Door Afke Groen
Het is een eer om hier vandaag te staan, op Internationale Vrouwendag. Maar ik zal het u ook eerlijk zeggen. Soms word ik een beetje opstandig van het idee dat we voor allerlei afzonderlijke groepen in de samenleving speciale dagen moeten organiseren. Ik geloof immers in de morele gelijkheid van álle mensen: vrouw, man, queer, kind, adolescent, senior, met een fysieke beperking of een verstandelijke, zwart of wit, dik of dun, heteroseksueel of homoseksueel, academisch of praktisch geschoold. De ene mens is nooit meer of minder waard dan de andere mens. Gewoon, omdat we mens zijn.
De dichter Hans Andreus schreef er eens een liefdesgedichtje over: “Je bent zo mooi anders dan ik, natuurlijk niet meer of minder, maar zo mooi anders.”
En toch heb ik duidelijk ‘ja’ gezegd om hier vandaag te spreken. Omdat ik zie hoe we in de samenleving van vandaag worstelen met de verschillen tussen mensen, met de reële verschillen die er zijn. We denken dat onze verschillen ons scheiden. We hebben verwachtingen van mensen, van anderen, op basis van de groep waartoe ze behoren. Vaak zelfs oordelen. En veel te vaak zijn verschillen scheidslijnen tussen mensen: mensen met bepaalde kenmerken zouden beter of slechter zijn dan mensen met andere kenmerken.
Ik geloof dat een samenleving pas rechtvaardig is als zij de morele gelijkheid van alle mensen weerspiegelt, met al hun verschillen. Dat vraagt dat we elkaar leren zien als ‘mooi anders’. En dat we leren dat onze kracht juist ligt in verschillen – in verschillende ervaringen, perspectieven en verschillende kwaliteiten. Als we die verschillen benutten, kunnen we onze gezamenlijke doelen bereiken: een vrije, gelijke en democratische samenleving. En dan is er nog veel werk te doen. Niet in de laatste plaats als het gaat om de gelijke vrijheid van vrouwen en mannen.
Om te begrijpen hoe ver we gekomen zijn en hoeveel werk er nog te doen is, wil ik eerst met jullie teruggaan in de tijd, daarna stilstaan bij het heden, en tot slot bouwen aan de toekomst.
En ik zeg bewust: met jullie. Want als u dacht dat u hier drie kwartier rustig zou zitten luisteren, dan wordt het vanmiddag nog leuker dan u had gedacht. Ik ga u namelijk ook vragen om iets te vertellen. Ik kan u namelijk wel vertellen over mijn ervaringen, en die van mijn moeder, mijn oma’s en zelfs van mijn overgrootmoeder die ik nog lang heb gekend, maar er bestaat natuurlijk niet zoiets als dé ervaring van de vrouw. Onze ervaringen zijn niet hetzelfde, maar verschillend, gevormd door afkomst, leeftijd, klasse en identiteit. Als we echt het verschil willen maken, moeten we zoveel mogelijk ervaringen de ruimte geven.
Goed. Verleden, heden en toekomst. Laten we bij het begin beginnen.
De Britse classica Mary Beard herinnert ons eraan: “Vrouwen in het Westen hebben een hoop te vieren, laten we dat niet vergeten.” Zij heeft natuurlijk gelijk. En haar uitspraak doet mij denken aan het leven van mijn overgrootmoeder. Wij noemden haar oma Harteveld, maar haar eigen naam was Schipper. Ze werd geboren in het westen van het land, ergens tussen Rotterdam en Den Haag, in het jaar 1909 – hetzelfde jaar als de latere koningin Juliana.
Mijn oma Harteveld werd bijna honderd jaar. Ze overleed in 2006, toen ik vijftien was. Vijftien jaar lang leefden wij dus in dezelfde wereld. Maar de positie van vrouwen in mijn wereld was fundamenteel anders dan in de wereld van mijn oma, toen zij vijftien was. In nog geen eeuw tijd veranderde een wereld voor vrouwen in het Westen, in Nederland.
Dat was het werk van vrouwen en mannen die handelden vanuit de overtuiging dat vrijheid actie vereist. Dat de strijd voor een vrije, gelijke en democratische samenleving politiek en maatschappelijk handelen vraagt. Uit de geschiedenisboeken herinneren we ons vaak vooral de namen van mannen, en een handvol vrouwen, zoals Aletta Jacobs, de eerste vrouw die ging studeren en arts werd.
Maar die herinnering strookt niet met hoe de eeuw van de vrouw tot stand kwam. Want er zijn er ontzettend veel geweest, uit verschillende lagen van de bevolking, die ieder op hun eigen manier hun idealen van vrijheid, gelijkheid en democratie vormgaven.
Vrouwen zoals Betsy Bakker-Nort, die haar leven wijdde aan gelijke rechten voor mannen en vrouwen in de wet. Bakker-Nort was een gestudeerde vrouw. Ze promoveerde in 1914 aan de universiteit op een kritisch proefschrift over de ondergeschikte positie van getrouwde vrouwen en werd in 1922 het eerste vrouwelijke Kamerlid voor de Vrijzinnig-Democratische Bond, een progressieve, sociaal-liberale partij.
Als Kamerlid voerde ze hardnekkig de strijd voor de afschaffing van de juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen. Die handelingsonbekwaamheid betekende bijvoorbeeld dat vrouwen hun man om toestemming moesten vragen als ze inkopen wilden doen. Ze konden geen bankrekening openen, of zonder toestemming op reis. Want, zo was de gedachte, in een huwelijk kan er maar één de baas zijn en de macht hebben om beslissingen te nemen. En dat was de man, als het sterkere, dominante geslacht. Betsy Bakker-Nort was een joodse vrouw. Eind december 1942 werd ze gedeporteerd naar Westerbork. Ze werd uiteindelijk bevrijd uit kamp Theresienstadt, maar overleed een jaar later.
De strijd voor gelijke vrijheid werd wereldwijd gevoerd. Door vrouwen zoals Raden Adjeng Kartini. Zij was een invloedrijke Indonesische feministe uit een adellijke Javaanse familie. Onder het Nederlands koloniaal bewind streed zij voor onderwijs en gelijke rechten voor vrouwen. In brieven en in tijdschriften bekritiseerde ze gedwongen huwelijken en het gebrek aan onderwijs voor meisjes. Kartini vond de beperkingen voor Javaanse vrouwen onrechtvaardig en geloofde dat onderwijs de sleutel was tot hun vrijheid en zelfstandigheid.
Zelf wilde ze naar Nederland om een opleiding tot onderwijzeres of vroedvrouw te volgen. Ze kreeg daar zelfs een beurs voor. Maar door tegenstand van haar familie ging die reis niet door. In plaats daarvan begon ze een klein schooltje aan huis voor de dochters van haar vaders staf. In 1903 trad ze in een gearrangeerd huwelijk met het hoofd van het district Rembang. Een jaar later stierf Kartini, door complicaties bij de geboorte van haar eerste kind. Ze was 25 jaar oud.
De strijd voor gelijke vrijheid van vrouwen werd ook gevoerd via maatschappelijk initiatief. Door vrouwen als Helena Mercier, uit Amsterdam. Vandaag is er nog een straat naar haar vernoemd. Mercier was een pionier op het gebied van maatschappelijk werk. Ze maakte zich in het bijzonder sterk voor de positie van arbeiders, en ze pleitte voor betere opleidingsmogelijkheden voor vrouwen. Ze nam bijvoorbeeld het initiatief om in de Amsterdamse Jordaan, voor de arbeiders van de Suikerfabriek, een volkskeuken op te richten – de eerste in z’n soort. En om iets te doen aan de verkrotting in de stad, de slechte huisvesting waarin mensen woonden, nam ze deel in de oprichting van de Bouwonderneming Jordaan.
“Vrouwen in het Westen hebben een hoop te vieren, laten we dat niet vergeten.” Het is met dank aan de moed en verbeeldingskracht van vrouwen zoals Betsy Bakker-Nort, Raden Adjeng Kartini en Helena Mercier.
En tegelijkertijd weten we hoe hardnekkig de patronen zijn, hoe ‘diepgeworteld’, ook in de woorden van Mary Beard, de mechanismen. Bakker-Nort streed jarenlang voor de afschaffing van de juridische handelingsonbekwaamheid van getrouwde vrouwen, al in de jaren 1920. Maar die afschaffing kwam er pas toen mijn oma Harteveld, mijn overgrootmoeder, al bijna vijftig was en al een groot deel van haar leven getrouwd: in 1956. En pas in 1970, toen ook mijn beide oma’s, geboren in de jaren dertig, al lang en breed getrouwd waren, werd de bepaling geschrapt dat de man het hoofd vormt van de echtvereniging.
Mijn moeder krijgt nog het vuur in haar ogen als ze vertelt hoe ze, pas getrouwd, naar het gemeentehuis ging om het zinnetje ‘echtgenote van’ uit haar paspoort te laten halen. Het stond namelijk wel bij haar, maar niet bij haar echtgenoot, mijn vader. En dat vond ze oneerlijk. Ze moest ervoor betalen. Geld had ze weinig. Maar ze deed het toch.
Mijn moeder, geboren in de jaren zestig, was de eerste vrouw in onze familie die verder kon leren. Ze werd onderwijzer. Toen wij kwamen, haar kinderen, stopte ze eerst met werken. Maar zo’n tien jaar later ging ze toch weer aan de slag. Het is altijd haar grote trots geweest dat ze haar eigen geld verdient. Tegelijkertijd heeft het haar ook gefrustreerd dat haar status regelmatig werd bevraagd.
De dichter, schrijver en zwarte feminist Audre Lorde leert ons dat seksisme betekent: “Het geloof in de morele superioriteit van één sekse, die daarmee het recht op dominantie verwerft.”
Voordat we stilstaan bij hoe dat er vandaag uitziet, wil ik jullie uitnodigen om jullie eigen ervaringen te delen – en die van jullie moeders, oma’s en andere voormoeders. Welke vrouw uit jullie familie heeft jullie gevormd? En wat vertelt haar verhaal over de positie van vrouwen in haar tijd?
Al deze verhalen laten horen hoe verschillende ervaringen kunnen zijn, en tegelijkertijd hoeveel patronen en mechanismes we herkennen, van uitsluiting, van onderdrukking en van onwetendheid. Van het gebrek aan aandacht voor verschil, en voor het recht op de gelijke vrijheid van mensen.
We weten ook dat deze patronen vandaag nog doorwerken. In de afgelopen week, in aanloop naar de Internationale Vrouwendag, was daar regelmatig aandacht voor in de media. Voor geweld tegen vrouwen. Voor verschillen in gezondheid en in de zorg die vrouwen krijgen – en die ze niet krijgen. Voor het feit dat vrouwen gemiddeld nog altijd minder verdienen voor hetzelfde werk. En dan hebben we het over de gemiddelden. Want als je een laag inkomen hebt, of als je van kleur bent, dan is de uitsluiting en ongelijkheid nog groter. Zo zitten vrouwen vaker en langduriger in de bijstand dan mannen.
En soms zit ongelijkheid niet in de grote systemen of in gemiddeldes, maar in de kleine regels waar misschien niet zo goed over is nagedacht. Sinds een paar jaar is het in Nederland bijvoorbeeld mogelijk om een kind twee achternamen te geven: die van beide ouders. Mijn ouders hadden dat geweldig gevonden. Ze wilden ons eigenlijk de achternaam van mijn moeder geven, maar dat kon in het grootste deel van de jaren negentig nog niet – pas sinds 1998. Een goede vriendin van mij wilde gebruikmaken van de nieuwe wet voor twee achternamen. Maar daarvoor moest ze binnen drie dagen na de bevalling persoonlijk naar het gemeentehuis komen. Dus daar ging ze. Met hangen en wurgen, en de tranen in de ogen.
Ook hier kan ik natuurlijk voorbeelden delen. Maar misschien zien of ervaren jullie dat wel op heel andere plekken. Waar komen jullie zulke uitsluiting en ongelijkheid tegen? Wat raakt jullie daarin of maakt jullie boos? Wie wil er iets delen?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat dit ook mannen raakt. In zijn nieuwste nummer zingt de rapper Typhoon daarover: “Echte mannen huilen niet, maar zie me leeg zijn.” Ook Audre Lorde schrijft hierover, als het gaat over haar zoon. Wanneer mannen leren om hun gevoelens te onderdrukken, hebben ze vrouwen nodig om hun emoties voor hen te dragen. Tegelijkertijd worden vrouwen juist om die gevoeligheid minder serieus genomen. Zo beperken deze patronen uiteindelijk iedereen.
Ik kom tot het slot. Als ik denk aan mijn oma Harteveld, mijn oma’s Riet en Gerry, en aan mijn moeder, dan zie ik hoe in een eeuw een wereld kon veranderen. De eeuw van de vrouw, zoals schrifjster Suzanna Jansen zegt. Het was met dank aan al die mensen die geloofden dat vrijheid actie vraagt. Die brieven schrijven, zich organiseerden en hun omgeving veranderden. Soms in hun kleine wereld. Soms in de grote wereld van wetten en regels.
Audre Lorde noemde seksisme het geloof dat één sekse van nature superieur is en daarom het recht heeft om te domineren. Ze wees er terecht op dat we dat mechanisme ook op andere plekken zien. Wanneer mensen denken dat macht mannen toekomt omdat ze man zijn. Of omdat ze hetero zijn. Om omdat ze wit zijn. Of rijk. Of diploma’s hebben. Alsof macht een beloning is voor wie je bent of wat je hebt.
Terwijl een vrije, gelijke en democratische samenleving begint bij het tegenovergestelde idee: dat niemand meer of minder is dan een ander.
Als ik denk aan mijn nichtje en de kinderen van mijn familie en vrienden, dan hoop ik dat ze zullen opgroeien in een wereld waarin verschil tussen mensen niet wordt ontkend én niet wordt gebruikt om mensen op hun plaats te zetten. We kennen de gevolgen daarvan. Dat kunnen we ons niet veroorloven. Ik strijd voor een wereld waarin we verschillen kunnen zien voor wat ze zijn, namelijk, in de woorden van Hans Andreus: “zo mooi anders, maar natuurlijk niet meer of minder”. En ik hoop dat jullie meedoen.
Want, in de woorden van mijn favoriete filosoof Alicja Gescinska: “vrijheid is politiek, politiek is actie en actie is beginnen.”