Tien procent erbij — en nergens heen

Microsoft heeft per juli de licentiekosten voor Windows-OEM-licenties verhoogd met gemiddeld 7 tot 10 procent. Waar die kosten voorheen met een paar procent per jaar opliepen, is de sprong dit jaar fors. Fabrikanten rekenen het door: pc’s en laptops worden dit kwartaal naar verwachting zo’n 5 procent duurder. Voor een gemeente die werkplekken vervangt, is dat geen detail.
Maar het interessantste aan dit bericht is niet de verhoging zelf. Het interessantste is dat vrijwel niemand er iets tegen kan doen.

Winst is niet het probleem. Het ontbreken van een alternatief wel
Microsoft boekte in het afgelopen kwartaal ongeveer 90 miljard dollar omzet — 18 procent meer dan een jaar eerder — en hield daar bijna 20 miljard dollar vrije kasstroom aan over. In datzelfde kwartaal ging er 41 miljard dollar naar datacenters en AI-infrastructuur, ruim 70 procent meer dan het jaar ervoor. En begin juli schrapte het bedrijf zo’n 4.800 banen, na eerder al een vertrekregeling voor ongeveer 9.000 medewerkers.

Een bedrijf mag winst maken. Een bedrijf mag reorganiseren. Daar gaat het hier niet om.

Waar het wél om gaat: een prijsverhoging die je niet kunt weigeren, is geen prijs meer — dat is een heffing. In een gezonde markt stap je over als je leverancier duurder wordt. Maar wanneer je bestandsformaten, je inlogsysteem, je beheertools en je samenwerkingsomgeving allemaal bij één partij horen, is overstappen zo duur en zo ingewikkeld geworden dat je die rekening simpelweg betaalt. Dat heet vendor lock-in. En het is geen ongelukje — het is het verdienmodel.

Let ook op de volgorde. Eerst wordt de markt gesloten, dán wordt de prijs gezet. Dat is precies het patroon dat mededingingsrecht zou moeten voorkomen, en precies het patroon waar de overheid zichzelf de afgelopen twintig jaar in heeft ingekocht.

Waarom dit Hulst aangaat
Ongeveer negentig procent van de Nederlandse gemeenten — 321 in totaal — doet mee aan het collectieve Microsoft-raamcontract GT Microsoft 2. Dat contract loopt in 2027 af en de VNG onderhandelt op dit moment over een opvolger, langs twee sporen: commerciële voorwaarden én soevereiniteit, dataopslag en dataportabiliteit.
Dát is het moment waarop je invloed hebt. Daarna, jarenlang, niet meer.

En het gaat allang niet meer alleen over geld. De Algemene Rekenkamer stelde afgelopen mei vast dat de veiligheid en beschikbaarheid van de digitale werkplek van het Rijk in een crisissituatie niet gegarandeerd zijn. Het gaat dus over de vraag of wij onze dienstverlening aan inwoners overeind houden bij een storing, bij een cyberaanval, of bij een besluit dat ergens anders ter wereld genomen wordt en waar wij niets over te zeggen hebben.

Weerbaar zijn is werk, geen standpunt
Er hoeft in Hulst niets opnieuw uitgevonden te worden. Den Bosch, Zaanstad, Ede en Amsterdam testen samen met de VNG en het ministerie van BZK al een autonome digitale werkplek op Linux. Groningen doet een vergelijkbare pilot. De VNG heeft inmiddels handreikingen, een bestek voor cloudinkoop en een competentiecentrum digitale autonomie. Wat wij moeten doen, is aanhaken en scherp inkopen:
1. Open standaarden als eis, niet als wens. Wie zijn documenten in een open formaat bewaart, houdt de deur open. “Pas toe of leg uit” is geen vrijblijvend advies.
2. Bij elk contract een exitstrategie. Wat kost overstappen, hoe krijgen we onze data eruit, en hoe lang duurt dat? Kan niemand die vraag beantwoorden, dan is de werkelijke prijs onbekend.
3. Korte looptijden en gesplitste aanbestedingen. Niet één groot pakket bij één leverancier, maar percelen waar meerdere partijen op kunnen inschrijven.
4. Kennis in eigen huis. Een gemeente die niet begrijpt wat ze inkoopt, onderhandelt niet — die tekent.
5. Samen optrekken. Alleen zijn we een kleine klant. Als gezamenlijke gemeenten zijn we een serieuze gesprekspartner. Daarom is collectivisering van de gemeentelijke digitalisering geen bestuurlijk speeltje, maar harde noodzaak.

Tot slot
D66 Hulst pleit al langer voor digitale weerbaarheid en digitale autonomie. Niet uit principiële afkeer van grote techbedrijven, en niet met de illusie dat we morgen volledig onafhankelijk zijn. Wel omdat een gemeente die haar eigen digitale fundament niet in de hand heeft, uiteindelijk elke rekening betaalt die haar wordt voorgelegd — of die nu redelijk is of niet.

Tien procent dit jaar. En volgend jaar?

Weerbaarheid begint met keuzevrijheid. En keuzevrijheid begint met één ongemakkelijke vraag, die elke gemeenteraad zou moeten stellen voordat er weer een handtekening wordt gezet: kunnen we hier eigenlijk nog weg?

Beeld: Pieter de Bruijn