Nog voor het goed licht is, staan we buiten. Mijn dochter van zes en ik. We maken een sneeuwpop. Een grote. Hij krijgt de sjaal die mijn vrouw speciaal voor mijn dochter haakte. Ze droeg hem nooit. Hij kriebelt. Op het hoofd zetten we de muts die ik zelf haakte. Om te laten zien dat jongens ook kunnen haken. We rennen door de sneeuw. Natuurlijk volgt er een sneeuwballengevecht. Ik laat haar winnen. Dat doe je als ze zes is. Vind ik.
Binnen warmen we op. Mijn dochter oefent haar zelfbedachte dansvoorstelling. Ik kijk ondertussen op mijn telefoon het nieuws. “De Verenigde Staten hebben op meerdere plekken in Venezuela aanvallen uitgevoerd.” Dat is een heel ander soort gevecht dan waar ik net nog in zat. In de keuken dwaal ik af. In mei sprak ik met mijn dochter over vrijheid. Over Oekraïne. Over wat een leger is. Kun je nog zeggen dat wij niet weten wat oorlog is? Komt oorlog voor haar nog dichterbij dan het voor ons nu is?
Ik zeg niet dat dit nieuws mij extra motiveert om me in te zetten voor de gemeenteraad. En eerlijk is eerlijk: ik doe het ook niet speciaal ‘voor haar’. Ik was al vijftien jaar actief in de democratie en het openbaar bestuur voordat zij werd geboren.
Maar ik erger me wel extra als de lokale politiek vastloopt in gedoe. In ruzies over… ja, waarover eigenlijk? Lokale politiek is voor mij de basis van onze democratie. Als het in de gemeenteraad rommelt, gebeurt er weinig. En als de gemeente niets meer voor elkaar krijgt, waar is de overheid dan nog voor? Als de mensen in de raadszaal — mensen die je gewoon bij de supermarkt tegenkomt — geen normaal gesprek meer voeren, wat betekent die democratie dan nog?
In Voorst valt daar nog veel te winnen. Daar gaan de verkiezingen in maart over. Het gaat gelukkig niet over raketaanvallen, maar wel over meer dan een sneeuwballengevecht.