Wat is slim?

Beeld: Herman Wouters

Door Salima Belhaj

Op verschillende momenten in mijn leven vroeg ik me af: wat is slim?

Vaak gebeurde dat als iemand mij niet begreep, of juist wanneer iemand tegen mij zei: ‘Waarom begrijp je niet wat ik bedoel?’ Natuurlijk is dat soms gewoon miscommunicatie. Dat overkomt ons allemaal. Maar ook als daar geen sprake van was, bleef één vraag
mij fascineren: hoe komt het dat onze hersenen zo verschillend lijken te werken? Dat we allemaal op een andere manier denken, redeneren en verbanden leggen?

Toch lijkt het antwoord verrassend eenvoudig. Wanneer iemand zegt: ‘Die is echt slim’ of wanneer een kind als uitzonderlijk intelligent wordt bestempeld, wordt bijna automatisch verwezen naar IQ. Alsof slimheid vooral betekent dat je snel leert, logisch redeneert of hoog scoort op een test.

Dat zie je terug op school, tijdens opleidingen en op de arbeidsmarkt. Veel mensen werken hard om toetsen, examens en assessments te halen. Lukt dat niet, dan ligt de conclusie al snel voor de hand: blijkbaar ben ik niet slim genoeg en heb ik geen kwaliteiten. Of: ik ben niet geschikt.

Maar is dat eigenlijk wel zo?

De Amerikaanse psycholoog Howard Gardner stelde die vraag al in de jaren tachtig. Volgens hem is intelligentie veel breder dan wat een IQ-test meet. Hij onderscheidde onder meer taalkundige, logisch-mathematische, visueel-ruimtelijke, muzikale, lichamelijk-kinesthetische, interpersoonlijke, intrapersoonlijke en naturalistische intelligentie. Zijn theorie van de meervoudige intelligenties is wetenschappelijk omstreden, maar heeft voor mij wel een belangrijk perspectief toegevoegd: mensen kunnen op heel verschillende manieren uitblinken en een IQ-test meet daarvan slechts een deel.

De opkomst van AI zette mij opnieuw aan het denken. AI blijkt juist goed te zijn in de vaardigheden die wij jarenlang als dé meetbare maatstaf voor intelligentie hebben gezien: analyseren, logisch redeneren, patronen herkennen en razendsnel informatie verwerken.
Misschien is dat precies de paradox van deze tijd. Nu een machine steeds beter wordt in die cognitieve vaardigheden, worden we gedwongen opnieuw na te denken over wat menselijke intelligentie of talenten eigenlijk zijn. Want juist de kwaliteiten die zich moeilijk laten meten, lijken steeds belangrijker te worden: het vermogen om verbinding te maken, verantwoordelijkheid te nemen, morele afwegingen te maken, creatief te zijn, intuïtief aan te voelen wat een situatie vraagt en betekenis te geven aan ervaringen. Dat betekent niet dat IQ er niet meer toe doet. Integendeel, analytisch vermogen blijft van grote waarde. Maar het is misschien niet langer vanzelfsprekend dat juist dát de belangrijkste maatstaf is om menselijke intelligentie te beoordelen. Misschien vraagt dat ook
iets van onze samenleving; van de manier waarop we kinderen beoordelen, studenten selecteren, mensen aannemen en talent herkennen. Zolang we uitsluitend blijven waarderen wat meetbaar is, lopen we het risico andere menselijke kwaliteiten over het hoofd te zien.

Misschien is dat wel de belangrijkste les van het AI-tijdperk. Niet dat mensen minder intelligent worden dan machines, maar dat we eindelijk worden uitgedaagd om opnieuw te bepalen wat wij eigenlijk
onder menselijke kwaliteiten verstaan.

Misschien zijn we daarom al die tijd de verkeerde vraag blijven
stellen.

Niet: Wie is het slimst?
Maar: Wat is slim?

Salima Belhaj is raadslid bij de Raad voor het Openbaar Bestuur en voormalig Tweede Kamerlid namens D66.