Hans van Mierlo, de man van de krankzinnige avonturen

11 maart was het zestien jaar geleden dat Hans van Mierlo overleed. Maar zijn stem is altijd nog bij ons. Niet alleen figuurlijk, omdat de partij die hij oprichtte, D66, dit jaar haar zestig-jarig jubileum viert. Maar ook letterlijk, want zijn bedachtzame, charismatische stem spreekt nog steeds tot ons, uit de archieven.

Zoals hier, in een marathoninterview van Henk van Hoorn van de VPRO, uitgezonden op 6 juli 1989, te beluisteren op onder andere Spotify.

Wat opvalt bij het naluisteren van deze podcast avant la lettre is hoe ontzettend veel de Nederlandse politiek aan de oppervlakte is veranderd, maar hoe ontzettend veel er structureel in de diepte hetzelfde is gebleven.

Wat aan de oppervlakte veranderd is, blijkt alleen al uit de toon en opzet van dit interview. Hans van Mierlo spreekt ruim vier uur lang met politiek journalist Henk van Hoorn, in een bedaagd tempo, zonder edits tussendoor. De beiden heren schenken regelmatig een glaasje fris voor elkaar in (geen bier, zegt de toch wel enigszins waakzame Van Mierlo), en regelmatig klinkt het tsk-tsk-tsk van een aansteker.
Wat oppervlakkig bezien ook veranderd is, is de positie van D66 in het politieke bestel. Henk van Hoorn betwijfelt of de sociaal-liberale democraten wel enig bestaansrecht hebben – Van Mierlo verzekert hem van wel. Dan vraagt Van Hoorn of de sociaal-liberale democraten wel zonder hun oprichter kunnen – Van Mierlo verzekert hem van wel. Dan vraagt Van Hoorn wat D66 toevoegt tussen de conservatief-liberale VVD en de sociaal-democratische PvdA – en Van Mierlo legt het hem omstandig uit. Anno 1989 was de politieke partij D66 voor journalisten een lastig te plaatsen fenomeen – iets wat anno 2026, nu D66 de minister-president heeft geleverd, misschien niet meer zo is.
Maar misschien ook wel, want luister verder naar het interview en ontdek hoe HAFMO twee ogenschijnlijk ver uit elkaar liggende programmapunten moeiteloos met elkaar weet te verbinden: D66 staat aan de ene kant voor staatsrechtelijke vernieuwing, en wil aan de andere kant een progressieve volkspartij zijn. Staatsrechtelijke vernieuwing is voor de buitenwacht altijd iets abstracts, iets ivoren-toren-achtigs geweest: wat had de abstracte analyse van het kies- en zuilenstelsel in het Appèl van 1966 nou te maken met de problemen waar, zoals men het tegenwoordig zegt ‘de hardwerkende Nederlander’ mee te maken heeft?

Heel veel, zegt Van Mierlo. Zowel in 1966, als in 1989 gold: “de politiek is de greep kwijt op de bureaucratie, en de bureaucratie is de greep kwijt op de werkelijkheid”. Alsof Van Mierlo op die hete zomeravond in 1989 de toeslagenaffaire voorvoelde. De dieperliggende oorzaak van dit probleem ligt onder andere in de ontransparante wijze waarop de regering voortkomt uit de controlerende macht, het parlement. Door coalitiedwang verzandt de parlementaire controle al snel in gesprekken over ‘poppetjes’: wie zei wat tegen wie, wie kan nog met wie door één deur, wie valt wie af? En daardoor is de politiek al snel niet meer bezig met waar ze voor is. In de woorden van Van Mierlo: “het dagelijks lot van de mensen verbeteren”.

Oftewel: juist door hoe het systeem is ingericht, en de politieke cultuur die daaruit voortvloeit, kan de politiek niet goed luisteren naar de mensen buiten de Haagse bubbel. En dit is dus één van de dingen die onderliggend lange tijd hetzelfde bleef: het systeem en de politieke cultuur. Een van de manieren waarop de luisteraar dat merkt, is aan de vragen die Henk van Hoorn stelt over actuele kwesties: ook al weet de luisteraar niet meer precies wat er in 1989 speelde rondom abortus-wetgeving, of wat de RSV-enquete was, de luisteraar herkent wel het politieke spel dat de partijen spelen, en de vragen die de journalist stelt. Keer op keer laat Van Mierlo merken dat hij dat spel eigenlijk irrelevant vindt: het gaat hem écht om de inhoud. En keer op keer komt Van Hoorn erop terug.

Maar let op de verleden tijd: het systeem en de politieke cultuur blééf heel lang hetzelfde – maar keerde toch langzaam als een supertanker door zijn invloed. Want vijf jaar later zou Van Mierlo met Paars-I voor het eerst sinds 1918 een kabinet zonder confessionele partij vormen – een significante breuk in de politieke cultuur. En 37 jaar later zou zijn partij het aandurven om de vastgelopen coalitiepolitiek te overstijgen met een minderheidskabinet.

Toen Van Mierlo D66 oprichtte, zei hij dit het begin was van een krankzinnig avontuur. In 1989 hoorden we dat hij er nog net zo radicaal-democratisch en progressief instond als 23 jaar daarvoor. En nu zijn woorden opnieuw horen in 2026, weten we: dit is nog lang niet het einde, zelfs niet het begin van het einde, maar misschien wel: het einde van het begin van het krankzinnige avontuur dat Hans van Mierlo destijds begon.