorisch en strategisch gekozen stijlmiddel, een manier van praten en framen, en zegt niet zoveel over de beleidsinhoud van een partij.

En als je de retoriek en de beleidsinhoud van de PVV en D66 wegdenkt, dan moet ik mijn studenten gelijk geven: er is een lijn te trekken tussen de oprichting van D66 en de monsterzege van de PVV. Met een voetbalmetafoor zou je kunnen zeggen: D66 was de aangever, Fortuyn wilde hem inkoppen, maar uiteindelijk maakte de PVV het af.’

Veel D66’ers huiveren bij de gedachte alleen al dat D66 en de PVV in hetzelfde team zouden spelen… ‘Ik bedoel ook niet dat D66 en de PVV hetzelfde zijn qua politieke stijl en politieke inhoud – ze zijn hetzelfde qua strategie. De oude establishment-partijen hielden hun eigen kartel- positie in stand door politieke concurrentie te beperken tot de strijd om één issue: in hoeverre moet de overheid ingrijpen in de economie en de samenleving? Je was links als je antwoord ‘veel’ was, en ‘rechts’ als je antwoord ‘weinig’ was – dat onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ gaat terug op de Franse Revolutie.

Nu is het waarschijnlijk niet zo dat de VVD, PvdA en de (voorlopers van) het CDA hun machtspositie in stand hielden door in rokerige achterafkamertjes geheime kartelafspraken te maken – dat doen bedrijven in een kartel vaak ook niet zo expliciet. In plaats daarvan was er sprake wat je ‘strategisch signaleren’ kan noemen: ‘midden-links’, oftewel de na-oorlogse PvdA, en ‘midden-rechts’, oftewel de na-oorlogse VVD, wisten allebei dat ze hun eigen achterbannen konden binden en mobiliseren door de politiek maatschappelijke discussie vooral te laten gaan over socio-economische vraagstukken, zoals uitkeringen en de welvaartsstaat aan de ene kant, en de hypotheek en autobezit aan de andere kant. De christendemocratische partijen hadden er voordeel bij om dat spel mee te spelen: vanuit hun zuil kreeg het CDA en haar voorlopers toch voldoende kiezers, en van hun confessionele grondslagen maakten ze dus geen maatschappelijk voorwerp van debat meer. Zo konden ze voor lange tijd zichzelf opstellen als ‘middenpartij’, die afwisselend met ‘links’ of ‘rechts’ een regering kon vormen.

Dat is de context waarin D66 destijds werd opgericht, en Van Mierlo is eigenlijk bijzonder succesvol geweest in het openbreken van dat kartel. Dat ging eerst niet echt makkelijk: kiezers waren grosso modo toch nog steeds redelijk ‘verzuild’, voelden zich toen meer identitair verbonden met hun partij en partij-ideologie. Maar het lukte uiteindelijk toch: in de jaren negentig van de vorige eeuw brak D66 het kartel in stukken met de kabinetten Paars-I en Paars-II.
Dat lukte uiteindelijk, omdat D66 en enkele andere ‘uitdagers’ concurreerden op wat we uiteindelijk een nieuwe politiek-ideologische ‘dimensie’ zijn gaan noemen: kwesties van medische ethiek en persoonlijke leefstijl, zoals het recht op abortus en euthanasie, of bijvoorbeeld het homohuwelijk. Voor het eerst in de na-oorlogse geschiedenis zat er niet één confessionele partij in de regering! En op de links-rechts-dimensie van staatsinterventie bleek dat de PvdA en de VVD er prima samen uit konden komen, helemaal nadat de PvdA haar ‘ideologische veren’ had afgeschud. Politieke concurrentie draaide nu niet meer om de klassieke links-rechts-as, maar om een nieuwe as, die D66 mede op de kaart had gezet.
 
‘Politieke concurrentie draaide nu niet meer om de klassieke links-rechtsas, maar om een nieuwe as, die D66 mede op de kaart had gezet’ Tegenwoordig noemen we die tweede dimensie iets als de ‘identitair-culturele as’, en zo kunnen we analytisch bijvoorbeeld ‘progressieve’ van ‘conservatieve’ partijen onderscheiden – maar in Nederland is die as dus mede gemáákt door de politieke strategie van onder andere D66, bijvoorbeeld door de beleidsvoorstellen die ze op de maatschappelijke en politieke agenda heeft gezet, en de retorische stijl en manier van politiek bedrijven.

Maar hoe zijn Fortuyn en later Wilders’ PVV dan vergelijkbaar in strategisch opzicht? ‘Nogmaals: qua gedachtegoed zit er natuurlijk een groot verschil tussen enerzijds D66, en anderzijds Fortuyn en de PVV – hoewel ook Fortuyn en de PVV natuurlijk niet op één lijn te stellen zijn. Maar wat je eigenlijk ziet is dat ná twee kabinetten Paars het de rechtse politieke ondernemers zijn die het politieke initiatief overnemen van onder andere D66. D66 raakt ingekapseld in het kartel en probeert de concurrentie af te houden, terwijl Fortuyn en anderen het politiek-maatschappelijke debat juist verder ontwikkelen.
Wat Fortuyn doet is dat hij op die nieuwe culturele as een ándere positie inneemt. Hij agendeert andere issues, met name ‘integratie’ en ‘Europa’ – iets wat hem deels ook makkelijker afging vanwege de jihadistisch-terroristische aanslagen van Al-Qaeda op de Twin Towers. Verder was Fortuyn op de klassieke links-rechts-as linkser dan veel mensen zich nu herinneren: hij verbond de problemen in achterstandswijken met het culturele issue van integratie. Daarnaast hanteert hij ook een volledig ándere politieke stijl: persoonlijk, flamboyant en media-geniek. De moord op Fortuyn breekt de revolutie die hij ontketende in de knop: zonder zijn uitmuntende politieke talent bleek zijn partij, de LPF, niet stabiel genoeg om mee te regeren.

Hierdoor bleef er een groot gat in de politieke markt achter, waar Geert Wilders vrij snel in sprong. Hij concurreerde vanaf het begin óók op de culturele as, en legde meer het accent op de islam dan op integratie, en profiteerde ook van ‘Europa’ als issue, door van de mogelijke toetreding van Turkije tot de EU een punt te maken. Qua retorische stijl koos de PVV ook een iets andere invalshoek: zowel Wilders en Bosma adopteerden volledig de manier van praten en framen van ‘het populisme’.

De gelijkenis tussen D66 aan de ene kant, en uiterst rechtse partijen zoals de PVV, maar ook FvD en BBB en misschien ook NSC aan de andere kant, zit hem dus in niet in de standpunten óver de issues die ze agenderen, maar in welk soort issues ze agenderen – en hoe ze dat doen: met een nieuwe politieke stijl. Een verschil is wel dat die nieuwe partijen anno 2024 het makkelijker hebben dan D66 in 1966: de kiezer is nu nóg verder ontzuild, en switcht véél makkelijker van de ene partij naar de andere, zoals de plotselinge stijging én direct erop volgende daling van bijvoorbeeld BBB laat zien. Je vraagt je wel eens af wat een innovatief politiek talent als Van Mierlo heden ten dage had kunnen doen, nu de kiezers zó beweeglijk zijn geworden.’
‘Je vraagt je wel eens af wat een innovatief politiek talent als Van Mierlo heden ten dage had kunnen doen, nu de kiezers zo beweeglijk zijn geworden’

Dat vragen wij ons ook wel eens af – wat zou een progressieve partij nu kunnen doen? (Lacht) ‘Dat is natuurlijk de million dollar question voor jullie! Ik ben wetenschapper, dus ik geef geen campagne-advies aan de ene of de andere partij. Vanuit de wetenschap kan ik wel verklaren waarom in de afgelopen decennia de politieke innovatie eerder op wat je dan ‘rechts’ wil noemen, heeft plaatsgevonden, dan op wat je ‘links’ zou noemen: de modale Nederlandse kiezer zit gewoon rechts van het midden. Maar goed, die manier van de kiezersmarkt verdelen kán een partij dus openbreken, dat heeft de geschiedenis laten zien.
In Frankrijk is Macron wat dat betreft een interessant voorbeeld. In 2016 richtte hij En Marche!, tegenwoordig Renaissance op, waarmee hij de klassieke tegenstelling tussen links en rechts niet wilde overbruggen, maar overstijgen. Hij was jarenlang lid van de socialistische partij, maar omschrijft zichzelf als liberaal – en zowel inhoudelijk en als qua stijl zet hij zich met name af tegen het Rassemblent National van Marine le Pen.

Wat een progressieve partij níet moet doen, is de inhoud van een uiterst rechtse partij overnemen. In Denemarken hebben de sociaal-democraten geprobeerd om de inhoud van de radicaal rechtse Deense Volkspartij over te nemen, nadat die laatste was ingestort door corruptieschandalen. De kiezers herkennen het copy-cat-gedrag en keren dus binnen de kortste keren weer terug naar het origineel.

Pedro Sanchez in Spanje deed het weer anders: zijn partij, de PSOE, zeg maar de Spaanse PvdA, kwam onder druk te staan door het linkse, populistische Podemos. Podemos voert campagne volgens het recept van de politiek denker Chantal Mouffe, die zegt dat de enige manier om het rechts-populisme te bestrijden, is om er een links-populisme tegen- over te stellen. De PSOE van Sanchez zag kiezers ernaar weglopen, dus Sanchez besloot om in sommige zichtbare issues, zoals LHBtIQ+-issues, Podemos als het ware links-populistisch voorbij te streven. Sanchez kreeg er een vijand bij in het radicaal rechts-populistische Vox, maar die vijandschap legde hem geen windeieren.

‘De crux voor een Nederlandse progressieve partij is dus om de nu bestaande tegenstellingen te overstijgen, creatief issues aan elkaar te verbinden en retorisch ook te vernieuwen’
De crux voor een Nederlandse progressieve partij is dus om de nu bestaande tegenstellingen te overstijgen, creatief issues aan elkaar te verbinden en retorisch ook te vernieuwen. Die ruimte ligt er ook: zo kun je de dreigende klimaatcrisis verbinden met trots op het Nederlandse polderlandschap. Of neem het woord ‘polderen’ als een typisch Nederlandse manier van nuchter met meningsverschillen omgaan. Misschien is dat wel een typisch oer-Nederlands recept voor omgaan met internationale conflicten en oorlogsdreiging: het is historisch bezien echt niet niks dat het gewoon was dat katholieken en protestanten met elkaar om tafel gaan zitten. Dat is een echt Nederlandse traditie – wees daar trots op!’