In het debat over democratische weerbaarheid gaat de aandacht
vaak uit naar juridische en institutionele vangrails. Minder aandacht is er voor de democratische cultuur: de houdingen, waarden en grenzen die democraten in de praktijk hanteren. Hoeveel conflict kan een democratie verdragen zonder zichzelf te ondermijnen?
door Yannou Tamis
Na slechts een korte kabinetsperiode van rechts- tot radicaalrechtse signatuur, kent de Staten-Generaal nog steeds een zorgwekkend hoog aantal zetels op de rechts-populistische flank. Dat er op korte termijn een minderheidskabinet aantreedt zonder partijen als PVV, BBB en JA21, betekent dan ook niet dat radicaalrechtse risico’s zijn geweken. Kabinet-Schoof heeft diepe wonden geslagen in het vertrouwen van de samenleving in de politiek: teleurgestelde kiezers die hun hoop hadden gevestigd op Wilders en nieuwe Nederlanders en mensen van kleur die zijn weggezet en gediscrimineerd. Aan de overkant van de oceaan pleegt de regering-Trump openlijk geweld
tegen haar burgers, terwijl het internationaal recht herhaaldelijk met voeten getreden wordt. Dit onderstreept dat democratie en rechtsstaat geen vanzelfsprekendheid zijn. De noodzaak om ons
tegen antidemocraten te weren, neemt snel toe.
In reactie op antidemocratische en antirechtsstatelijke tendensen klinkt dan ook vaak de roep om een weerbare democratische rechtsstaat, waarin ‘vangrails’ institutioneel zijn verankerd. Daarbij
wordt gedacht aan normerende wet- en regelgeving voor politieke partijen, om te waarborgen dat zij zelf democratische kernwaarden respecteren, maar ook aan de mogelijkheid om expliciet antidemocratische partijen te verbieden. Ook de bevoegdheden en positionering van de rechterlijke macht worden in dit verband regelmatig heroverwogen, bijvoorbeeld door constitutionele toetsing
mogelijk te maken, of door de rechterlijke macht een eigen onafhankelijke begroting toe te kennen.
Accentverschuiving: democratie als cultuur
Aan voorstellen om de democratie en rechtsstaat institutioneel te beschermen, is het debat dus bepaald niet arm. Binnen het weerbaarheidsdebat ontbreekt het echter aan aandacht voor democratische waarden en democratische cultuur. Naast ‘hardere’ juridische instrumenten wordt weliswaar ook gesproken over investeringen in het tegengaan van discriminatie of het versterken
van burgerschap; maar hoe daar concreet handenen voeten aan wordt gegeven, blijft vaak onduidelijk. De instituties van de democratische rechtsstaat staan immers niet op zichzelf: zij ontlenen
hun betekenis en legitimiteit aan de mensen die ze dragen en in de praktijk brengen. Wanneer de waarden waarop democratie en rechtsstaat rusten niet breed gedeeld en gedragen worden, verliezen
zij aan kracht. Zelfs als een wet of institutie formeel blijft bestaan, kan de intrinsieke betekenis allang zijn uitgehold.
De democratische cultuur waarin mensen functioneren is dus belangrijker voor een weerbare democratische rechtsstaat dan de instituties; in het bijzonder hoe democraten zich gedragen, wat voor houding zij aannemen, welke waarden zij vanzelfsprekend achten en welke grenzen zij stellen aan een politiek conflict. Kortom: welke
invulling van democratisch ethos beschermt onze democratische en rechtsstatelijke cultuur tegen die van de antidemocraat? Laten we in dat kader enkele democratische figuren uitlichten. Allen vertegenwoordigers van een eigen democratische houding, maar met één ding gemeen: ze omarmen op hun eigen manier het pluralisme dat de democratie en rechtsstaat eigen is.
de consensuszoeker
op zoek naar rationele communicatie
De eerste is de consensuszoeker: deze democraat volgt het denken van de bekende Duitse socioloog en filosoof Jürgen Habermas. In deze benadering handelt de democraat vanuit rationele deliberatie:
politici (of burgers) gaan met elkaar in gesprek, om met rationele argumenten tot politieke oplossingen te komen. Politiek conflict wordt hier opgevat als iets dat, mits goed gefaciliteerd, kan worden opgelost door een redelijk gesprek. Politiek is gericht op het sluiten van compromissen. Op het idee dat mensen, als ze op rationele wijze
met elkaar blijven communiceren, tot gezamenlijke, gedragen, redelijke besluiten kunnen komen.
De houding van de consensusdemocraat kent echter, hoe redelijk ook, risico’s. Wanneer de politiek zichzelf hoofdzakelijk begrijpt als een mechanisme om op rationele wijze problemen op te lossen, dreigt zij te verschuiven in de richting van technocratie. Politieke tegenstellingen worden door de consensuszoeker gereduceerd tot
beheersvraagstukken, terwijl emoties en identiteit niet of onvoldoende worden erkend. Illustratief is de politiek-culturele omslag binnen Nederland begin eenentwintigste eeuw: na twee decennia van relatief zakelijke, consensusgerichte politiek
onder de kabinetten Lubbers en Kok, richtte het discours van de plotseling opgekomen Pim Fortuyn zich expliciet tegen deze technocratische en depolitiserende bestuursstijl.
de strijder
conflict als democratische motor
Wellicht kan een tweede democratische figuur ons helpen: de bevlogen strijder. Bij deze agonistische democraat, gebaseerd op het denken van de Belgische politiek-filosoof Chantal Mouffe, staat niet de consensus als oplossing van politiek conflict, maar het conflict zélf centraal. Deze democraat vat de politieke arena op als een permanent strijdtoneel, waarin tegenstellingen moeten worden gearticuleerd en belangen zichtbaar worden gemaakt. De strijder staat op de barricade, houdt stevige toespraken en mobiliseert diens achterban. Strijd en conflict zijn voor deze democraat de motor van de democratie.
Ook deze houding brengt echter risico’s met zich mee. Wanneer de bevlogen strijder het politiek conflict verregaand opvoert, dreigt ook datgene wat als onbetwistbaar en gemeenschappelijk kader zou moeten fungeren tot inzet van conflict te worden gemaakt. Wanneer de democratische rechtsstaat zélf expliciet wordt gepolitiseerd, verandert zij van een gedeelde normatieve en culturele voorwaarde voor politieke strijd in iets waar men vóór of tegen kan zijn. We zien waar het toe kan leiden: oproepen tot ongehoorzaamheid van lokaal bestuur vanwege de bouw van een AZC of twijfel zaaien over de onpartijdigheid van rechters. Het ondermijnt de kaders waarbinnen
de democratie en rechtsstaat vorm krijgen.
de bevlogen verhalenverteller
verbeeldingskracht en solidariteit
Dan is er nog de bevlogen verhalenverteller. Deze democraat, geleend van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty, noemen we de liberale ironicus. Deze figuur wantrouwt iedere aanspraak op absolute waarheid of universele moraal en erkent daarmee uitdrukkelijk de fundamentele contingentie van diens eigen overtuigingen. Politieke en morele opvattingen – ook die van de liberale ironicus zélf – zijn historisch gegroeid en tijdelijk. Deze democraat bedrijft politiek door empathie en verbeeldingskracht; de liberale ironicus vertelt verhalen,
wekt morele verontwaardiging en probeert het publiek gevoelig te maken om vormen van wreedheid en uitsluiting als problematisch te ervaren. Het doel is niet om consensus af te dwingen of strijd te voeren, maar om solidariteit te cultiveren. Democratische verbondenheid ontstaat uit het vermogen om zich in de ander te verplaatsen.
Maar juist daarin schuilt direct de kwetsbaarheid van dit democratisch ethos. Wanneer immers alle overtuigingen contingent zijn, erkent deze democraat expliciet dat er geen absoluut fundament bestaat dat democratie verdedigt tegen haar vijanden, anders dan dat het een opening biedt tot solidariteit. Geen enkele maatschappelijke ordening kan aanspraak maken op morele superioriteit, dus ook (en dat erkent de liberale ironicus) de democratische rechtsstaat niet. Natuurlijk zal deze figuur altijd vol beroering en hartstocht pleiten vóór democratische vrijheden en tégen de antidemocraat. Maar dit pleidooi krijgt nooit een logische, dwingende kracht.
de populist
mobilisatie zónder pluralisme
Een personage in het democratische bestel dat in tegenstelling tot voorgaande figuren uitdrukkelijk géén pluralisme omarmt, is de populist. Deze politicus appelleert aan de idee van ‘het volk’ tegen ‘de elite’. Een populistisch politicus zegt namens het volk te spreken, en bepaalt zelf wie daartoe behoort en wie niet. Daarmee heeft de populist enorme mobiliserende kracht – maar helaas wel altijd ten koste van een andere groep.
Tegen die achtergrond lijkt het op het eerste gezicht tamelijk onverstandig om als democraat een populistisch discours in te zetten. Wie zich beroept op het volk tegenover de elite, lijkt immers zijn fundamentele commitment aan pluraliteit en onbepaaldheid op te geven. De politieke ervaringen van de afgelopen kwarteeuw bieden ruimschoots aanleiding voor de gedachte dat populisme een gevaar kan vormen voor de liberale democratie. In tal van landen hebben (rechts-) populistische leiders democratische instituties uitgehold, pluralisme ondermijnd en de rechtsstaat onder druk gezet. Het wekken van wantrouwen in de politieke ‘gevestigde orde’ en het wegzetten van bepaalde bevolkingsgroepen, vormt een structureel risico voor het functioneren van de liberale democratie.
Populisme als tijdelijke democratische strategie
Toch dwingt de politieke tijd waarin we leven democraten wellicht tot een stukje machiavellistisch realisme. Democratie onder druk rechtvaardigt de inzet van populistisch discours, namelijk vanwege de noodzaak tot bescherming van onze democratische cultuur: die van een open samenleving, waar onbepaaldheid wordt verdragen en pluraliteit wordt omarmd. En waaraan uiteenlopende democratische stemmen een plaats krijgen: consensuszoekers, strijders, verhalenvertellers en andere democratische figuren. Deze populistische democraat mag dus claimen in naam van het gehele volk te spreken en de polarisatie stevig opzoeken; de onderbuik van de burger mag dan worden opgezocht.
De inzet van populisme stelt echter een strikte voorwaarde. De claim ‘wij representeren het volk’ kan binnen een pluralistische democratie slechts gelegitimeerd zijn als tijdelijke tactiek, niet als blijvende houding; uitsluitend om democratisch-cultureel draagvlak te herstellen wanneer dat dreigt weg te vallen. Tijdelijk wordt ‘ons
democratische volk’ weerbaar gemaakt tegen een ‘populistische elite’. Dat vraagt om een politicus die populistisch kan spreken en een democratisch volk kan mobiliseren, maar die ook in staat is dat
discours weer los te laten. Ook de veronderstelde ‘elite’ maakt zodra het kan weer deel uit van het volk – democratie is immers van iedereen. Hoe dan ook legt dit uitzonderlijk hoge eisen bij de persoon van de politicus. Het vergt behalve grote retorische gaven ook het vermogen om tijdig terug te schakelen van populistische mobilisatie naar ‘gewone’ democratische routine.
Hoeveel conflict kan een democratie verdragen? Het antwoord luidt dus: veel, zelfs in populistische vorm, maar nooit blijvend. Democratische actoren kunnen scherpe tegenstellingen verdragen, hevige mobilisatie toelaten en tijdelijk populistische tactieken inzetten, zolang zij in staat blijven om daarvan terug te keren en de pluraliteit van de democratische cultuur opnieuw te omarmen.
Yannou Tamis is wetenschappelijk medewerker
bij de Van Mierlo Stichting
Een weerbare democratische cultuur
Beeld: Van Mierlo Stichting