Blijf op de hoogte

Kies zelf van welke thema's jij op de hoogte blijft en schrijf je in voor een van onze nieuwsbrieven. Je ontvangt dan altijd de laatste updates op basis van jouw interesses. Wil je ook via Whatsapp op de hoogte blijven? Meld je dan direct aan.

Door je e-mailadres in te vullen en op "aanmelden" te klikken geef je ons toestemming om je e-mailadres op te slaan. Dit gebruiken wij om je regelmatig updates te sturen. Hier kun je meer lezen over hoe we omgaan met jouw persoonsgegevens. Hier kun je alle voorkeuren wijzigen.

Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

Bijdrage debat Initiatiefvoorstellen referendum

Voorzitter,

Jongstleden zondag vond in het televisieprogramma Buitenhof een discussie plaats over de wenselijkheid van invoering van een referendum in Nederland. Een van de indieners, mevrouw Voortman, was participant in die discussie, waar voorts een politicoloog en een rechtsfilosoof aan deelnamen. Wat mij opviel was dat zelfs in zo’n eminent gezelschap het nog moeilijk genoeg was om begripsvervuiling te voorkomen. Argumenten tegen het raadplegend referendum werden ingezet tegen het raadgevend referendum, het correctief referendum werd op één hoop gegooid met volksinitiatieven. Het is kennelijk lastig voor niet-ingewijden om onderscheid te maken en toch is dat essentieel in de beoordeling van hetgeen vandaag voorligt. Hoewel bijvoorbeeld mijn partij veelal wordt geassocieerd met “het referendum”, is er in onze kringen weinig steun voor referenda die door regering of parlement als een vorm van plebisciet worden geïnitieerd of voor vormen waarin de vraagstelling niet uit concrete wetsvoorstellen voortvloeit, maar door commissies moet worden geformuleerd met alle problemen van dien. Liever geen raadplegende referenda en raadgevend wat ons betreft vooral als opmaat naar een echt decisief correctief referendum. Zomaar als politiek referenda uitlokken over politiek gevoelige vraagstukken omdat we op dat onderwerp en dat moment verlegen zijn met de parlementaire democratie, acht mijn fractie een brevet van onvermogen en fundamenteel onwenselijk. In onze opvatting moet het referendum een recht van de burgers zijn, niet een instrument in handen van politici. Tegen deze achtergrond beoordeelt mijn fractie vandaag de voorliggende voorstellen.

In Buitenhof kwamen zondag enkele voor-en-tegens van het instrument referendum aan de orde, die mij niet onbekend in de oren klonken: het dichten van de kloof tussen kiezers en gekozenen, betrokkenheid van burgers bij het over hen uitgeoefende bestuur, de al dan niet aangetaste betekenis van de representatieve democratie en de ingewikkeldheid van politieke besluitvorming die je toch niet zomaar aan de emotie van burgers kunt overlaten. Bekende argumenten en inmiddels ook al behoorlijk bejaard.

Zij worden al gehanteerd sinds Troelstra in 1903 een voorstel aanhangig maakte tot invoering van een facultatief referendum dat hij overigens koppelde aan de door hem bepleite afschaffing van de Eerste Kamer. Misschien dat vooral dat laatste de reden was dat zijn voorstel geen schijn van kans maakte. De staatscommissie-Ruys de Beerenbrouck overwoog in 1920 eveneens de invoering van het referendum, maar sprak zich daar in meerderheid tegen uit, behalve bij grondwetsherzieningen en ingeval van een wisseling van staatsvorm (waar overigens ook een grondwetsherziening voor nodig is). Een volgende staatscommissie, onder leiding van oud-vicepremier Van Schaik, keerde zich in 1951 na ampele afweging tegen het instrument referendum. Ook de beroemde commissie-Cals-Donner, die de aanzet tot de algehele herziening van de Grondwet van 1983 gaf, zag in 1971 in meerderheid geen heil in een beslissend referendum. Verdeeldheid alom dus.

Eerst de Staatscommissie-Biesheuvel kwam in 1984 in het rapport ‘Relatie kiezers beleidsvorming’ tot een unanieme aanbeveling tot invoering van een facultatief correctief wetgevingsreferendum. Ons medelid Hans Franken zal zich het rapport goed herinneren, hij maakte immers deel uit van deze politiek breed samengestelde commissie. Ik zal collega Lokin natuurlijk niet dertig jaar later met de toen door de heer Franken gedeelde argumentatie om de oren slaan, dat zou flauw en onjuist zijn. Opmerkelijk was wel dat de zeer gezaghebbende Staatscommissie op veel fronten, zoals over de kabinetsformatie en de benoeming of verkiezing van de burgemeester, verdeeld adviseerde, maar op het punt van het correctief wetgevingsreferendum volstrekt eensgezind was. Ik betreur het dat deze eensgezindheid vervolgens geen direct politiek gevolg heeft gekregen. De kabinetten Lubbers hadden geen behoefte aan staatsrechtelijke nieuwlichterij. Pas onder Paars kwam het tot een concreet voorstel tot wijziging van de Grondwet om de introductie van een beslissend correctief wetgevingsreferendum mogelijk te maken. U weet hoe het in de tweede lezing met dit voorstel in de vroege ochtend van 19 mei 1999 afliep, en anders weet ik het nog wel. De nipte verwerping zorgde voor een langdurige impasse. Ik herinner mij dat in de dagen na de verwerping, die tot een tijdelijke kabinetscrisis leidde, door verschillende partijen in de Tweede Kamer werd geopperd dat de regering onverwijld hetzelfde wetsvoorstel opnieuw zou moeten indienen. Dat leek mij toen en nu politiek ongewenst en staatsrechtelijk onzuiver. Het zou immers geen logische en respectvolle reactie vormen op een duidelijk oordeel van het parlement, hoe dat ook tot stand was gekomen en wat je daar ook van mocht vinden. Een nieuwe poging om de Grondwet op dit punt aan te passen, vraagt een hernieuwd debat in de samenleving en zowel politiek als maatschappelijk gewijzigde omstandigheden en opvattingen.

Mijn fractie meent dat daarvan sprake is. Wij complimenteren de initiatiefnemers en al hun voorgangers (en dat zijn er nogal wat gelet op de lange duur van dit traject) dat zij het nieuwe momentum sedert 2005 hebben gevoeld en deze twee wetsvoorstellen hebben ingediend. Mijn fractie meent met de initiatiefnemers dat de casus voor een correctief door kiezers uit te lokken wetgevingsreferendum in deze eeuw sterker is geworden. Ik wijs daarbij op de exponentieel toegenomen volatiliteit in het electoraat dat de relatie tussen parlementaire besluitvorming en de materiële legitimatie daarvan onder de kiezers zacht gezegd onvoorspelbaar maakt. Ook lijkt de steun onder de bevolking voor de mogelijkheid om de representatieve democratie in uitzonderlijke gevallen te corrigeren (en aldus te verbeteren) te zijn toegenomen. Regering en parlement hebben daarnaast zelf – uit eigen beweging – tot tweemaal toe sedert 1999 vormen van referenda mogelijk gemaakt. Eerst het zg raadgevend wetgevingsreferendum als surrogaat voor het verworpen grondwettelijk verankerde beslissend referendum en later de raadpleging over het Europese constitutionele verdrag in 2005. Dat was in mijn ogen weliswaar een ongelukkige en wezenlijk onjuiste vorm, maar feit blijft dat dit Europees referendum een uiting was van een veranderd maatschappelijk klimaat met betrekking tot de betekenis van de vertegenwoordigende democratie en de aanvullende en corrigerende betekenis van volksuitspraken.

De tijd is daarom dus rijp voor een nieuwe en hopelijk ditmaal wel succesvolle poging tot grondwettelijke verankering. Uit mijn betoog kunt u opmaken dat mijn fractie een principiële keuze maakt voor het referendum als een door de burgers te hanteren recht om over een door regering en Staten-Generaal voorgenomen wetsbesluit een oordeel uit te spreken en eventueel dat voornemen te verwerpen. Een correctierecht dus, dat niet in de plaats komt van de representatieve democratie maar daar een aanvulling op is. Dat recht mag naar ons oordeel de vertegenwoordigende democratie echter niet uithollen. Directe democratie kan nu eenmaal niet alle functies van de representatie overnemen. Ik zeg dat zo nadrukkelijk omdat te gemakkelijk tegenstanders van vormen van referenda menen dat voorstanders daarvan onvoldoende waardering hebben voor de vertegenwoordigende democratie. Ik draai het om: wie, zoals ik, groot vertrouwen heeft in de werking van de representatieve democratie, moet zich ook realiseren dat deze per definitie onvolkomenheden kent. De afstand tussen de professionele volksvertegenwoordigers en  de bevolking, hun kiezers, kan  niet altijd gemakkelijk worden overbrugd, hoezeer die volksvertegenwoordigers daar ook hun best voor doen. Bovendien zijn zij in een mediacratie zeer afhankelijk geworden van intermediaire structuren. Een andere en misschien wel wezenlijker onvolkomenheid is dat de uitkomst van het debat en de besluitvorming in een parlementair stelsel niet altijd en zeker niet vanzelfsprekend de meerderheidsopinie onder de kiezers weerspiegelt. Politiek bedrijven betekent compromissen sluiten, onderhandelen, geven en nemen. Daar is op zich zelf niets mis mee, dat kunnen de volksvertegenwoordigers beter dan de bevolking die op een virtueel marktplein bijeen is gekomen. Soms echter kan de uitkomst van dat besluitvormingsproces onderworpen zijn geraakt aan politieke deals waar geen kiezer zich meer in herkent. Ook is wel gewezen op vraagstukken die dwars door alle partijen heen tot verschil van inzicht leiden en waarover besluitvorming op geen enkele manier meer te herleiden is tot verkiezingsprogramma’s of campagnestandpunten.  In die randen van de parlementaire democratie, waar de representatie ondergeschikt is geraakt aan de wetmatigheden van de politieke macht of de actualiteit, kan het correctief referendum een uitkomst bieden. Een constitutionele noodrem voor de kiezers. Die hanteer je niet elke dag, maar alleen in noodgevallen, in uitzonderlijke omstandigheden, op momenten waarop de representatieve democratie zijn grenzen heeft genaderd of overschreden.

Daarom is mijn fractie ook een voorstander van stevige drempels voordat daadwerkelijk een correctief wetgevingsreferendum kan worden gehouden. Geen lichtvaardig te gebruiken instrument, maar een ultimum remedium. De initiatiefnemers hebben er voor gekozen om deze drempels van aantallen kiezers die een inleidend verzoek indienen, aantallen kiezers die steunverklaringen ondertekenen en aantallen of percentages kiezers die daadwerkelijk opkomen, niet in de Grondwet zelf op te nemen, maar door de gekwalificeerde wetgever te laten regelen. Mijn fractie is niet op de voorhand overtuigd van de argumentatie van de initiatiefnemers dat dit de voorkeur geniet omdat wijziging van de Grondwet zo moeizaam is. Daar tegenover kan gesteld worden dat juist de drempelwaarden niet flexibel dienen te zijn, afhankelijk van de wetgevingswaan van de dag. Bovendien wordt het wetgevingsproces bijzonder gedetailleerd in de Grondwet geregeld, waardoor de grondwettelijke referendumregeling, die de vrucht van dit wetgevingsproces ongedaan kan maken, wat mager overkomt. Ik nodig de initiatiefnemers uit om hier nog eens op te reflecteren. Overigens ga ik er van uit dat zij in dit debat niet verder zullen speculeren over de precieze hoogte van deze drempelwaarden. Juist nu zij er voor hebben gekozen deze niet deel uit te laten maken van de Grondwet maar van uitvoeringsregelgeving, is terughoudendheid gepast om het oordeel over de grondwetswijziging niet te vermengen met een oordeel over de nadere uitvoering.

Nog een enkele vraag over het voorstel tot grondwetswijziging. Mijn fractie vraagt zich, ook na de nadere beantwoording van de initiatiefnemers, in gemoede af of het wenselijk is wetgeving die alleen materiële betekenis voor het Caribisch deel van Nederland onder de werking van dit voorstel te laten vallen. Het gaat om zg. BES-wetten die voor de ingezetenen in het Europees deel geen enkel rechtsgevolg meebrengen. De initiatiefnemers zien voor een uitzondering geen aanleiding. Graag daar nog eens een toelichting op.

Een ander punt betreft de uitzondering die als gevolg van een amendement Anker-Schinkelshoek voor wetsvoorstellen tot grondwetsherziening worden gemaakt. Mijn fractie betreurt deze wijziging van het oorspronkelijk voorstel waardoor de tweede lezing van een grondwetswijzigingsvoorstel niet meer referendabel wordt. De argumentatie die in de Tweede Kamer is gewisseld, overtuigt mij niet. De ontbinding die art. 137, derde lid GW na de eerste lezing voorschrijft, had als oogmerk een duidelijke uitspraak van de kiezers te vragen over een grondwetsherziening, maar is de facto al lang in betekenis gerelativeerd nu ontbinding vanwege grondwetsherziening in de praktijk altijd wordt gecombineerd met reguliere of vanwege politieke crises tussentijdse Kamerontbindingen. Het referendabel maken van de tweede lezing, zoals meen ik ook in het oude voorstel uit 1999 was voorzien, zou recht doen aan de oorspronkelijke basisgedachte van een kiezersuitspraak over de Grondwet. Graag hoor ik hierover de opvatting van de initiatiefnemers en, indien hij die heeft, ook van de minister van BZK. .

 

Voorzitter,

Ik kom tot slot nog te spreken over enkele aspecten van het andere voorliggende initiatiefvoorstel dat het raadgevend wetgevingsreferendum mogelijk maakt, of beter gezegd, her-invoert na de expiratie van  de eerdere Tijdelijke referendumwet. Mijn fractie begrijpt het aldus dat de initiatiefnemers dit raadgevend referendum als losstaand instrument zien, dat wil zeggen: niet gerelateerd aan het decisief referendum waarvoor nu een grondwetswijziging voorligt. Dat de initiatiefnemers voor twee ankers willen gaan liggen, is begrijpelijk: als onverhoopt de grondwetsherziening niet tot stand komt, is er altijd nog het raadgevend referendum waarvoor een grondwettelijke regeling niet noodzakelijk is. Maar omgekeerd acht ik het toch bepaald lastig als naast een wettelijke regeling van een decisief correctief referendum ook een wet raadgevend referendum zou bestaan en dat die beide regelingen naast elkaar zouden kunnen worden toegepast. Naar het oordeel van mijn fractie is het raadgevend referendum een afgezwakte vorm van het beslissend referendum, dat alleen een eigen bestaansrecht heeft als de grondwettelijke verankering en de wettelijke regeling van dat beslissende referendum niet of nog niet tot stand is gekomen. Daarom is een horizonbepaling niet onlogisch, in de vorm van het van rechtswege beëindigen van deze wet als een wettelijke regeling voor het beslissend referendum van kracht is geworden. Mijn vraag aan de initiatiefnemers is of het niet verstandig is om ter zake een reparatiewetje in te dienen.

Ten aanzien van de drempelwaarden meent mijn fractie dat de initiatiefnemers nogal mild zijn in hun eisen. Zij grijpen terug op de drempels die dertig jaar geleden door de staatscommissie-Biesheuvel zijn voorgesteld, nl. 10.000 handtekeningen voor de eerste inleidende fase en 300.000 handtekeningen voor de definitieve fase. In de Tijdelijke Referendumwet lagen die getallen 4x resp. 2x zo hoog. Wat mijn fractie betreft hadden die laatste hoge drempelwaarden mogen worden aangehouden; het is immers door de moderne communicatiemiddelen beslist eenvoudiger geworden om voldoende steun te organiseren. Onze stem zullen wij in verband met dit geschilpunt aan het wetsvoorstel niet onthouden, maar wij zouden het ook niet erg vinden als in de toekomst deze drempels alsnog zouden worden verhoogd. Zoals ik eerder al zei: een correctief referendum, ook als het raadgevend is, moet een hoge uitzondering blijven, een ingrijpen van kiezers in het representatieve stelsel dat niet te lichtvaardig mag geschieden. Graag de reactie van de initiatiefnemers. Ook de zienswijze van de regering stel ik op prijs.

D66 heeft geen principiële voorkeur voor het opnemen van een opkomstdrempel in dit voorstel voor een raadgevend referendum. Ik besef dat je hier op twee manieren naar kunt kijken: een opkomstdrempel is ongewenst, zoals de initiatiefnemers stellen, omdat het slechts gaat om een raadgeving en juist met zo’n drempel de suggestie wordt gewekt van een bindende uitslag. En omgekeerd, zoals de PvdA-fractie heeft betoogd: de materieel bindende werking die in de praktijk van een raadgevend referendum zal uitgaan maakt een behoorlijke opkomstdrempel juist wenselijk. Voor het een en voor het ander valt wat te zeggen. Als de initiatiefnemers zouden besluiten om na aanvaarding, bekrachtiging en inwerkingtreding van deze wet op dit onderdeel met aanvullende voorstellen te komen, heeft mijn fractie daar geen moeite mee. Ik hoor in dit verband ook graag de opvatting van de regering.

Ik wacht met oprechte belangstelling de reactie en de antwoorden van de initiatiefnemers en de regering, kan het zijn vandaag, af.

Gepubliceerd op 09-04-2014 - Laatst gewijzigd op 30-04-2014

Nu is het moment.

D66 zal altijd blijven strijden voor een vrije en open samenleving. Waarin het niet uitmaakt waar je vandaan komt, van wie je houdt of waar je in gelooft. Wij vechten voor respect voor elkaar. Voor tolerantie. En dat zullen we altijd blijven doen. Dit is het moment, meer dan ooit, om je uit te spreken. Steun het optimisme.

Word nu lid
Rob Jetten

Hi,
Heb je een vraag? Neem dan contact op met mijn collega's via WhatsApp of ga naar onze contactpagina.
Groet, Rob

Whatsapp ons 06 11 91 25 48