De parabel van de appelboomgaard

Nu de inkomens- en vermogensongelijkheid in Nederland toeneemt, dringen belangrijke vragen zich op: wat is rechtvaardig? Is inkomensongelijkheid per definitie onrechtvaardig? Wie heeft recht op wat en waarom? Politiek-filosofen gebruiken vaak idealistische gedachtenexperimenten om die vragen te beantwoorden. Zo introduceerde de zeventiende-eeuwse filosoof John Locke in zijn boek Two Treatises of Government (1689) de volgende metafoor van de appelboomgaard. Stel, iemand loopt in het bos en heeft trek. Ze klimt in een appelboom, plukt een appel en eet ‘m op. Maar: die appels zijn eigenlijk van de gemeenschap, want de aarde is voor iedereen. Dus, wanneer kan ze precies zeggen: ’Deze appel is van mij
en mij alleen?’.

Volgens Locke kan dat wanneer ze zelf de arbeid verricht om de appel te plukken, én wanneer ze genoeg overlaat voor anderen. Dit illustreert twee relevante morele intuïties voor inkomens- en vermogensongelijkheid: ten eerste, dat iemand iets verdient wanneer ze ervoor werkt. En ten tweede, dat hoeveel iemand verdient, begrensd mag worden als het algemeen belang er onder lijdt.
Karl Marx contrasteerde het ideaaltypische gedachtenexperiment met de negentiende-eeuwse werkelijkheid. Het gedachtenexperiment liet zien dat de echte waarde van een appel (of, in zijn voorbeeld: een katoenen overhemd) ligt in de arbeid die ervoor is verricht. De prijs op ‘de markt’ ligt echter vaak ver boven die arbeidswaarde.
Voor Marx was dat een bewijs voor uitbuiting: de kapitaalbezittende klasse verricht geen arbeid om die meerwaarde te verdienen, maar steekt het wel in eigen zak. In onze 21ste eeuw roept het contrast
tussen het ideaalbeeld en de werkelijkheid van onze moderne economie vergelijkbare vragen op: wie verdient bijvoorbeeld het inkomen uit appelverkoop wanneer een Amerikaanse durfinvesteerder een (door een Nederlandse landbouwuniversiteit ontwikkeld) patent op genetisch gemanipuleerde, extra voedzame appels afkoopt, schaars land inhuurt en vervolgens onderbetaalde
EU-arbeidsmigranten die appels laat plukken?

Ongelijkheid uit markt-
inkomen

Sommigen gebruiken evengoed de appelboomgaardmetafoor om inkomensongelijkheid op de arbeidsmarkt te analyseren. De boom is dan ‘de arbeidsmarkt’, elke appel staat voor ‘een baan’. Niet elke appel is even voedzaam of voor iedereen even bereikbaar. Het verschil tussen de ‘appels’ geeft een werkzoekende antwoord op de vraag
waar zij haar unieke talenten het beste kan inzetten: daar waar haar talent het best tot zijn recht komt, én ze er het meeste mee verdient. Handig voor het handjevol personen dat gezegend is met het talent om óf neurochirurg, óf leraar biologie te kunnen worden: die kunnen kiezen wat hen het meeste oplevert.

Maar deze metafoor roept meer vragen op dan zij beantwoordt. Hoe groot zijn de prijsverschillen tussen het ene beroep en het andere? Wie bepaalt dat? Hoe zit het met de rest van ons die niet geboren zijn met uitmuntende talenten? Of mensen die pech hebben met de omgeving waarin ze opgroeien, of gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt vanwege etniciteit of geaardheid? Puur gekeken naar de inkomensverschillen lijkt de ongelijkheid in Nederland mee te vallen: volgens Eurostat had Nederland in 2024 een Gini-coëfficiënt van 25,9 (een Gini van 0 staat voor perfecte gelijkheid en 100 voor een situatie waarbij één iemand al het inkomen verdient). De enige landen met een lagere Gini-coëfficiënt, en dus gelijkere inkomensverdeling, waren België, Tsjechië, Slowakije, Slovenië en Noorwegen. De Verenigde Staten hadden volgens de Wereldbank
in datzelfde jaar een Gini-coëfficiënt van 41,8 (!). Maar de werkelijkheid achter het getal is verontrustender. Zo blijkt uit onderzoek van onder andere Egbert Jongen, hoogleraar economie en
sociaaleconomisch beleid aan de Universiteit Leiden, verricht voor het ministerie van SZW, dat de inkomensongelijkheid sinds de jaren tachtig is toegenomen. Dit komt door toenemende verschillen op de arbeidsmarkt: de rijkste één procent zag het marktinkomen sterk toenemen, terwijl de laagste inkomensgroepen er, rekening houdend
met inflatie, zelfs op achteruit zijn gegaan.

Niet elke appel
is even voedzaam
of voor iedereen
even bereikbaar”

Uit de metafoor valt te beredeneren dat dit soort inkomensongelijkheid alleen te rechtvaardigen is wanneer de overheid daadwerkelijke kansengelijkheid garandeert, en soms zelfs uitkomstengelijkheid. Om in de metafoor van de appelboomgaard te blijven: de overheid heft belastingen en koopt daar figuurlijke ladders zoals onderwijs en openbaar vervoer voor. Net zo biedt de overheid
vangnetten, in de vorm van sociale zekerheid. Wie pech heeft, wordt geholpen. En wie actief wordt tegengehouden krijgt steun, bijvoorbeeld met antidiscriminatiebeleid. En wie het geluk heeft
geboren te worden onder een extra vruchtbare boom, met een schenking of erfenis, betaalt daar gewoon belasting over

Vermogen en ongelijke
toegang tot de spelregels

Maar kansengelijkheid als instrument om ongelijkheden te minimaliseren en daarmee te rechtvaardigen, is niet genoeg. Want cruciale vragen zijn nog steeds: wie bepaalt de spelregels van de
appelboomgaard, bijvoorbeeld het verschil in beloning voor beroepen? Mag iemand zich eigenaar van een hele boom of boomgaard verklaren? Hoe het komt dat de laagste inkomensgroepen
erop achteruit zijn gegaan, wordt nog nader onderzocht: vermoedelijk speelt het toenemende aandeel arbeidsmigranten aan de onderkant van de arbeidsmarkt een rol. De rijkste één procent haalt het inkomen niet alleen uit arbeid, maar ook uit vermogensrendementen en ingehouden winsten, zo berekende het Centraal Plan Bureau (CPB)
in Inequality and Redistribution in the Netherlands (2022).

Dit suggereert een sterke ongelijkheid in toegang tot het bepalen van de spelregels: de onderkant van de arbeidsmarkt heeft weinig tot geen invloed op beloningsbeleid en arbeidsvoorwaarden. Helemaal als die inderdaad grotendeels uit arbeidsmigranten bestaat: die hebben immers geen stemrecht. Voor de rijkste één procent geldt juist het tegenovergestelde. In De hoogste bomen vangen minder wind (2026) beschreef het CPB hoe de rijkste één procent minder belasting betaalt dan de groepen daaronder. Die groep haalt meer van haar inkomen uit vermogen, dat minder belast wordt dan arbeidsinkomen. Daarboven weten zij beter de inconsistenties in ons belastingstelsel uit te buiten, bijvoorbeeld door winstuitkeringen uit
te stellen, vermogens tussen boxen te verschuiven, of gebruik te maken van vrijstellingen voor de erf- en schenkbelasting, zoals de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De bovenste één procent weet de regels naar eigen hand te zetten, en heeft dus meer invloed op de spelregels. Dit is oneerlijk: iedereen moet immers de vruchten kunnen plukken van de Nederlandse appelboomgaard. Gelukkig suggereert de metafoor ook oplossingen: niet alleen moet de overheid kansengelijkheid en zelfs uitkomstengelijkheid garanderen, maar ook een gelijke toegang tot het opstellen van de spelregels. Concreet: geef de onderkant van de arbeidsmarkt meer zeggenschap en bescherm deze groep beter. Aan de bovenkant: belast vermogensinkomen ten minste even zwaar als arbeidsinkomen. En wanneer te grote vermogens het algemeen belang schaden, belast dan ook het vermogen direct.

Daniël Schut is hoofdredacteur van Idee.