Blijf op de hoogte!

Steun ons en help Nederland vooruit

vrijdag 10 februari 2017

Longread: Alexander Pechtold over identiteit

Lees hier de longread van Alexander Pechtold over de Nederlandse identiteit, samenwerking en zijn zoektocht naar het compromis.

Leestijd: 12 minuten

Er is geen moment in de geschiedenis, en geen plek ter wereld waar ik liever geboren zou zijn dan het Nederland van nu. Zeker als ik van tevoren niet wist wat ik zou worden: man of vrouw, homo of hetero, arm of rijk. En ik vermoed dat meer dan 90% van de wereldbevolking er zo over denkt.

Ik zie zinnen voorbijkomen als ‘Nederland ligt met zichzelf in de knoop,’ ‘mensen voelen zich niet gehoord’ en ‘hebben veel last van de economische crisis.’ Of ‘Nederland, als we afgaan op de media, lijkt veranderd in een boze natie met weinig compassie en tolerantie voor andersdenkenden.’

Nou weet u als geen ander: je moet niet alles geloven wat je in de media leest. En uit eigen ervaring weet ik dat er nog wel eens wat nepnieuws opduikt. Maar als politicus weet ik ook dat mensen geneigd zijn te geloven dat iets waar is, als het maar vaak genoeg herhaald wordt. Daarom zet ik graag tegenover dat negatieve beeld een aantal feiten. Ik weet het, ze zijn een beetje uit de mode, maar het ging in veel opzichten nog nooit zo goed met Nederland:

  • De levensverwachting was nog nooit zo hoog.
  • Nog nooit was een Europees zorgstelsel zo goed als het onze nu.
  • We hebben de meest concurrerende economie van Europa.
  • Onze kinderen horen bij de gelukkigste ter wereld.
  • We scoren steevast in de wereldtop als het gaat om vertrouwen in de democratie.

Zo kan ik nog wel even doorgaan. En dan heb ik het nog niet eens over de nationale trotsen waar Arjen Lubach ons recent aan herinnerde, zoals ‘the greatest miniature city in the world’, Gerri Eickhof en ‘Ponypark Slagharen’. Kortom, er is reden voor optimisme, vind ik als optimist in de politiek.

 

Desalniettemin worden we al bijna 15 jaar getrakteerd op een niet aflatende stroom negatieve berichten over het favoriete thema van pessimisten: de integratie. Man man man, wat gaat het daar slecht mee. Zo lijkt het. Het onbevooroordeeld benoemen en nuchter analyseren van problemen en uitdagingen – en die zíjn er natuurlijk – is een groot goed. Maar mag ik zeggen dat we een beetje doorgeschoten zijn? Ja, dat mag ik zeggen. In de nieuwe politieke correctheid is geen plek voor positieve ontwikkelingen.

Het bracht collega-lijsttrekker Rutte er bij Zomergasten toe met een vertrokken grimas te zeggen: “Ik haat de multiculturele samenleving.” Hij zei die uitzending echter nog gekkere dingen, die nog meer aandacht trokken. Daarom sneeuwde deze helemaal onder.

Ik vraag me ten zeerste af wie er uiteindelijk beter van wordt als we blijven hangen in dit soort stereotypes. Ons daardoor laten gijzelen. Ik weiger me erdoor te laten intimideren. Want, als we kijken naar wat Nederlanders met een niet-westerse achtergrond dóen, bijdragen, dan zien we veel hoopvolle signalen.

Econoom Robin Fransman liet het laatst prachtig zien:

  • Deelname aan het hoger onderwijs is sterk gestegen. Voor de leeftijdscategorie van 25 tot 35 jaar steeg het aandeel met een hogere opleiding van 22 procent in 2001 naar 33 procent in 2012. Ongeveer hetzelfde als het totaal.
  • Steeds meer migranten hebben een betaalde baan.
  • Hetzelfde geldt voor ondernemerschap. Waarbij het aandeel zelfstandigen mét personeel steeg van 0,9 procent in 2003 naar 3 procent in 2016. In vergelijking met 4 procent onder autochtonen.
  • De tweede generatie is vaker lid van een vereniging, en doet vaker vrijwilligerswerk dan de eerste generatie.

De richting is onmiskenbaar positief. En tóch willen sommigen in Nederland een extra drempel opwerpen om te bewijzen dat de integratie mislukt is. Een hoepel waar migranten niet doorheen kúnnen springen.

Daarvoor tuigen conservatieven een Nederlandse identiteit op, met expliciete of impliciete etnische en religieuze vereisten, zodat veel Nederlanders er niet bij horen. Of op z’n minst dat gevoel hebben. En die úitsluitende opvatting van onze identiteit wordt vervolgens heiligverklaard. Ik plaats een groot vraagteken  bij die heiligverklaring. Mensen hebben immers meerdere identiteiten. Nationaal, regionaal, lokaal, internationaal. Aanhanger van een bepaalde religie en voetbalclub. Beoefenaar van een sport of hobby. Moeder en dochter.

En het is niet aan de overheid, maar aan mensen zélf, om die in een rangorde te plaatsen. Echte liberalen zetten ook hierbij het zelfbeschikkingsrecht voorop. Ontzuiling en individualisering betekenden dan ook belangrijke doorbraken voor onze ‘morele vrijheid’, omdat je nu zelf mag kiezen wie je wil zijn – zoals Hans Boutellier onlangs terecht stelde in Trouw. Maar misschien nog wel belangrijker: ik weiger mee te gaan in die enge, conservatieve variant van de Nederlandse identiteit waar zoveel landgenoten buiten vallen.

Zoals oud-CPB directeur Coen Teulings onlangs opmerkte “900.000 Turkse en Marokkaanse Nederlanders gaan hier niet meer weg. Zonder hun arbeidskracht komt onze economie krakend tot stilstand. Het geeft geen pas hen als tweederangsburgers te behandelen.” Ik sluit dan ook liever aan bij de Nederlandse traditie van Willem van Oranje en zijn democratische onafhankelijkheidsverklaring.

Bij de traditie van Spinoza, wiens voorouders hiernaartoe vluchtten vanwege hun geloof. Van Descartes, die hier zijn baanbrekende werk wél kon publiceren. Van Nederland gidsland, zoals met euthanasie, homohuwelijk en hopelijk voltooid leven. Een nationale identiteit gekenmerkt door openheid en respect, door vrijheid en een ondernemersgeest. De blik gericht op de wereld. Een traditie waarin het logisch is dat het laatste venster van de Canon van Nederland Europa is. Een identiteit waar 5 mei – als officiële feestdag waarop iedereen vrij is -uitstekend bij past. Een inclusieve identiteit dus, waar in theorie iedereen bij kan horen. Zoals John F Kennedy als Amerikaan kon zeggen: “Ich bin ein Berliner.” Verwijzend naar de vrije ziel van de Duitse stad waarmee hij zich verbonden voelde.

Inclusief, omdat ze volop ruimte laat voor verscheidenheid. Omdat openheid ook betekent verschil accepteren en respecteren. En uiteraard betekent je ópen stellen ook grénzen stellen. Daarom ben ik ook zo scherp op het bewaken van de grenzen van de rechtsstaat. Van welke kant de aantasting ook komt. Maar binnen die grenzen kunnen we verschillen prima aan met een stevige basis van gedeelde waarden. En die hebben we. Nederland onderscheidt zich als een land van keuzevrijheid vóór en gelijkwaardigheid ván ieder mens; van gelijke rechten en kansen voor man én vrouw; van bereidheid om hard te werken en om samen te werken; van omzien naar de ander en internationale betrokkenheid.

En als je met de bril van die waarden naar de integratie kijkt,dan zie je dat mensen met een niet-westerse achtergrondsteeds meer lijken op de rest van Nederland. De tweede generatie meer dan de eerste. En de eerste generatie nu meer dan 10 jaar geleden. Bijvoorbeeld als het gaat om opvattingen over homoseksualiteit of euthanasie.

Ik vertelde al eens eerder dat ik stond te flyeren voor station Gouda. Een jong echtpaar met een niet-westerse achtergrond lopend achter een kinderwagen vertelde me dat ze D66 gingen stemmen. Niet vanwege Wilders, maar omdat ze onderwijs belangrijk vonden voor hun kinderen. Ik vroeg ze: ‘U weet dat wij ook voor het homohuwelijk en het recht op abortus zijn?’ ‘Zeker’, zei de vrouw. ‘Vanwege mijn geloof zal ik nooit abortus plegen, maar dat is geen reden het andere vrouwen te verbieden.’ Ik vond het een hoopvol en ontroerend gesprek.

Ik deel dan ook het optimisme, waarmee Coen Teulings vervolgt. Hij schrijft: “Na de oorlog hebben we de scheidslijn tussen joden- en christendom zorgvuldig opgelost, als suiker in water.” En hij voorspelde dat dit weer zal gebeuren. In al mijn optimisme waarschuw ik wel dat het oplossen van scheidslijnen niet vanzelfsprekend is. Het geeft namelijk te denken dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders ondanks de toenemende participatie zich in Nederland steeds minder ‘thuis voelen’. De conservatieve versie van de Nederlandse identiteit draagt daar in ieder geval niet positief aan bij. Mede omdat die zich sterk én selectief richt op het verleden. Terwijl in een land waar afkomst ons soms scheidt, juist onze gezamenlijke toekomst en gemeenschappelijke ambities, kunnen zorgen voor een gevoel van verbondenheid.

Dat heb ik ook bij D66 gezien. Toen wij 10 jaar geleden een slechte periode hadden, met flink minder zelfvertrouwen, ontstond bij sommigen ook de neiging om te navelstaren en nostalgisch terug te blikken. Mijn stelling was toen: já je moet reflecteren op het verleden. Leren van je fouten en van je successen. Maar in geen van beide moet je blijven hangen.

Als D66 hebben we toen onze waarden opnieuw opgeschreven, onze waarde opnieuw uitgevonden. In 5 sociaal-liberale richtingwijzers. En we maakten een inhoudelijk plan. Een toekomstgericht hervormingsagenda met ambitieuze doelen. Dat maakte veel enthousiasme los binnen én buiten onze politieke vereniging. Ik ben ervan overtuigd dat datzelfde voor Nederland geldt. Wat ons bindt, wat ons Nederlanders maakt ligt zowel áchter als vóór ons. Wij hebben in die zin de Nederlandse geschiedenis ín de rug. Daar hoort trots én schaamte bij. Vieren én herdenken. Gouden momenten én zwarte bladzijden. En zonder kennis van onze rol in Nederlands-Indië of verantwoordelijkheid voor de slavernij komen we niet vooruit. Maar we moeten oppassen dat we niet met onze rug naar de toekomst komen te staan. Daarom moeten we onze blik óók vooruit richten. Een gedeeld vertrouwen in een betere toekomst. En het besef dat we samen sterker staan om daar het beste van te maken. Dat was in het verleden zo. Toen we de strijd aanbonden tegen het water. En toen we het land weer opbouwden na de Tweede Wereldoorlog. De geest van vooruitgang die ik als scholier in Rotterdam ervoer, is me altijd bijgebleven.

En opnieuw zijn er grote veranderingen die uitdagingen én kansen meebrengen. Het is een tijd van globalisering, omvangrijke migratiestromen, de ene digitale revolutie na de andere. Een Chinees gezegde luidt: “Als de wind van verandering waait, dan bouwen sommigen een muur en anderen een molen.” De vraag is dus: Hóe ga je om met die veranderingen? En natuurlijk: Welke van de twee keuzes past het beste bij Nederland? De muur of de molen? Als sociaal-liberaal is mijn leidraad daarbij: het bevorderen van vrijheid in verbondenheid. Velen signaleren een verlies van vertrouwen in elkaar. Jan Terlouw raakte een gevoelige snaar met zijn pleidooi bij De Wereld Draait Door.

Natuurlijk is het zo dat vroeger de vrouw vrijwel de hele dag thuis was, en dat er bovendien weinig te halen viel. En zeker, het vertrouwen van mensen in elkaar is in Nederland nog steeds relatief hoog. Maar de beleving bij veel mensen is dat dit vertrouwen onder druk staat. En het is inderdaad geen vanzelfsprekendheid. Dat is waarom Terlouw’s pleidooi zo aansloeg.

Vertrouwen en verbondenheid hebben onderhoud nodig. Daarvoor is onder andere nodig dat mensen niet alleen in de media óver elkaar horen, want uiteindelijk is er geen vervanging voor persoonlijk contact. Gaan we überhaupt nog echt met elkaar om? Zijn we oprecht geïnteresseerd in elkaar? Want afnemend vertrouwen dreigt als we niet meer op de hoogte zijn van elkaars leef- en belevingswerelden. Hoogopgeleid en laagopgeleid. Door culturele en politieke grenzen heen. Daarvoor moeten we de horizontale verzuiling doorbreken. Offline. Maar zeker ook online in onze zelfgecreëerde filter bubble.

Vijf jaar geleden deed ik dat heel bewust voor mijn boek “Henk, Ingrid en Alexander”  door in gesprek te gaan met PVV stemmers. Vaak schuurde het en was het confronterend, maar het was ook hoopgevend en inspirerend. Zoveel betrokkenheid bij de publieke zaak. Ik ben dat door de jaren heen blijven doen. Naar aanleiding van boze mailtjes of tweets. Mensen gewoon opbellen. Om de concrete onvrede achter de ongerichte boosheid te kunnen plaatsen. Afgelopen najaar was ik te gast in het tv-programma Pauw. Ik mocht in gesprek gaan met vier mensen die de redactie gemakshalve had samengebracht onder de noemer ‘teleurgestelde kiezer’. Nog nooit kreeg ik na een tv-uitzending zoveel reacties. Uit het hele land stuurden mensen mij lange mails met hun persoonlijke verhaal over waarom zij het vertrouwen in de politiek verloren hadden en waarom ik hen teleurgesteld had. Kort geleden nodigde ik 50 van die mensen op de fractie uit. Samen met fractiegenoten ging ik een hele avond met ze in gesprek. In het begin verliep de avond stroef. En dat kwam vooral door mezelf. Ik zocht teveel het debat, wilde gevoelens van die mensen beantwoorden met feiten. Laten zien welke maatregelen genomen waren om iets voor elkaar te krijgen. Ik vergat iets basaals, iets menselijks, namelijk eerst goed luisteren. Echt luisteren. En begrip tonen. Pas als je begrip toont, echt aandacht hebt voor zorgen van mensen, pas dan zijn ze bereid met je mee te denken. En kun je samen een heel eind komen. Dat bleek die avond wel.

Als we dan met elkaar omgaan, dan is de vraag hóe gaan we met elkaar om? En daar zie ik wel degelijk vergroving, verruwing. Een gebrek aan wellevendheid en inlevingsvermogen. En ook op een meer basaal niveau: groeten, bedanken, iemand voor laten gaan – beschaafde omgangsvormen die, als je ze met elkaar deelt, het onderling verkeer plezieriger maken. De blije verbazing als je iemand op de fiets voor laat gaan, laat zien dat dit niet langer vanzelfsprekend is. Dat zie je ook in het maatschappelijk verkeer.

Het huidige maatschappelijk debat is heftig. Soms giftig. In de kern is het een prachtig debat. Het gaat over wat voor land we willen zijn, waar we naartoe willen. Maar het is wel een gemankeerd debat. Steeds minder het onderzoeken van argumenten en steeds váker het ventileren van het eigen gelijk. Op de man, niet op de bal. Waarbij de grofste tackles geoorloofd zijn. Politici fungeren daarin als een soort poppen. Tweedimensionale televisiepersoonlijkheden, die tegelijkertijd nog nooit zo benaderbaar waren. Op straat of via social media. Ik pleit hier niet voor een ethisch reveil,maar wijs wel op het samengaan van rechten en plichten.

Zoals Terlouw het zegt: ‘Het hebben van plichten is een recht.’ Vrijheid, ja. Daar hoort individuele verantwoordelijkheid en oog voor de ander onlosmakelijk bij. Vrijheid ín verbondenheid.

Ik rond af. Het is drie maanden na de verkiezing van Trump. De man die muren metselt per decreet, en morrelt aan de fundamenten van de rechtsstaat. Een politiek van vrijheid nóch verbondenheid. De reactie van collega Rutte is tot nu toe nogal laks. Maakt hij zo niet dezelfde fout als in de begindagen van de PVV? Door het salonfähig te maken in plaats van het extremisme te bevechten zolang het nog extreem is.

Over vijf weken zijn ook hier verkiezingen. Daarbij liggen twee dingen nog vers in het geheugen: Het kabinet waar ‘rechts Nederland zijn vingers bij af zou likken’ en de wederzijdse verkettering van PvdA en VVD twee jaar later. Ook nu wordt weer datzelfde, vergeelde script erbij gepakt: een links blok om rechts uit te sluiten. Een rechts stembusakkoord wil links buiten de deur houden.

Ik vraag me serieus af of mensen daar nu echt op zitten te wachten. Mijn gevoel zegt me dat deze tijd van onzekerheid eerder vraagt om een kabinet gestoeld op verbinding en samenwerking.

Samenwerking, het compromis als stap vooruit.

Of ben ik nu teveel een optimist?

 

Deze longread is een bewerkte versie van de toespraak van Alexander Pechtold afgelopen woensdag 8 februari bij het Trouwberaad.