Door Marius Ceulen
Europa was aan het begin van de twintigste eeuw nog stevig verankerd in de negentiende eeuw. Nieuwe grootmachten vochten om koloniale invloed, burgerlijke elites domineerden in de politiek en sociale ongelijkheid was een gegeven. Ook in Nederland was de maatschappelijke ordening hardnekkig hiërarchisch; afkomst bepaalde nog in sterke mate je kans op ontwikkeling.
In dat starre tijdsgewricht bestond er eind negentiende eeuw een club sociaal-liberalen die zich afsplitste van de Liberale Unie (1885-1921). Zij verenigden zich binnen een nieuwe partij, de Vrijzinnig-Democratische Bond, en ontwikkelden een maatschappijvisie die haar tijd ver vooruit was – een visie die democratisering én sociale mobiliteit met elkaar verbond.
Een cultuur van democratische gelijkheid
In haar beginselverklaring ontwikkelde de Vrijzinnig-Democratische Bond twee programmatische aspiraties die samen het hart van het programma vormden. Het eerste: democratische vernieuwing, met als belangrijkste ambitie de invoering van het algemeen kiesrecht. Het tweede: het wegnemen van de maatschappelijke oorzaken ‘welke tusschen de leden van het volk ongelijkheid scheppen of versterken ten aanzien van hunne ontwikkelingsvoorwaarden’. Kortom: een pleidooi voor individuele ontplooiing en een voorwaardenscheppende rol daarin voor de nationale politiek.
Aan het streven naar democratisering ontleende de Vrijzinnig-Democratische Bond begin twintigste eeuw haar bestaansrecht. Zij waren immers van de Liberale Unie afgesplitst nadat deze weigerde het algemeen (mannen-)kiesrecht urgent te verklaren. In de daaropvolgende jaren boekte de partij op dit thema belangrijke resultaten. Ze speelden een hoofdrol in de politieke strijd die uiteindelijk leidde tot de grondwetsherziening van 1917, waarin het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd. Daarnaast diende het vrijzinnig-democratische Kamerlid Henri Marchant (1869-1956) in september 1918 een initiatiefwet in voor het actief kiesrecht voor vrouwen, dat volgde in 1919. Met dit consequente pleidooi droegen de sociaal-liberalen van toen eraan bij dat politieke invloed niet langer voorbehouden bleef aan een selecte groep, maar voor iedereen werd opengesteld.
Maar het versterken van de formele democratie was niet het enige doel. Ook diende de partij oorzaken van maatschappelijke ongelijkheid weg te nemen, door eerlijke kansen te scheppen. Zo zouden Nederlanders op gelijke voet deelnemen aan het democratische proces en kwam een evenwichtige visie op maatschappelijke vooruitgang tot stand. Willem Treub (1858-1931) was hier als ‘huisideoloog’ verantwoordelijk voor. Hij geloofde daarbij in een ideale verhouding tussen individu en gemeenschap, waarbij overheidsingrijpen en eigendomsrechten elkaar in balans hielden. Op die manier positioneerde hij de partij tegenover de klassiek-liberalen én de marxistische sociaaldemocraten van die tijd. De nieuwe sociaal-liberale mens- en maatschappijvisie kreeg zo haar eerste vorm.
Die visie streefde naar een maatschappij die niet alleen draaide op de formele spelregels van het meerderheidsbesluit, maar ook stoelde op een democratische cultuur. Hiertoe was kansengelijkheid een elementair onderdeel, vonden zij. Dit zuivere liberale uitgangspunt kwam terug in het beleid.
Sociaal-liberale idealen in de praktijk
De Vrijzinnig-Democratische Bond pakte gedurende haar ruim veertigjarige bestaan vele vormen van maatschappelijke ongelijkheid aan. Daarin was de pacificatie van 1917 een ijkpunt. Met dit maatschappelijk compromis werd een langdurig ideologisch conflict over de inrichting van het landelijk onderwijs, genaamd de Schoolstrijd, beëindigd. Binnen het compromis vervulde vrijzinnig-democraat Dirk Bos (1862-1916) een sleutelrol. Als voorzitter van de pacificatiecommissie combineerde hij algemeen kiesrecht met financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs. Zo verbeterden zij de onderwijskwaliteit voor brede lagen van de bevolking.
In het jaar 1905 traden voor het eerst ministers van de Vrijzinnig-Democratische Bond aan. Zij maakten deel uit van het minderheidskabinet-De Meester (1905-1908). Eén van hen was Eduard Ellis van Raalte (1841-1921) die zich binnen de korte regeerperiode van het kabinet ontwikkelde tot een van haar beste bewindspersonen. Als minister van Justitie loodste hij de Wet op het arbeidscontract door het parlement. Dankzij die wet kregen werknemers meer rechtsbescherming bij ziekte en arbeidsongevallen. Daarnaast kregen aantasting van de persoonlijke waardigheid (destijds: eerbaarheid) en schade aan eigendom door werkzaamheden een plek in het arbeidsrecht. Dit droeg bij aan een samenleving waarin sociale posities minder afhankelijk werden van toeval en tegenslag.
Ook vrijzinnig-democratische Kamerleden lieten zich gelden. Zo nam Fekko Ebels (1871-1951) het initiatief voor de Crisispachtwet van 1932. Hij was afkomstig uit Groningen en bleef als ‘stemmenkanon’ ruim twintig jaar politiek actief voor de Vrijzinnig-Democratische Bond. Zijn wetsvoorstel gaf agrariërs de mogelijkheid om bij betalingsproblemen een lagere pachtprijs aan te vragen. Daarmee versterkte hij de rechten van kleine pachtboeren, verlichtte hij hun financiële problemen en stimuleerde hij afhankelijke agrariërs om een eigen onderneming op te bouwen.
Een idee dat zijn tijd weer vindt
Met de ideeën over kansengelijkheid en democratisering liepen de sociaal-liberalen aan het begin van de vorige eeuw ver voor de troepen uit. Het zou echter nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren voordat deze visie tot volle wasdom kwam. Hun schuld was dat niet; soms dienen waardevolle ideeën zich aan voordat de tijd er klaar voor is. In 1946 ging de partij, samen met de SDAP en de CDU, op in de PvdA. Daarmee verdween het sociaal-liberale geluid voorlopig uit de Nederlandse politiek.
In het huidige tijdsgewricht zien we helaas een tegengestelde beweging; de kansengelijkheid in Nederland en het vertrouwen in de politiek hollen achteruit. Zo wees een recent verschenen promotieonderzoek van Sander de Vries (Vrije Universiteit van Amsterdam) op een hernieuwde samenhang tussen inkomenspositie en familieachtergrond, én daalt het vertrouwen in de politiek steeds verder. Het moment voor de sociaal-liberalen van vandaag om opnieuw over dit vraagstuk na te denken lijkt daarmee aangebroken. Of, zoals Victor Hugo schreef: ‘een idee waarvan de tijd is gekomen, bezit een onoverwinnelijke kracht.’
Ingezonden door Marius Ceulen, Lid Stadsdeelcommissie Amsterdam-Oost