Boekrecensie – Trust: The social virtues and the creation of prosperity

Lees hier het pdf van dit artikel. Francis Fukuyama verwierf in 1989 bekendheid met zijn The End of History? waarin hij de ideologische overwinning van de westerse liberale democratie beargumenteerde. Alhoewel dit artikel stevig werd bekritiseerd en wellicht door de geschiedenis is ingehaald, bevat het daaropvolgende boek Trust uit 1995 nog steeds een aantal interessante inzichten. Vooral nu in crisistijd. Door Coen Brummer Gedurende de laatste tweehonderd jaar heeft een aanzienlijk aantal economen geprobeerd de economische wetenschap te verheffen tot het niveau van de natuurwetenschappen: meetbaar en toetsbaar, met universele wetten. Maar echt lukken wilden die pogingen niet. Toegegeven, in de meeste gevallen daalt de vraag naar een product als de prijs stijgt, maar in de economische geschiedenis kunnen eenvoudige weerleggingen van de universaliteit van dergelijke ‘wetten’ worden gevonden. Economie is dus meer dan een spel tussen ‘rationele actoren’ die ‘nutmaximalisatie’ nastreven. Dit besef ligt ten grondslag aan Trust; The social virtues and the creation of prosperity (1995), een boek waarin de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama de stelling uitwerkt dat juist culturele factoren, in het bijzonder de mate van vertrouwen in een samenleving, grote invloed hebben op de welvaart en economische groei van een staat. Zijn these in een notendop? Hoe meer vertrouwen burgers in elkaar hebben, hoe groter de kans op welvaart en groei. Het einde van de geschiedenis Fukuyama verwierf bekendheid door in de zomer van 1989, kort voor de val van de Berlijnse Muur, het essay The End of History? te publiceren. In het essay beargumenteerde hij dat met het naderende einde van de Koude Oorlog de intellectuele strijd om de beste samenlevingsvorm definitief was beslecht. De liberale democratie, met haar individuele grondrechten en vrije markteconomie, was superieur gebleken: ‘What we may be witnessing is […] the end point of mankind’s ideological evolution and the universalization of Western liberal democracy as the final form of human government.’ Met Trust bouwt hij voort op deze these. Nu de wereld in toenemende mate zal bestaan uit kapitalistische democratische staten en dus institutioneel gezien uniformer wordt, is het belangrijk om de bestaande culturele verschillen te begrijpen en de gevolgen hiervan te onderzoeken. Sociaal kapitaal Fukuyama onderzoekt twee soorten samenlevingen. Low trust societies, zoals China, Frankrijk en Italië, kenmerken zich door het feit dat hun inwoners weinig vertrouwen hebben in landgenoten buiten hun eigen familiekring. De oorzaak van een dergelijk gebrek aan vertrouwen kan worden veroorzaakt door tradities, religieuze overtuigingen of historische ontwikkelingen, zoals een sterk centralistisch ingestelde overheid. In high trust societies is er meer vertrouwen tussen burgers onderling. Landen als de Verenigde Staten, Duitsland en Japan beschikken over een netwerk van tradities en gewoonten waarin ‘sociaal kapitaal’ wordt opgebouwd: er is sprake van een bloeiende civil society en er heerst een sterker gevoel van verbondenheid. Dit verschil in vertrouwen, zo stelt Fukuyama, is medeverantwoordelijk voor de potentiële economische groei. Samenlevingen met voldoende sociaal kapitaal zijn creatiever en innovatiever, omdat burgers zich spontaner en in uiteenlopende verbanden kunnen organiseren. Burgers in samenlevingen met relatief weinig sociaal kapitaal organiseren zich slechts op basis van formele regels, vaak geïnitieerd door de staat. En dat kost niet alleen meer tijd en geld, maar heeft ook gevolgen voor de inrichting van de economie. Fukuyama beschrijft hoe low trust societies vaak gekenmerkt worden door veel kleine familiebedrijven en een handvol grote, vaak bureaucratische staatsbedrijven. High trust societies laten juist een gezonder beeld zien: er worden volop private ondernemingen gestart, waarvan een relatief groot aantal kan uitgroeien tot middelgrote en grote bedrijven. Met deze theorie plaatst Fukuyama zich in een traditie van denkers die het belang van de civil society verdedigen, iets wat we in Nederland het ‘maatschappelijk middenveld’ zouden noemen. Zo dacht de Franse negentiende-eeuwse filosoof Alexis de Tocqueville dat de Verenigde Staten hun veerkracht ontleenden aan hun talent voor het vormen van associaties. Socioloog Emile Durkheim vond dat organisaties die de burger bij het sociale leven zouden betrekken essentieel waren voor het overleven van een natiestaat. En nog niet zo lang geleden publiceerde de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam Bowling Alone: The Collapse and Revival of American Community, een werk waarin hij waarschuwde voor de negatieve gevolgen van het verval van het Amerikaanse verenigingsleven. De stelling dat een sterke civil society bijdraagt aan de kwaliteit van leven in een land, en wellicht ook aan een florerend economisch klimaat, lijkt dus breed aanvaard. Kritiek Toch is er ook kritiek op Fukuyama’s these. Al in het publicatiejaar van Trust schreef het Britse weekblad The Economist dat Fukuyama’s vertrekpunt - sociale factoren zijn van invloed op de economie - weliswaar voor de hand lag, maar dat zijn these hoogstwaarschijnlijk incorrect was. Er zijn immers vele uitzonderingen te bedenken op zijn onderzoek. Zo pretendeert Fukuyama met China een klassiek voorbeeld van een low trust society te hebben gevonden, met bijbehorende economische problematiek. Maar China heeft al jaren een economische groei van rond de tien procent. En, zo voegde The Economist er aan toe, ‘not, it seems, because of a sudden outbreak of trust.’ Hoewel Fukuyama China’s (toenmalige) groei wel degelijk probeert te verklaren, onder meer door deze toe te schrijven aan haar relatieve achterstandspositie en aan buitenlandse investeringen, blijft de vraag onbeantwoord hoe belangrijk de factor vertrouwen nu precies is. Een ander veelgehoord punt van kritiek is dat het tamelijk ongeloofwaardig is dat het binair opdelen van landen in low en high trust societies een werkbaar model oplevert met eenduidige uitkomsten. Hoewel Trust is geschreven vanuit het perspectief van de veel bekritiseerde End of History-these en daardoor duidelijk een product van zijn tijd is, biedt het echter ook tegenwoordig nog interessante inzichten. Allereerst omdat het een scherp pleidooi is voor economie als brede wetenschap. Economen zouden niet slechts vanuit hun rationele modellen naar de wereld moeten kijken, maar moeten ook oog hebben voor de sociale en culturele kant van hun vakgebied. Met de financiële en economische crisis van de eenentwintigste eeuw is dit besef weliswaar wijder verspreid dan ten tijde van de publicatie van Trust, maar nog altijd is de factor cultuur ondergewaardeerd in de economische wetenschap. Daarnaast biedt Trust, zoals Fukuyama zelf stelt, een waarschuwing: de casussen die in het boek zijn omschreven tonen aan dat het voor overheden eenvoudig is sociaal kapitaal te vernietigen door centralisatiedrang en overvloedige regelzucht, terwijl het opnieuw opbouwen ervan erg lastig is. Omdat een verzorgingsstaat in crisis, die zich de komende jaren zal moeten herbezinnen op de vraag wat haar voornaamste taken zijn, niet zonder het zelforganiserend vermogen van burgers kan, is deze waarschuwing onverminderd actueel.   Coen Brummer is afgestudeerd als historicus en volgt een research master ‘history and philosophy of science’.   Heeft dit artikel uw interesse gewekt? Klik hier voor meer info en abonnementen. -- Dit artikel verscheen in idee nr. 2 2012: Vertrouwen, tussen vrijheid en controle, en is te vinden bij de onderwerpen literatuur en cultuur.