Ik was ineens onzichtbaar

Ik zal me voorstellen. Ik ben Sara, zit in groep 7 en ben het liefst ongezien. En ik praat heel veel in mezelf. Net zoals nu en nu en nu en… sorry! Dus  voorstellen, nou ik… Weetje, de rest ontdek je wel. Trinnnggg! ‘De bel’! Ik ren de klas uit, pak mijn tas en ren de school uit. Ik pak mijn fiets en race naar mijn oma’s huis. Oma zit in de tuinstoel. ‘Hallo’! Ik ga ook zitten, pak een koekje en begin meteen te vertellen. Let op! Dit is het verhaal. Ik zit op school en we doen drama. [Het stomste vak.] Nu gaan we een pestkop nadoen, zegt de juf. Sara, kom jij maar naar voren.
Waarom kiest ze mij! Danny kan dat veel beter! Nee, hé! Ik loop langzaam naar voren. Ik hoor gefluister: ‘Zou ze het doen’? ‘Nee, dat durft ze niet’! Ik voel zweet langs mijn oor lopen en hoor opeens niets meer behalve een harde piep. Dan ren ik huilend de klas uit. Ik stort me op de grond. Waarom begin ik ook altijd meteen te janken! Maar ik snap ook niet wat er leuk is aan drama! Je komt naar voren en iedereen kijkt naar je! Was ik maar… onzichtbaar of zo. Pfff, ik
heb te veel sciencefictionfilms gekeken.
Dan hoor ik opeens een stem fluisteren: ‘Pssst!”Sara’! ‘Sara hierheen’! Het komt uit de bibliotheek! Ja, ik hoor het weer!  Ik sluip voorzichtig richting de bibliotheek maar dan hoor ik de schoolbel. Nee he, het is pauze! Ik probeer zo onopvallend mogelijk te doen, maar er loopt al een groepje kinderen op mij af. ‘Hé kijk, daar is huilie, huilie’! Ik word boos van binnen, maar zeg niks. Ik probeer weg te glippen maar ze gaan voor me staan. Ik geef ze een hele harde trap! maar dan alleen in mijn gedachten. Ik roep het eerste wat in mij opkomt. ‘Kijk daar’! ‘Een vliegende olifant’! Ze kijken weg. Nu! Ik glip tussen ze door en ren de bibliotheek in. Nu ben ik veilig. Daar hoor ik die stem weer! En dan opeens… Waaah! Er verschijnt een elfje naast mij! Nou ja, wat is het eigenlijk? Het lijkt meer op een trol.
Toen gebeurde er van alles tegelijk. De trol zei: ‘Dus jij wilt niet gezien worden hé’! Hij brabbelde iets raars een soort spreuk. Iets zoals ‘Poetsie floetsie en kaka doeba’. En opeens lag ik weer in mijn bed. Ik staarde versuft vooruit. Ik keek snel  naar mijn agenda. Het was precies dezelfde dag. Ik had nog niets aangekruist. Toen keek ik naar mijn wekker. 9 uur! Ik keek van mijn agenda naar mijn wekker en weer terug. Volgens mij… ben ik terug in de tijd! maar dan moet ik gauw naar school! Ik rende naar beneden. Iedereen slaapt nog. Ik graaide gauw een appel uit de schaal en rende het huis uit. Ik sprong op mijn fiets en racete naar school. Waah! Ik werd bijna aangereden!  Ik had mijn lamp toch aan? Ik kwam aan bij school, en smeet mijn fiets in de
stalling. Ik rende naar binnen, de hoek om en mijn klas in. Ik ging snel zitten. Huh? De juf merkte niet dat ik te laat was! Ik pakte mijn boek en ging lezen. Toen ging de timer. De juf zei: ‘pak je rekenschrift’! Een jongen vroeg: ‘waar is Sara’? Het is vast zo’n spel dat je iemand moet
negeren. De juf zei: ‘Dat weet ik niet, misschien is ze ziek’. Huh? De juf zou toch niet aan zo een spelletje meedoen? of wel? ik riep: ‘Hier ben ik juf’! maar de juf negeerde me. Ik bevroor even.
Het zou toch niet?! of toch wel?! ik moet het weten. Ik liep door de klas en ging voor de juf staan. Ze ging gewoon door! Toen drong het tot me door… Ik was ineens onzichtbaar! ik keek een paar tellen stil vooruit. toen besefte ik me dat ze dan niet meer op me letten! ze me niet meer lastigvallen! oh yeh! Ik rende naar de bibliotheek en wilde alle boeken van de bieb uit lezen. Maar toen bedacht ik me dat ik nog véél meer kon doen! Ik wilde wraak nemen op de pestkop uit groep acht. Ik sloop voorzichtig zijn klas in en zocht een stift. Ik zag hem stiekem gamen op zijn Chromebook. Ik liep langzaam naar hem toe en tekende zó zacht dat hij het niet zou merken, een snor op zijn gezicht. Toen sloop ik weer de klas uit. Oh nee! Uit groep vijf komt een groepje kinderen die mijn kant op komen! ik probeerde ze te ontwijken, anders voelde ze mijn trui. Toen ging de eindbel. Het was CHAOS! Uit alle klassen stormden kinderen de gang in. Ik werd door iedereen omver gelopen, weg kant geduwd en… opnieuw omvergelopen. Ik werd de archiefkast ingeduwd. De deur viel op het slot! Ik bonsde op de deur maar niemand hoorde het. Ik snoof het stof op. Kuch! Kuch! Het stinkt hier! Ik bonsde nog een keer. weer hoorde niemand het. Iedereen is nu al naar buiten!  Ik stik hier zowat! Ooh, was ik maar niet
onzichtbaar! Was ik maar niet onzichtbaar! Was ik ma… ik hoorde weer die stem!: Sara! Heb je nu je lesje geleerd? Ik riep: Ja! Ja! Maar maak me weer zichtbaar! Alsjeblieft! Vooruit dan maar! En de stem stierf weg.
Toen werd ik weer wakker in mijn bed. Ik wist wat er gebeurd was. Ik
keek naar de klok en op de kalender. 9 uur en geen afgekruist hokje. Ik heb voor het eerst zin in school. ‘Dat was het verhaal, en toen ik voor het laatst wakker werd in mijn verhaal, was dat vanochtend’. Ik keek naar oma. Oma lag te slapen. Ik zei: ‘bedankt voor je… eh interesse’. Ik wou weer op mijn fiets stappen en toen zag ik een piepklein grijnsje op het gezicht van oma en hoorde haar mompelen: Hmm, poetsie floetsie en kaka doeba.