Boekrecensie Tim Wu: The Age of Extraction

De digitale platformeconomie is gekaapt door machtige techbedrijven. Tim Wu beschrijft in zijn boek The Age of Extraction dat dit het gevolg van bewuste keuzes is geweest. En wat we eraan kunnen doen.
 
door Daniël Schut

We zijn tegenwoordig doodongelukkig in de digitale platformeconomie. Voor de meest alledaagse zaken moeten we eerst een account aanmaken op een webportaal en dan een app downloaden, waarna we vastgeketend zitten aan een abonnement waarvoor we niet alleen met geld betalen, maar ook met onze gebruikersdata en aandacht. Of het nu gaat om het huren van een loodgieter via een platform, een afspraak boeken met de huisarts of zelfs de eigen kinderen aanmelden voor een zwemles: het leven is pay-to-play en pay-to-win geworden. Precies naar het verdienmodel van computerspellen zoals Minecraft of World of Warcraft.

Dit is niet de digitale economie die ons vanaf de uitvinding van het internet werd beloofd. Onze wereld zou groter worden, niet kleiner. We zouden met mensen van over de hele wereld ideeën kunnen bespreken, niet om met chatbots administratieve klusjes af te
handelen. Waar hebben we de afslag gemist naar dat beloofde land?
Tim Wu legt het uit in zijn nieuwste boek The Age of Extraction. How Tech Platforms Conquered the Economy and Threaten our Future Prosperity (The Bodley Head, 2025). Tim Wu is hoogleraar mededingings-, auteurs- en mediarecht. Hij populariseerde in 2003 al de term ‘netneutraliteit’ en werkte als adviseur in technologie- en competitiebeleid voor de regeringen van Obama en Biden. Al langere tijd levert hij stevige kritiek op de digitale platformeconomie, zoals met The Attention Merchants: The Epic Scramble to Get Inside our Heads (Knopf, 2016) en The Master Switch: The Rise and Fall of Information Empires (Knopf, 2010). In zijn meest recente boek geeft hij gelukkig ook recepten voor hoe we onszelf uit het plakkerige web
van digitale marktmacht kunnen bevrijden.

De platformeconomie: het oudste instituut ter wereld Wu begint met een economisch-historische verhandeling over het begrip ‘platform’. Een platform is een instituut dat marktpartijen bij elkaar brengt en handel mogelijk maakt, door wat economen ‘transactieproblemen’ noemen, op te lossen. Zoals het matchen van vraag en aanbod, het oplossen van vertrouwenskwesties en het mogelijk maken van schaalgrootte. Denk aan de wekelijkse zaterdagmarkt: het vaste moment in de week vertelt kopers waar ze wanneer iets kunnen
kopen, en zorgt ervoor dat verkopers weten dat ze niet voor niets hun waar uitstallen. Wu benadrukt wat voor een bijzondere uitvinding zo’n markt, als platform, eigenlijk is: al vanaf prehistorische tijden werden hier maten gestandaardiseerd, munten op goudgehalte gecontroleerd, en contracten vastgelegd en afgedwongen, meestal door een marktmeester. Publieke diensten die we nu voor lief nemen, maar zonder deze diensten zouden we geen boodschappen kunnen doen. In die zin is ‘de platformeconomie’ het oudste instituut ter wereld. Of eigenlijk meervoud, dus: instituties. Want ‘de markt’ als abstract fenomeen bestaat niet. Wat wel bestaat, zijn verschillende uitwerkingen van dat idee, met eigen regels en randvoorwaarden. Die
regels en randvoorwaarden bepalen of, en voor wie, een specifieke markt functioneert: de zaterdagmarkt steekt anders in elkaar dan bijvoorbeeld de Amsterdamse aandelenbeurs. Ook zijn markten niet de enige voorbeelden van platforms: ‘de stad’ is er ook eentje.

Het ontstaan van de digitale platformeconomie
De ontstaansgeschiedenis van de digitale platformeconomie laat zien hoezeer die regels en randvoorwaarden bepalen of en voor wie een specifieke markt functioneert. De wortels van de digitale platformeconomie liggen namelijk in een uitermate spannende juridische en beleidseconomische strijd van de Amerikaanse
overheid tegen computerfabrikant IBM. In de jaren vijftig en zestig slaagde IBM erin om een grootmacht te worden op de markt voor hardware en software, met een soort gedwongen dubbele koppelverkoop: computers van IBM konden alleen praten met andere computers van IBM, en elke IBM-computer was ook alleen te gebruiken met een besturingssysteem van IBM. Die marktmacht riep de afkeer op van het Amerikaanse ministerie van Justitie, dat indachtig de monopolistische excessen van de Gilded Age, de tijd van de robber barons zoals Rockefeller, Carnegie en J.P. Morgan, en de
Depressie van de jaren dertig, besloot de marktmacht van IBM te breken. Een serie van rechtszaken liep van 1969 tot 1982, en stopte pas toen de pro-business regering van Reagan de zaak seponeerde. Voor IBM was het leed na ruim dertien jaar procederen al geleden: de computerfabrikant zag zich al vroeg gedwongen de dubbele koppelverkoop te staken. Dat was volgens Wu een magisch moment: IBM-computers veranderden als bij toverslag van een machtsmiddel in een open platform, waar hardware-aanbieders (zoals de latere techno-monopolist Apple) en softwareontwikkelaars (zoals de latere techno-monopolist Microsoft) mee en op konden concurreren. De markt voor hardware en software begon dus pas te groeien toen de overheid de regels en randvoorwaarden voor echte concurrentie afdwong. Zonder het overheidsingrijpen tegen IBM (en later ook tegen AT&T, het Amerikaanse telecombedrijf) geen personal computers geen vrij en neutraal internetverkeer, geen laptops en geen mobiele telefoons. De markt die tegenwoordig vele honderden miljarden dollars waard is, en de wereld onherkenbaar veranderd heeft, kon alleen maar ontstaan omdat de Amerikaanse overheid deze mogelijk maakte.

Digitale marktmacht-trucs
Maar vanaf het moment dat de regering Reagan aan de macht kwam, keerde het anti-monopolistische tij. Wu besteedt misschien iets te weinig aandacht aan zijn intellectuele tegenstanders uit de jaren tachtig, waaronder de rechtenprofessor Robert Bork. Als exponent van de infameuze Chicago School of Economics legde deze laatste al
in 1978 een rechtstheoretische bom onder het anti-monopolistische denken met zijn boek The Antitrust Paradox. A Policy at War with Itself (Basic Books, 1978). Hierin beargumenteerde Bork dat monopolies efficiënt kunnen zijn, en zodoende de consumentenwelvaart kunnen bevorderen, ongeacht of ze de
keuzevrijheid van consumenten beperken. Maar Wu excelleert in het
inzichtelijk maken van de praktische gevolgen van deze neoliberale paradigmawisseling. In het grootste gedeelte van zijn boek onthult
Wu de trukendoos van Big Tech om een digitale marktmacht te verwerven. Zoals: de concurrentie opkopen, wat Google (tegenwoordig Alphabet) deed met het opkopen en integreren van digitale routekaartenapp Waze in 2013 en zoals Facebook (tegenwoordig Meta) deed met het opkopen en integreren van Instagram en WhatsApp.

Een andere truc: concurreer niet op de markt, maar wórdt de markt, zoals Amazon dat deed. Amazon begon als een online boekverkoper, maar schakelde in 2000 over naar het Marktplaats-model, door kopers en verkopers online bij elkaar te brengen. Maar vervolgens gebruikte Amazon het eigenaarschap over zijn eigen zoekmachine, de interne advertentiemarkt, en de transactie- en gebruikersdata om aan alle kanten geld uit de zakken van kopers en verkopers te kloppen en aan concurrentievervalsing te doen op zowel het eigen platform als met andere platforms. Een derde truc: maak kopers en verkopers volledig afhankelijk van de diensten die je levert. Dit is het grote pijnpunt van de ‘influencer-economie’, zoals Alpabets YouTube en Meta’s Instagram. Een individuele content creator die er kortstondig in slaagt ‘het algoritme’ te bespelen, kán er een aardige boterham mee verdienen. Maar het overgrote deel slaagt daar niet in. Zelfs de ene influencer die er wel in slaagt, staat voor een groot probleem om het succes vast te houden. Hij of zij is geen eigenaar van de productiemiddelen, zoals het distributiekanaal. En kan ook de oorzaken van het succes niet kennen, zoals bijvoorbeeld door inzicht te hebben in de details van het zoekalgoritme, transactie en gebruikersdata. Hierdoor blijft het een volslagen raadsel hoe het succes vol te houden is, en kan het de volgende maand zo weer over zijn. Silicon Valley-ondernemers verkopen dit soort tactieken aan ons gewone mensen in hoogdravende termen: de tech-investeerder en radicaal-conservatieve denker Peter Thiel schreef bijvoorbeeld in het boek Zero to One (Crown Currency, 2014) dat ‘concurrentie voor losers is’. Wu beschrijft hoe dit boek een soort mission statement is geworden voor Silicon Valley, dat dankzij Thiel nu gelooft dat ze een moreel imperatief hebben om elke technische en juridische tactiek uit de kast te trekken om marktmacht te veroveren.

Hoe software de wereld opeet
In 2011 schreef Marc Andreessen een blogpost met de titel Why Software is Eating the World. Andreessen is eigenaar van techinvesteringsfonds a16z, en is hiermee naast tech-investeerder Peter Thiel, één van de financiële en ideologische grootmachten van Silicon Valley. In die blogpost beschreef Andreessen hoe hij verwachtte dat in de komende decennia de techno-juridische tactieken van de software-industrie, ook de ‘echte’, fysieke economie zouden overnemen. Wu schetst weer de pijnlijke praktische gevolgen waar dit tweede mission statement van Silicon Valley toe heeft geleid.
Bijvoorbeeld in de zorgsector: Wu legt secuur uit wat er precies mis is met ‘marktwerking’ of ‘private equity’ in de zorg. De Amerikaanse private equity firma Welsh, Carson, Anderson and Stowe (WCAS) paste als één van de eersten digitale platform tactieken toe op de sector van anesthesisten. Dat was een ideale kans, volgens WCAS, omdat patiënten feitelijk vastzitten aan het afnemen van verdoving tijdens operaties. En omdat de prijs hiervoor in het spel tussen de
medisch-specialisten, de ziekenhuizen en de verzekeraars, voor diezelfde patiënt relatief onzichtbaar is.

WCAS begon met het aanbieden van een platform: een deels digitale, deels fysieke bundel van diensten. In eerste instantie leek dat platform zowel anesthesisten als patiënten werk uit handen te nemen: WCAS regelde het factureren en declareren, en onderhandelde over tarieven tussen ziekenhuizen, verzekeraars en
de medisch-specialisten. Maar algauw keerde het bedrijfsmodel zich tegen de fundamentele gebruikers: de anesthesisten zitten gevangen in een techno-juridisch web zonder dat ze hun werk nog kunnen doen, en de patiënten hebben elke factuur maar te slikken. Iets vergelijkbaars vond plaats op de Amerikaanse huizenmarkt, na de grote crash van 2008. Private equity-firma Blackstone richtte Invitation Homes op. De bedrijfsstrategie: financieel onderwaterstaande huizen voor een prikkie opkopen en opknappen, om ze vervolgens terug te verhuren aan gezinnen, met alle platformtactieken die softwarebeheer van zowel de huizenvoorraad als de huurdersgegevens mogelijk maakten, zoals door voor elke bijkomende dienst hoge tarieven te vragen.

Met al die voorbeelden toont Wu ons een wereld waarin wij gewone mensen grote bedrijven mogen betalen voor het voorrecht om door hen uitgebuit te worden, terwijl die bedrijven zelf zich mogen wentelen in stratosferisch hoge, eeuwigdurende woekerwinsten. Wu noemt dit een wereld op weg naar een real road to serfdom. Een
ironische verwijzing naar het boek van de neoliberale econoom Friedrich Hayek: toenemende marktmacht leidt tot een ongelijke economie waar de weinige rijken de arme rest uitbuiten. Dat leidt tot ressentiment, en wanneer de democratie er niet in slaagt de oorzaak aan te pakken, leidt dat tot erosie van democratische instituties. En dat leidt tot slot weer tot dictatuur: een ‘sterke man’ die in woorden belooft de grieven van het volk aan te pakken, maar in daden alle macht, zowel economisch als politiek, naar zich toetrekt.

De architectuur van gelijkheid
Gelukkig laat Wu de lezer niet helemaal in machteloze wanhoop achter. Als het probleem van de digitale platformeconomie marktmacht is, dan is het recept om eruit te komen: marktmacht breken. Net zoals toen de Amerikaanse overheid IBM en AT&T opbrak. Maar een strenger mededingingsbeleid is slechts één van de vijf instrumenten uit de grotere gereedschapskist die Wu aanduidt als ‘de architectuur van gelijkheid’. De vier andere instrumenten zijn:

  • Neutraliteitsregels voor platforms, zoals netneutraliteit, dat internetproviders verplicht gelijke toegang voor alle internetgebruikers te garanderen
  • Tegenmacht technisch en juridisch versterken, zoals auteursrechthebbenden versterken tegen AI-modellen die getraind worden op hun werk.
  • Platforms reguleren als nutsbedrijven, bijvoorbeeld door vanuit de politiek prijslimieten op te leggen.
  • Platforms in quarantaine plaatsen, zoals door ze op te leggen dat ze slechts in één sector actief mogen zijn.

Het lijkt misschien alsof we als vliegen gevangen zitten in het web van enkele webgiganten met marktmacht. Maar we hebben eerder in de geschiedenis ons aan dit soort marktmacht ontworsteld. Tim Wu laat precies zien hoe de Big Tech-platforms hun web spinnen – en als we dat zien, kunnen we er iets aan doen.


Daniël Schut is hoofdredacteur van Idee en wetenschappelijk
medewerker bij de Van Mierlo Stichting