Blijf op de hoogte

Kies zelf van welke thema's jij op de hoogte blijft en schrijf je in voor een van onze nieuwsbrieven. Je ontvangt dan altijd de laatste updates op basis van jouw interesses. Wil je ook via Whatsapp op de hoogte blijven? Meld je dan direct aan.

Door je e-mailadres in te vullen en op "aanmelden" te klikken geef je ons toestemming om je e-mailadres op te slaan. Dit gebruiken wij om je regelmatig updates te sturen. Hier kun je meer lezen over hoe we omgaan met jouw persoonsgegevens. Hier kun je alle voorkeuren wijzigen.

Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

Bijdrage Thom de Graaf – Gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand

Bijdrage fractie D66 (Th.C. de Graaf) aan de plenaire behandeling wetsvoorstel 33.344 (initiatiefvoorstel- Pia Dijkstra en Schouw, Gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand)

Voorzitter,

Laat ik allereerst de initiatiefnemers gelukwensen met het feit dat zij dit wetsvoorstel hier namens de Tweede Kamer kunnen verdedigen. Een belangrijke horde om hun voorstel tot wet te verheffen, hebben zij daarmee al genomen. Initiatiefvoorstellen kosten Tweede Kamerleden veel tijd, meestal extra tijd, en het is mooi als al die noeste arbeid niet in schoonheid sterft. In het bijzonder valt mij op dat wij de heer Schouw hier ongeveer elke week mogen verwelkomen met alweer een voorstel waar hij, al dan niet in samenwerking met anderen, het initiatief toe nam. Het lijkt bijna of hij heimwee koestert naar het inhoudelijke discours en de reflectie die de Eerste Kamer kenmerken.

Dit initiatiefvoorstel heeft in de kern tot doel om een einde te maken aan de mogelijkheid van gemeenten om ambtenaren van de burgerlijke stand (inclusief de buitengewone ambtenaren) aan te stellen die niet bereid zijn om alle huwelijken te sluiten, dus ook huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht. De behandeling tot dusverre, zowel in de Tweede Kamer als hier in de schriftelijke gedachtewisseling is behoorlijk uitvoerig geweest, ik zou haast zeggen uitputtend. Dat is ook terecht omdat bij dit wetsvoorstel vragen spelen die de essentie van onze rechtstaat raken: hoe vorm te geven aan onze pluriforme samenleving zonder nodeloos de grondrechten van mensen te beperken; hoe ver gaat de bescherming van ambtenaren in de uitoefening van hun grondrechten – ook zij hebben daar in beginsel recht op-; mag en kan de wetgever normatief optreden in een situatie die naar het oordeel van sommigen in de praktijk al een flexibele en pragmatische oplossing kent en ten slotte: hoe om te gaan met en vermeende botsing tussen verschillende grondrechten, te weten het recht op gelijke behandeling op grond van het gelijkheidsbeginsel en het recht om eerbiediging van de persoonlijke godsdienst of levensovertuiging op grond van de godsdienstvrijheid.

Het is onvermijdelijk dat dit initiatiefvoorstel die vragen oproept, het zijn vragen die al leven sinds de invoering van het wettelijk huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht in 2000. Er zou kunnen worden beweerd dat het slechts een kwestie van Prinzipiënreiterei is als 14 jaar na de openstelling van het wettelijk huwelijk, enkel en alleen om normatieve redenen, de gewetensbezwaarde ambtenaar van de burgerlijke stand zou worden geweerd. Er werd immers in de aanloop naar de openstelling van het wettelijk huwelijk voor paren van gelijk geslacht bewust gekozen voor een pragmatische oplossing vanuit de overtuiging dat na verloop van tijd, enkele jaren, er feitelijk geen sprake meer zou zijn van gewetensbezwaarden onder de absen en de babsen (als ik ze zo oneerbieding mag aanduiden). Ik acht het van belang dat de initiatiefnemers hebben geconstateerd dat in die veertien jaar die verstreken is er nog steeds ambtenaren van de burgerlijke stand zijn die gewetensbezwaren hebben tegen het sluiten van deze huwelijken en dat zij hebben geconstateerd dat verschillende gemeenten nog steeds bereid of van plan zijn dergelijke gewetensbezwaarde ambtenaren aan te stellen. Een “uitsterfbeleid”, om dat ondiplomatieke woord maar te gebruiken, is dus niet verwezenlijkt. De initiatiefnemers hebben denk ik ook terecht waargenomen dat de discussie hierover niet is verstomd, maar nog steeds wordt gevoerd en dat tegen de achtergrond van een maatschappelijk klimaat dat voor homo’s er niet beter op is geworden. Een duidelijke uitspraak van de wetgever is onder deze omstandigheden meer dan wenselijk, principieel, normatief en maatschappelijk relevant. Een overheid die in deze context toe blijft laten dat ambtenaren zich in hun functie van bestuursorgaan succesvol beroepen op morele bezwaren om homo’s te trouwen, ondanks dat de wetgever dat nadrukkelijk heeft gewenst, geeft een fout signaal af aan de samenleving. Het gaat immers om de borging van een fundamenteel rechtsbeginsel; die borging is kennelijk in de praktijk van gemeenten nog steeds niet overal vanzelfsprekend. Dat is ook een belangrijk motief om het als wetgever niet te laten bij de verantwoordelijkheid voor een goede arbeidsrelatie van de gemeenten als werkgevers. Het gaat niet alleen om die werkrelatie, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij ambtenaren die op bepaalde godsdienstige feestdagen niet willen werken of ambtenaren die moeite hebben met bepaalde kledingvoorschriften vanwege hun religieuze overtuigingen. Het gaat hier om ambtenaren die als bestuursorgaan optreden en in die hoedanigheid kunnen weigeren een huwelijk te voltrekken. Ambtenaren die met bevoegdheden jegens burgers bekleed zijn. Het valt meer dan te billijken als de wetgever niet langer meer wil afwachten en nu een duidelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare norm stelt.

Is die norm van de wetgever een aanval op de tolerantie die onze samenleving hopelijk nog steeds kenmerkt? Geenszins. Er is geen ambtenaar die met dit wetsvoorstel wordt gedwongen anders te denken of zich anders uit te spreken. Er wordt ook geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt ten nadele van ambtenaren die moeite hebben met huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht. Er wordt bovendien – en dat valt te prijzen in dit voorstel – rekening gehouden met zittende ambtenaren van de burgerlijke stand. Zij worden niet ontslagen, zij kunnen alleen niet langer huwelijken sluiten. Het enige dat dit initiatiefvoorstel feitelijk doet, is een geschiktheidseis voor toekomstige ambtenaren van de burgerlijke stand formuleren. Daarmee is naar het oordeel van mijn fractie voldaan aan het proportionaliteitsvereiste: de regeling staat in verhouding tot het maatschappelijk probleem en is geen overreactie.

Geschiktheidseisen voor ambtenaren van de burgerlijke stand, dat is de kern voor mijn fractie. Het bestuursorgaan Ambtenaar van de burgerlijke stand is met voorname wettelijke bevoegdheden bekleed. Ik vind het volkomen legitiem om van ambtenaren die deze functie van bestuursorgaan willen uitoefenen bij wijze van geschiktheidseis te verlangen dat zij geen onderscheid maken tussen varianten van het wettelijk huwelijk en dat zij bereid en in staat zijn alle huwelijken die aan hen worden toegewezen te sluiten, geen uitgezonderd. Zij dienen in deze functie van bestuursorgaan op geen enkele wijze blijk te geven van een onderscheid op grond van geslacht of seksuele geaardheid, noch overigens op andere gronden zoals ras, godsdienst, leeftijd of fysieke kenmerken. Wie dat niet wil of kan, wordt niet door de wetgever of de overheid veroordeeld of uitgesloten, maar is simpelweg ongeschikt om als bestuursorgaan van de overheid in deze op te treden. Net zoals het onacceptabel is als een ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijk zou weigeren te sluiten omdat het bruidspaar joods is of protestants of katholiek of omdat de bruid zwanger is of in zijn ogen eigenlijk nog veel te jong. De geschiktheidseis betekent dus niet – daar zou mijn fractie grote moeite mee hebben – dat men neutraal moet zijn als persoon (dat kan niet eens) of moet afzien van welke godsdienstige opvattingen dan ook. Meerderheidsopvattingen worden er niet doorheen gedrukt. Maar van een ambtenaar van de burgerlijke stand die optreedt als bestuursorgaan en wettelijke bevoegdheden toepast, mag en moet worden verlangd dat hij of zij boven eigen bezwaren en overwegingen weet uit te stijgen om de overheidsdienst van de huwelijkssluiting voor een ieder gelijkelijk mogelijk te maken.

Dat is eigenlijk niet bijzonder, want dat vragen wij van anderen in de positie van bestuursorgaan ook. Denk aan de burgemeester die bij betogingen en manifestaties ook niet zijn of haar persoonlijke geloof of levensovertuiging mee mag wegen, maar slechts de wettelijke openbare orde-criteria. Een burgemeester die zich in de besluitvorming rond een bepaalde op handen zijnde openbare manifestatie wil laten vervangen door zijn loco vanwege persoonlijke gewetensbezwaren is eveneens ongeschikt voor zijn functie.

Is het stellen van deze geschiktheidseis in strijd met het gelijkheidsbeginsel? De Raad van State wierp die vraag op en meende dat er sprake kon zijn van spanning met artikel 3 Grondwet, de benoembaarheid van elke Nederlander, mits geschikt, in de openbare dienst. Ik kan die spanning eerlijk gezegd niet vinden, al zoek ik nog zo goed. Geschiktheidseisen doen niet af aan de gelijke benoembaarheid als grondwettelijk vereiste. Het direct onderscheid maken op grond van godsdienst of levensovertuiging is niet aan de orde in dit wetsvoorstel. Hooguit indirect omdat de wetgever uitspreekt gewetensbezwaren niet te honoreren in de benoemingsvereisten, ook niet als die bezwaren een religieuze achtergrond hebben. Aan de wetgever komt deze bevoegdheid toe, zolang dit te begrijpen is als een geschiktheidseis en bovendien gerechtvaardigd is met het oog op een relevant maatschappelijk belang. Dat belang is dat burgers mogen vertrouwen op toepassing van de wet door bestuursorganen zonder onderscheid des persoons.

Voorzitter,

Het wettelijk huwelijk heeft in ons land niet alleen een formeel-juridische, maar in toenemende mate ook een ceremoniële betekenis. Dit vindt ongetwijfeld zijn achtergrond in de voortgeschreden ontkerkelijking. De vanzelfsprekendheid van wettelijk en kerkelijk huwelijk die in elkaars verlengde lagen, is allang verdwenen. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat het wettelijk huwelijk steeds meer karaktertrekken is gaan vertonen van de huwelijkssluiting die vroeger tot het religieuze domein behoorde. Ceremonieel, ritueel, feestelijk maar ook met elementen van bezinning. Dit is alleen maar sterker geworden nu het in vrijwel alle gemeenten mogelijk is op bijzondere plekken het wettelijk huwelijk te laten sluiten, tot en met kerkgebouwen. De ambtenaar van de burgerlijke stand krijgt hierdoor ook steeds meer een uitstraling die boven de pure wettelijke functie uitstijgt. Dit wordt ook weerspiegeld in de vele buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand die bekwaam zijn om juist deze dimensie vorm te geven èn in de zg. babsen-voor-één-dag. Ik zeg niet dat deze ontwikkeling goed of slecht is. Ik constateer wel dat hij bestaat en ook in dit debat van invloed is. In dat kader vraag ik mij af of wij voldoende hebben doordacht wat de maatschappelijke betekenis van de wettelijke huwelijkssluiting tegenwoordig is. Krijgt de sluiting van het wettelijk huwelijk steeds meer dimensies die uitstijgen boven de oorspronkelijke context en zou het inderdaad de verantwoordelijkheid van de overheid zijn en blijven om die extra dimensie te faciliteren: spiritueel, feestelijk, bezinnend en verdiepend, inclusief muziek, symboliek en een toespraak die vaak meer weg heeft van een preek dan de bezegeling van een juridisch contract? Enerzijds hebben wij de scheiding van kerk en staat en die willen wij graag houden. Anderzijds vervult de wettelijke huwelijkssluiting steeds meer een rol die eigenlijk buiten het domein van de overheid ligt. Ik zou benieuwd zijn naar de zienswijze op dit punt van minister Plasterk. Hij is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en niet de minister van Eredienst, die kennen wij sinds 1868 niet meer. Juist daarom vraag ik zijn reactie.

Voorzitter,

Nog een enkel detail tot slot. Collega Schouwenaar en ik meen ook anderen hebben de vraag opgeworpen of deze wettelijke regeling ook zou moeten gelden voor buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand voor één dag. Het probleem doet zich daar immers niet voor dat de beoogde babs mogelijk zou weigeren. Ik begrijp zijn vraag, maar begrijp ook de initiatiefnemers die reeds eerder hebben aangegeven dat de wet het fenomeen babs-voor-één-dag nu eenmaal niet als afzonderlijke categorie erkent. Een uitzondering formuleren via novelle of reparatiewet lijkt mij eerlijk gezegd nodeloos bureaucratisch. Wie tot babs-voor-één-dag wordt beëdigd en benoemd, kan zonder aarzeling ja zeggen op de geschiktheidsvragen. Hij of zij komt immers nooit voor de vraag van een weigering te staan. Is dat niet een pragmatische oplossing?

Voorzitter, het moge duidelijk zijn dat de fractie van D66 positief staat tegenover het initiatiefvoorstel. Mijn vragen waren door mevrouw Dijkstra en de heer Schouw reeds in de schriftelijke ronde genoegzaam beantwoord. Niettemin wacht ik natuurlijk met veel belangstelling hun reactie op mijn hier gemaakte opmerkingen af, liefst in ondersteunende zin. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Gepubliceerd op 27-05-2014 - Laatst gewijzigd op 14-08-2014

Nu is het moment.

D66 zal altijd blijven strijden voor een vrije en open samenleving. Waarin het niet uitmaakt waar je vandaan komt, van wie je houdt of waar je in gelooft. Wij vechten voor respect voor elkaar. Voor tolerantie. En dat zullen we altijd blijven doen. Dit is het moment, meer dan ooit, om je uit te spreken. Steun het optimisme.

Word nu lid
Rob Jetten

Hi,
Heb je een vraag? Neem dan contact op met mijn collega's via WhatsApp of ga naar onze contactpagina.
Groet, Rob

Whatsapp ons 06 11 91 25 48