Blijf op de hoogte!

Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 11 juli 2017

Inbreng debat Eerste Kamer Wet Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv)

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv). Lees de inbreng van D66-fractievoorzitter en Eerste Kamerlid Thom de Graaf hier.

Voorzitter,
Ik val maar met de deur in huis: er bestaat nauwelijks een onderwerp dat lastiger te beoordelen is voor volksvertegenwoordigers – en al helemaal de deeltijd variant daarvan – dan het noodzakelijk arsenaal van bevoegdheden waarover de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zouden moeten beschikken.

Als wij een diep wantrouwen zouden hebben jegens onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zou het wellicht nogal overzichtelijk zijn, maar dat wantrouwen hebben wij niet. AIVD en MIVD kennen de laatste tientallen jaren een traditie van democratische inbedding en rechtsstatelijk waardenbesef, dat eerder een vertrouwen dan wantrouwen genereert. Opeenvolgende diensthoofden past daar waardering voor en hetzelfde geldt voor de eerstverantwoordelijke ministers van Binnenlandse Zaken, Defensie en Algemene Zaken. Niettemin lopen wij met een lucifer in het donker.

Wij kennen de omvang en de aard van de bedreigingen van onze veiligheid onvoldoende – daarvoor zouden we diep moeten duiken in de door de diensten vergaarde informatie, waartoe wij geen toegang hebben. Wij kennen de effectiviteit van de toepassing van de huidige bevoegdheden onvoldoende  en kunnen daar dus ook moeizaam zelf over oordelen- dat moeten we aan de commissie van toezicht overlaten en op afstand aan de commissie voor de inlichtingen en veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer. En marge merk overigens ik op dat de term ” commissie-stiekem’ buitengewoon ongelukkig is. Wij zijn bovendien onvoldoende thuis in de technische aspecten van verwerven, analyseren, bewaren, verwijderen en vernietigen van digitale gegevens – nu spreek ik vooral over mijzelf- in het bijzonder waar het gaat om op grote schaal verwerven van data door het internet af te tappen.

Toch moeten wij vandaag een oordeel vellen over een wetsvoorstel dat beoogt een modernisering van het bevoegdhedencomplex van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de toetsing en controle op de toepassing daarvan tot stand te brengen. Terzijde merk ik op dat een stevige grondwettelijke basis voor het onderhavige wetsvoorstel eigenlijk nog ontbreekt. Vandaag hebben wij in de Eerste Kamer immers pas in eerste lezing ingestemd met de modernisering van art. 13 van de Grondwet.

Het is een lastige zoektocht in de spanningsrelatie die van oudsher bestaat tussen de bescherming van de nationale en internationale veiligheid enerzijds en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Het behoeft, hoop ik, geen betoog dat beide belangen voor mijn fractie van grote waarde zijn – het een is niet onder alle denkbare omstandigheden meer beschermingswaardig dan het andere. En juist daarin huist de complexiteit van onze afweging: onder welke omstandigheden kunnen veiligheid en privacy elkaar in evenwicht houden, wanneer rechtvaardigt de situatie dat privacy kan worden ingeperkt om de veiligheid te borgen en hoever moet die inperking dan wel gaan? En in welke gevallen moeten overheid en wetgever pal staan voor de persoonlijke levenssfeer, zelfs als daardoor de nationale veiligheid een zeker risico zou lopen? Daar is geen algemeen antwoord op, althans niet voor degene die platitudes of al te kortzichtige keuzes probeert te vermijden. Zie daar het dilemma, dat overigens nog verzwaard wordt door het feit dat we niet alleen spreken over wat onze eigen nationale diensten doen met verworven data over mensen en hun communicatie, maar ook over het delen van deze informatie met diensten van meer en minder bevriende en meer en minder democratisch rechtsstatelijke landen. Is de uitwisseling van gegevens met de Verenigde Staten van Trump voor ons even vertrouwenwekkend als met hetzelfde land onder Obama?  Kunnen inlichtingendiensten in NAVO-verband nog informatie delen met het Turkije van president Erdogan?

Voorzitter,
Ik beperk mij in mijn bijdrage tot en paar hoofdonderwerpen en ga achtereenvolgens in op de verwerving en het gebruik van bulkdata in het kader van de zogenaamde. ‘onderzoeksopdrachtgerichte’ gegevensverzameling, de samenwerking met buitenlandse diensten en  het ontworpen toetsing- en toezichtsysteem inclusief het klachtrecht.

Het grootste verschil met de WIV 2002 is de uitbreiding van de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten die voorheen al grote informatiestromen via de ether konden aftappen maar over de kabel alleen gerichte interceptie mochten toepassen. Nu is ook aftappen van bulkcommunicatie over internetkabels mogelijk. Het primaire door de wet beschreven criterium is dat het aftappen van internetkabels slechts ‘onderzoeksopdrachtgericht’ mag plaatsvinden. Dus niet buiten de onderzoeksopdracht. Dat sluit op zichzelf echter niet uit dat grote hoeveelheden data worden verzameld in het kader van de onderzoeksopdracht en dat dit ook van langere duur kan zijn. Ook sluit het niet uit dat onder omstandigheden een hele buurt of wijk kan worden afgetapt omdat er bijvoorbeeld aanwijzingen bestaan dat daar zich een potentiële terrorist en spion ophoudt. ‘Onderzoeksopdrachtgericht’ kan zo snel erg ongericht worden en de vorm aannemen van wat in het spraakgebruik van critici wordt aangeduid met het ‘sleepnet’: alles en iedereen wordt opgevist, ook wie en wat geen waarde heeft voor het specifieke onderzoek. Wordt dat op tijd weer verwijderd onder het motto: select while you collect? Blijft die onnodige informatie bewaard ook al is die verwijderd?  Er bestaat immers een essentieel verschil tussen verwijderd en vernietigd. Heb ik goed begrepen dat verwijderde informatie niettemin nog kan worden teruggehaald lang nadat in het kader van het specifieke onderzoek de selectie heeft plaatsgevonden? Is dat wel in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM, ik wijs op Roman Zakharov tegen Rusland van eind 2015. Het laatste CTIVD-rapport dat wijst op onvolkomenheden in de uitvoering van de vernietigingsplicht en in meldingen aan de verantwoordelijke minister  is wat dit betreft zorgelijk. Ik vraag de bewindslieden om een reactie.

Mijn fractie heeft grote aarzelingen bij de waarborgen die het wetsvoorstel biedt voor het zorgvuldig en verantwoord omgaan met grote informatiestromen die van internet worden afgetapt. En dan ga ik nog voorbij aan het zg. ‘chilling’ effect dat dataverzameling via internet kan hebben op burgers en bedrijven, d.w.z. de terughoudendheid om te communiceren via het net omdat je nooit weet of die vertrouwelijke communicatie niet ooit tegen je wordt gebruikt of zelfs misbruikt. En ik ga ook voorbij aan de vraag hoe effectief het via internettaps zoeken van een speld in de hooiberg is als met die tap de hooiberg alleen maar groter wordt, een metafoor die de ministers vermoedelijk al vaak hebben gehoord, maar die wel treffend is. De vraag is overigens zeer relevant voor de toets of toepassing van de bevoegdheid zinvol is.

Vooralsnog meent mijn fractie dat de waarborgen voor een zo selectief mogelijke uitvoering van de onderzoeksopdracht en het voorkomen van een te grote beperking van de persoonlijke levenssfeer onvoldoende in het wetsvoorstel tot uitdrukking zijn gekomen. Ik richt mij daarbij in het bijzonder op de bevoegdheden van de artt. 48, 49 en 50 in het wetsvoorstel.

Laat ik voorop stellen dat mijn fractie de uitbreiding van de bevoegdheden in het kader van een goede uitoefening van de taak van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan en wil billijken. Met de Afdeling Advisering concluderen wij dat die uitbreiding legitiem en noodzakelijk is. Maar evenzeer meent mijn fractie dat een dergelijke uitbreiding alleen kan worden gerealiseerd als die gepaard gaat met duidelijke wettelijke waarborgen waarbinnen de diensten moeten werken en met de inrichting van een effectief stelsel van toezicht. De Afdeling Advisering is in een buitengewoon heldere analyse van het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM tot de slotsom gekomen dat het wetsvoorstel een aantal belangrijke waarborgen bevat die voldoen aan essentiële vereisten die door het EVRM zijn gesteld. Dan gaat het om een deugdelijke wettelijke basis in het licht van kenbaarheid en voorzienbaarheid van inbreuken op grondrechten en een voldoende onderbouwing van de noodzaak om de bevoegdheid te scheppen tot ongerichte interceptie van kabelgebonden communicatie.

De artikelen 18 en 26 van het wetsvoorstel geven in algemene zin de waarborgen bij de uitoefening van de in het voorstel opgenomen bevoegdheden van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dat is mooi, maar is het ook genoeg? De Afdeling Advisering concludeerde dat voor de bevoegdheden tot interceptie van grote hoeveelheden data, en dus gegevens van een grote hoeveelheid mensen en instanties – soms nodig om uiteindelijk de beoogde selectie tot stand te brengen of een nog onbekende dreiging te ontdekken – onvoldoende scherpte in die waarborgen is aangebracht.

Mijn fractie had graag gezien dat in het bijzonder de bevoegdheden van de artikelen 48 t/m 50 wettelijk waren voorzien van heldere toegespitste criteria op het vlak van proportionaliteit en subsidiariteit, zo concreet mogelijk. Een amendement terzake heeft het in de Tweede Kamer helaas niet gehaald. Dat amendement (nr. 34, Verhoeven) formuleerde dat bij de inzet van een bijzondere bevoegdheid als hier bedoeld niet meer gegevens mogen worden verworven, verwerkt of geanalyseerd dan strikt noodzakelijk is voor het bereiken van het doel van de onderzoeksopdracht en dat de onderzoeksopdracht zo concreet mogelijk wordt geformuleerd en op zichzelf of tezamen met andere onderzoeksopdrachten niet leidt tot het stelselmatig op grote schaal collecteren en gebruiken van gegevens. Het ging hier natuurlijk om de combinatie ‘stelselmatig op grote schaal’, datgene wat in de wandelgang al snel het sleepnet wordt genoemd. De regering ontraadde dit amendement omdat het de essentie van het wetsvoorstel miskende, aldus minister Plasterk. Moet je daaruit afleiden dat de regering meent dat wel degelijk stelselmatig op grote schaal bulkdata kunnen worden verzameld, bewerkt, geanalyseerd en eventueel doorgegeven aan buitenlandse diensten?  Ik vraag nadrukkelijk een reactie van de ministers. Is ‘stelselmatig op grote schaal’ nog in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en gerichtheid  die de regering wil onderschrijven en die cruciaal zijn in de jurisprudentie van het EHRM? Ook hier graag een reactie.

De overzijde, de Tweede Kamer, volstond met een buitengewoon mistige motie-Recourt waarin werd benadrukt dat de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit ook geïnterpreteerd en in de praktijk gebruikt moeten worden als “eisen die zullen leiden tot een zo gericht mogelijke inzet van bevoegdheden”.  Als ik het ietwat onaardig mag zeggen: een dooddoenende tekst om zowel de kool als de geit te sparen.

Ik zou een aanscherping van de wettelijke criteria op prijs stellen, al dan niet bij nadere wetgeving. Ik vind dat van het grootste belang om het vertrouwen van de bevolking in een zo zorgvuldig mogelijke toepassing van deze verreikende bevoegdheden te bewaren dan wel terug te winnen.

Een met deze zorgvuldigheid samenhangend punt is de vernietiging van gegevens. De regering vindt het van groot belang dat niet onderzochte gegevens, dat wil zeggen uit bulkinterceptie verkregen gegevens die nog niet zijn verwerkt en geanalyseerd -voor en groot gedeelte zal dus bijvangst zijn – in afwijking van de gewone termijn van een jaar, drie jaar bewaard mogen worden. Voor versleutelde berichten kan dit zelfs oplopen tot een dubbele bewaartermijn van zes jaar, want na de decodering geldt ook weer maximale termijn van drie jaar bewaring.

Deze lange termijn kan wellicht onder bijzondere omstandigheden dienstbaar zijn, dat zal ik niet ontkennen, maar strijdt naar het oordeel van de Afdeling Advisering met art. 8, tweede lid EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie.  De regering voelt niets voor verkorte bewaartermijnen en meent dat het wel los zal lopen met dat EVRM. Toch verzoek ik de ministers nog eens te reflecteren op de mogelijkheid om de bewaartermijnen te differentiëren naar de mogelijke toepassingen. Bijvoorbeeld een vernietiging binnen anderhalf of twee jaar, tenzij een ernstig nationaal veiligheidsbelang zich tegen deze termijn zou verzetten, hetgeen een eigenstandige toetsing vraagt. Voor versleutelde gegevens zou tenminste een termijn voor de ontsluiering in de wet moeten worden opgenomen, zoals de Afdeling Advisering suggereerde. Ook hier hoor ik graag de reactie van het kabinet.

Voorzitter,
De samenwerking met het buitenland baart mijn fractie eveneens zorgen. De verstrekking van niet geëvalueerde gegevens aan bevriende diensten is natuurlijk al een moeizaam vraagstuk op zich. De eindcontrole op wat er mee gebeurt, wordt uit handen gegeven en zo komen vele gegevens van mensen en instanties en hun communicatie in handen van diensten die politieke regimes dienen die niet altijd een op een onze rechtsstatelijke principes wensen na te leven, ook al worden die wel met de mond beleden. In het kader van de internationale samenwerking bij de bestrijding van ernstige vormen van staatsondermijning en terrorisme zou mijn fractie dit bij wijze van hoge uitzondering echter wel kunnen billijken, zij het dat ook hier de eisen van proportionaliteit en noodzakelijkheid voorop staan. Buitengewoon lastig vind ik het dat het vereiste van de wegingsnotities, waarin aan de criteria van rechtsstatelijkheid, democratie, wettelijk stelsel en waarborgen wordt getoetst, gedurende een overgangsperiode van twee jaar niet geldt. Dat betekent feitelijk dat zonder weging op grond van oude relaties van diensten niet geëvalueerde informatiestromen mogen worden overgedragen aan derde landen, zonder enige waarborg wat daarmee gebeurt. Ik heb drie vragen op dit punt aan de ministers: waarom niet de werking van in ieder geval dit deel van de wet een of twee jaar uitstellen zodat die wegingsnotities er gewoon zijn op het moment dat overdracht van internetinformatie aan de orde zou zijn? Waarom moet het überhaupt twee jaar duren, wat is er dan in de jaren hieraan voorafgaand gebeurd, de wet was immers al behoorlijk lange tijd in voorbereiding? En hoe denken de ministers hun verantwoordelijkheid en die van hun opvolgers te kunnen waarmaken door toestemming te geven voor informatieoverdracht aan buitenlandse diensten wanneer zijzelf niet een toetsbaar kader in de hand hebben?  Zien zij de risico’s die niet alleen zij zelf, maar vooral ook onschuldige burgers hierbij kunnen lopen? Graag vraag ik ook hoe juist hier de communicatie van journalisten en wetenschappers voldoende kan worden beschermd. Welke voorzieningen wil en kan de regering treffen om te voorkomen dat bronnen van journalisten en onderzoekers via deze overdracht van informatiestromen in landen van herkomst bekend worden en mogelijk zo bedreigd worden?

Voorzitter,
Ik ga over tot mijn laatste thema en dat is het toetsing- en toezichtsysteem. In het bijzonder dit stelsel van toezicht heeft op kritische beoordeling van de Afdeling Advisering mogen rekenen, zulks tegen de achtergrond van de eisen die het EHRM in verband met art. 13 van het verdrag aan het geheel van het juridisch kader en de feitelijke uitwerking stelt. Het oordeel is ongemeen scherp: het stelsel van toezicht is onvoldoende effectief en toetsing door de TIB (toetsingscommissie inzet bevoegdheden)  zal in de praktijk slechts neerkomen op een marginale en abstracte rechtmatigheidsbeoordeling ex ante. Sterker nog, de verwachting is dat de toetsing van de TIB altijd positief zal uitvallen, de Afdeling spreekt zelfs van een alibi-functie.

Mijn fractie begrijpt deze zorg, al voldoet de voorgestelde regeling formeel wel aan de vereisten van onafhankelijke toetsing. Een inbreuk op de ministeriële verantwoordelijkheid, zoals de Afdeling ook nog stelde, zou onder omstandigheden inderdaad aan de orde kunnen zijn: de minister blijft weliswaar volledig verantwoordelijk, bijvoorbeeld als zou blijken dat zijn beslissing tot inzet en het rechtmatigheidoordeel van de TIB op onjuiste gegevens zou berusten, maar hij is wel gebonden aan het rechtmatigheidoordeel van de TIB in die zin dat als de TIB meent dat inzet onrechtmatig zou zijn, het besluit van de minister  op grond van de wet van rechtswege vervalt. Dat is nogal wat. Misschien dat de voor de constitutie verantwoordelijke minister nog eens zijn licht hierop wil laten schijnen, zo vlak voor zijn politiek verscheiden.

Maar de crux zit toch in de onvolkomenheid van het inzicht en de kennis van de TIB, terwijl de Commissie van Toezicht (CTIVD) die op alle fronten wel heeft. Waarom de regering zoveel bezwaar heeft tegen een constructie waarin de CTIVD ook de rechtmatigheid ex ante beoordeelt, is mij tot op heden onvoldoende duidelijk geworden. De CTIVD wordt in deze constructie met de TIB in haar taak en verantwoordelijkheid beperkt doordat, ik citeer de minister, “de CTIVD de rechtmatigheid van het besluit in beginsel dient te respecteren”. Ik acht dat overigens ten principale onjuist. De CTIVD moet immers in alle vrijheid zich een oordeel kunnen vormen over de aard, omvang, de proportionaliteit en de noodzakelijkheid van de toepassing van bevoegdheden en daarbij dus ook kunnen oordelen over de rechtmatigheid van de inzet, als het niet aan de voorkant mag, dan in ieder geval aan de achterkant. Dat is overigens ook in het belang van de parlementaire controle. Het is dan ook de vraag of de bewering van de minister dat de wet het rechtmatigheidoordeel exclusief bij de TIB legt, juist is. De wet omvat immers geen beperking van de taak van de CTIVD, althans ik heb die er niet in kunnen lezen. De minister wil ook niet de rechtszekerheidstaak van beide commissies bevorderen bijvoorbeeld door een samenwerkingsprotocol te entameren. Een naar mijn woorden erg afhoudende houding die weinig perspectief biedt op een goede positionering van beide commissies.

De wijze waarop de regering omgaat met het toezicht en de toetsing laat bij mijn fractie een wat ongemakkelijk gevoel achter. Voor de diensten wellicht werkbaar, maar voor een gebalanceerd toezicht als onderdeel van rechtsstatelijke structuren toch onvolledig. Voor mijn fractie een belangrijk punt van overweging.

Tot slot nog een vraag over het klachtrecht. De behandeling daarvan is, ondanks de bezwaren her en der, bij de CTIVD gelegd. De argumentatie van de regering dat er binnen het kader van art. 13 EVRM sprake moet zijn van een bindende klachtbehandeling is voor mijn fractie overtuigend. Maar onderbrenging bij de CTIVD niet. Temeer niet omdat de schijn van partijdigheid kan ontstaan en een kleine eenheid zichzelf in tweeën moet gaan delen, inclusief Chinese walls. Ik wil de minister opnieuw uitnodigen om onderbrenging bij de Nationale Ombudsman toch te overwegen. Ook dit zou bij nadere wetgeving kunnen worden geregeld. Het bindende karakter van een oordeel van de Nationale Ombudsman, in afwijking van het reguliere stelsel, zou in dit geval kunnen worden gerechtvaardigd omdat toetsing en controle door de onafhankelijke rechter bij inlichtingen- en veiligheidsdiensten is uitgesloten.

Voorzitter,
De ministers begrijpen dat de kritische houding van mijn fractie instemming met dit wetsvoorstel niet gemakkelijk maakt. Maar vanzelfsprekend wacht ik de reactie en mogelijke tegemoetkomingen van de zijde van de regering af alvorens een eindoordeel te geven.