‘Vrijheid zou altijd moeten gaan over het individu in de samenleving’ – Interview Michael Freeden

Beeld: Van Mierlo Stichting

‘Vrijheid zou altijd moeten gaan over het individu in de samenleving’

Door Coen Brummer
Vertaling Tessa Holzman

Zelfs vóór de coronacrisis uitbrak had het liberalisme het zwaar. Zij kreeg de schuld van veel tot alle huidige wereldproblemen, van groeiende ongelijkheid en uit de hand gelopen globalisering tot het gebrek aan thuishoren in een gemeenschap. Wat moeten we hiermee? Ik sprak Michael Freeden, één van de vermaardste academici rondom het liberalisme, om hierachter te komen. Een bekende voorstander van het liberalisme als progressieve kracht binnen de maatschappij, diep geworteld in de traditie van sociale hervorming die in de 19e eeuw in Groot-Brittannië de kop opstak en een felle tegenstander van de neoliberale wending die het liberalisme sinds de jaren ’80 heeft genomen.
‘We hebben een top-heavy, politiek onverantwoorde sfeer waarbij de regering terzijde wordt geschoven door de kracht van multinationals en financiële markten. Daar is niets liberaals aan.’

Wat is uw perspectief op de huidige stand van zaken van het liberalisme in Europa?
‘De uitdagingen voor het liberalisme komen uit een aantal verschillende hoeken. Enerzijds is er natuurlijk de groei van het populisme, anderzijds is er de constante verwarring van het liberalisme met het neoliberalisme, wat heel iets anders it. Het is vervelend dat het woord ‘liberalisme’ erin voorkomt, waardoor het lijkt op een kolonisatie van een totaal verschillende set standpunten. De derde uitdaging is dat het liberalisme nog niet de juiste taal heeft gevonden om met gewone mensen te kunnen praten. Ik zeg soms als halve grap, ‘liberalen zingen niet’. De communisten hebben The Internationale, de nazi’s hadden hun Horst-Wessel-Lied, maar liberalen zingen nooit. Zij spreken geen passies of emoties aan. Maar dat heb je in deze moderne samenleving wel nodig. De politiek is niet zo rationeel als mensen denken. Het liberalisme heeft sterke emoties, bijvoorbeeld woede om bepaalde vormen van onrechtvaardigheid, maar het heeft niet de juiste taal om dat te communiceren aan de gewone burger.’

Maakt u zich zorgen om deze uitdagingen?
‘Ik maak me zorgen omdat het liberalisme in mijn ogen een humanistische ideologie is. Maar het wordt verbasterd tot een soort economisme of technische grondwetsbeweging. Ik weet dat in Nederland het eerbiedigen van de grondwet een sterk element van het liberalisme is en dat is ook belangrijk, maar het idee over hoe een gemeenschap zich moet gedragen binnen de context van humanistische praktijken is het belangrijkste idee dat vaak over het hoofd wordt gezien. En dat gebeurt omdat het concept van overkoepelende politieke programma’s is verdwenen. We kijken nu naar concrete thema’s, zoals gezondheidszorg en klimaatverandering en genderidentiteit. Nu zijn dit allemaal cruciale elementen, en ik weet dat liberalen er veel over te zeggen hebben. Maar over het algemeen zijn mensen heel beleidsgericht geworden, op een hele micro manier. Ze missen de grotere humanistische boodschap waar deze dingen op gebouwd zijn en slagen er niet in dat verband te leggen.’

U zei dat het neoliberalisme het liberalisme heeft ‘gekoloniseerd’. Wat moeten we daarbij voorstellen?
‘Neoliberalen spreken niet van individuele burgers. Ze spreken van cliënten, klanten, economische consumenten. Dat is hun sociale eenheid. In de London Underground spreken ze niet meer van passagiers, maar van klanten, wat een uitsluitend commerciële relatie impliceert tussen burger en bedrijf. Het enge aspect aan het neoliberalisme is die commercialisatie van de menselijke band. Liberalen moeten zich hiertegen verzetten, en duidelijk aangeven dat zij niet in die mening delen.’

Toch zijn het liberalisme en het kapitalisme voor de meeste mensen zo met elkaar verbonden dat het moeilijk is om de twee los van elkaar te zien.
‘Nou, je hebt kapitalisme, en dan heb je kapitalisme. Als je naar de geschiedenis van het liberalisme kijkt, begon het als een ideologie ter verdediging van de vrijheid en de rechten van het individu. Toen ontwikkelde het zich tot het aanmoedigen van individuele onderneming. Daardoor maken ondernemerschap en het verbreden van de horizon van individuele werkzaamheid een essentieel deel uit van de tweede 19e-eeuwse golf van het liberalisme. Als we het kapitalisme interpreteren als het belang van privérelaties en privébezit voor het stimuleren van de economie, dan gaan het kapitalisme en het liberalisme inderdaad hand in hand. Maar als we het met ‘kapitalisme’ hebben over het wegnemen van het gezag van de staat en het overhandigen van dat gezag aan gigantische internationale conglomeraten, dan is dat heel iets anders. Wat we nu zien, is dat we een top-heavy, politiek onverantwoorde sfeer hebben waarin de overheid wordt vervangen, of terzijde wordt geschoven door de kracht van multinationals en financiële markten. Daar is niets liberaals aan.’

Tijdens de recente coronacrisis keren veel van die bedrijven zich naar de staat om gered te worden. Enkele critici betogen dat het liberalisme een wereld heeft gecreëerd waarin de handel kan bloeien, maar dat het uit de hand is gelopen.
‘Het probleem met die analyses is dat mensen vaak denken dat het liberalisme vaststaat, terwijl het juist constant verschuift en verandert, zowel door de tijd heen als door verschillende culturen heen. In veel opzichten, heeft conservatief beleid zich verplaatst naar gebieden die vroeger liberaal waren, terwijl het liberalisme zich in sommige aspecten verder heeft ontwikkeld. Dus ja, 19e-eeuws liberalisme heeft de bodem gelegd voor 19e-eeuws kapitalisme, maar ik denk niet dat het behouden van het soort multinationale kapitalisme met als doel particulier belang ten koste van het algemeen welzijn, deel uitmaakt van de hedendaagse liberale agenda. Het lijkt mij vreemd om wat liberalen honderd of vijftig jaar geleden hebben gedaan of gedacht de schuld te geven van huidige gebreken. Hun agenda is aan het veranderen, terwijl anderen gebieden bezetten die liberalen lang geleden achter hebben gelaten.’

Dankzij de corona-uitbraak, lijkt het alsof we getuige zijn van een wedergeboorte van de staat. Zelfs liberale groepen die in het verleden een neoliberalere insteek hadden, keren zich tot overheidsinstanties voor bescherming tegen economische tegenspoed. Verwacht u hierdoor een hechtere band te zien tussen liberalen en sociaaldemocraten?
‘Er zijn geen harde grenzen tussen rechts liberalisme en conservatisme en tussen links liberalisme en vormen van sociaaldemocratie. Als je kijkt naar de geschiedenis van het liberalisme, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, wat ik het beste ken, bleek het ontstaan van een sociaal begrip voor het liberalisme uiteindelijk cruciaal. In het klassieke boek over het liberalisme van Leonard HobHouse [Liberalism, uitgegeven in 1911, CB.] is er een prachtige zin: ‘Mutual aid is no less important than mutual forbearance, the theory of collective action no less fundamental than the theory of personal freedom’. Het was een poging tot balans tussen de twee dat niet de sociaaldemocratie, maar het sociaal-liberalisme teweeg bracht, denk ik. Ik zou zeggen dat het communautaire aspect van het sociaal-liberalisme, dat in Amerikaanse versies altijd achterwege wordt gelaten, eigenlijk essentieel is voor het Britse liberalisme, voor het Italiaanse liberalisme, voor het Scandinavische liberalisme. De vraag is eigenlijk of de partijen die zich sociaaldemocraat noemen zich niet eigenlijk sociaal-liberaal-democraat zouden moeten noemen.’

Laten we zeggen dat we afstand nemen van deze neoliberale standpunten die u heeft besproken. Wat moeten de prioriteiten voor liberalen worden als het op het terugdringen van politiek onverantwoorde krachten en het heroveren van liberale waarden aankomt?
‘Het is deels een kwestie van nadrukkelijk publieke regulering, om ervoor te zorgen dat bepaalde delen van de samenleving immuun zijn tegen de schade die conservatief kapitalisme heeft veroorzaakt. Dat is een doorlopend probleem in elke westerse maatschappij. Dat is waarom we ook naar achtergestelde groepen in de samenleving moeten kijken. Bijvoorbeeld, een handicap is niet alleen een persoonlijk probleem, zoals ze ooit wel werden beschouwd, maar een nationaal probleem. Mensen met een beperking hebben precies dezelfde rechten als de rest van de bevolking, dus dat is het punt waar de staat bij moet springen. Het gaat om het verwijderen van belemmeringen voor de individuele vrijheid. We moeten ons afvragen: wat zijn de belemmeringen die verwijdert moeten worden voordat wij allen onze keuzes en vrije wil kunnen uitoefenen?’

Dit is in feite de eerste keer dat vrijheid wordt genoemd, terwijl dat normaliter het startpunt van een gesprek over het liberalisme zou vormen.
‘Natuurlijk is vrijheid een waarde van het liberalisme. Het gevaar ligt in de neiging van sommigen om het vrijheidsconcept op te blazen tot er geen ruimte meer is voor de andere kernconcepten van het liberalisme. De vraag is altijd om de definitie van balans tussen vrijheid en vooruitgang, vrijheid en gelijkheid, vrijheid en redelijk gedrag, vrijheid en het eerbiedigen van de grondwet. Vrijheid op zichzelf wordt een libertair perspectief waarin de rest onderdanig wordt aan deze magische, redeloze aantrekking tot vrijheid. Dus vrijheid, jazeker, maar altijd binnen de context waarin wij onderling afhankelijke wezens zijn. In de 21ste eeuw moet vrijheid niet duiden op het geïsoleerde individu, maar op het individu dat tot een gemeenschap hoort. Om onze vrijheid uit te kunnen oefenen hebben we de hulp van anderen nodig om ons van onze beperkingen te bevrijden. We moeten samen handelen om de opties en keuzes waar te kunnen maken die deel uitmaken van vrij zijn. Vrijheid is geen stilstaande toestand. Het is een emanciperende eigenschap waarbij mensen tot dingen in staat zijn die anders niet mogelijk waren geweest.

Is de traditionele politieke partij nog de beste manier om deze ideeën te waarborgen?
‘Ik denk niet dat liberale ideologieën en liberale partijen ooit hetzelfde zijn geweest. Partijen over het algemeen hebben een conservatievere neiging wanneer het op nieuwe ideeën ontwikkelen aankomt. Ideeën komen meestal van buiten de politieke partij. Zij leiden een apart leven buiten die instanties om en ik denk dat dit zo door zal blijven gaan. Ik heb twee boeken over vooroorlogs Brits liberalisme geschreven en ik dacht eraan een derde over naoorlogs liberalisme te schrijven. Maar er is gewoon niets interessants over te zeggen! Het vermogen van de liberale partij tot nieuwe ideeën en innovatie is afgestorven. De interessantste ideeën komen niet uit de partij-apparatchik. Ze komen van journalisten, denktanks, academici. Dáár moet men zoeken naar de toekomstontwikkeling van ideeën. Het liberalisme buiten de partijstructuur is springlevend. Maar het wordt niet altijd genoemd onder de officiële liberale vlag.

Dit interview verscheen eerder in Idee, juli 2020.