Volg jouw D66-thema

Schrijf je in voor onze nieuwsbrieven en ontvang de laatste updates op basis van jouw interesses.

Door je e-mailadres in te vullen en op "aanmelden" te klikken geef je ons toestemming om je e-mailadres op te slaan. Dit gebruiken wij om je regelmatig updates te sturen. Hier kun je meer lezen over hoe we omgaan met jouw persoonsgegevens. Hier kun je alle voorkeuren wijzigen.

Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 19 december 2017

Inbreng Petra Stienen bij debat over Wet zorgplicht kinderarbeid

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over het Initiatiefvoorstel Wet zorgplicht kinderarbeid ter voorkoming van de levering van goederen en diensten die met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen. Lees de inbreng van Eerste Kamerlid Petra Stienen hier terug.

Mevrouw de voorzitter,
Allereerst een hartelijk welkom aan mevrouw Kuiken, de initiatiefneemster, en aan mevrouw Kaag, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik weet niet zeker of de heer Van Laar aan het kijken is, ik verwacht van wel, maar ik wil hem en zijn medewerkers namens de D66 fractie graag complimenteren met het feit dat dit initiatiefwetsvoorstel het tot de Eerste Kamer heeft gebracht.

In veel straten in Nederland hangt deze dagen feestverlichting. December is de maand waarin veel winkeliers een belangrijk deel van hun jaaromzet draaien. Tijdens de voorbereiding van deze inbreng had ik deze winkeliers en hun klanten in gedachten. Want wat betekent de initiatiefwet Zorgplicht kinderarbeid voor deze ondernemers en hun klanten? Zouden zij nu al nadenken of de producten in de etalages door kinderhanden gemaakt zijn ergens ver weg in het buitenland? Of de cacao in de bonbons bij de bakker, het goud bij de juwelier en de telefoons bij de elektronicawinkel wel op een eerlijke manier gemaakt zijn? Zonder kinderarbeid? Zonder dwangarbeid, en in fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en voor een leefbaar loon?

Het initiatiefwetsvoorstel Zorgplicht kinderarbeid richt zich op één aspect van die vragen: kinderarbeid. Het doel van voorliggend voorstel is volgens de Memorie van Toelichting ‘er voor te zorgen dat consumenten ervan uit kunnen gaan dat de goederen en diensten die zij op de Nederlandse markt kopen, verkocht worden door ondernemingen die er binnen hun mogelijkheden redelijkerwijs alles aan doen om te voorkomen dat hun producten en diensten tot stand komen met gebruikmaking van kinderarbeid’.

Kortom, dit wetsvoorstel vraagt van bedrijven om te verklaren dat ze dat doen en als naar aanleiding van een klacht die verklaring onjuist blijkt, kan een onderneming worden beboet en daarna strafrechtelijk worden vervolgd. Vandaag bespreken we of dit wetsvoorstel het juiste middel is om tot de verandering te komen die we allemaal in deze Kamer zo graag willen: een einde maken aan kinderarbeid.

De D66-fractie onderschrijft de gedachte dat onze welvaart niet ten koste moet gaan van de mensenrechten, welvaart en welzijn van mensen elders. Vandaar dat mijn fractie er belang aan hecht dat in het regeerakkoord onder het kopje ontwikkelingssamenwerking de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties centraal staan. Het duurzaam ontwikkelingsdoel 8, “Fatsoenlijke banen en economische groei”, noemt in een van de subdoelen, 8.7, expliciet kinderarbeid. Ik citeer: “Onmiddellijke en effectieve maatregelen nemen om gedwongen arbeid uit de wereld te helpen, een einde te maken aan moderne slavernij en het verbod en de afschaffing van de ergste vormen van kinderarbeid veilig te stellen, met inbegrip van kindsoldaten, en tegen 2025 een einde te stellen aan kinderarbeid in al haar vormen.”

Het is een ambitieus doel. Stel je voor dat het zou lukken dat in 2025 kinderen wereldwijd kunnen spelen, naar school kunnen gaan en een veilige en gezonde leefomgeving hebben. Iedereen in dit huis, ook de leden van mijn fractie, zou graag willen dat er een einde komt aan het fenomeen dat wereldwijd meer dan 160 miljoen kinderen werken. En dan hebben we het over werk door te jonge kinderen, werk dat te zwaar of gevaarlijk is voor kinderen. Werk dat kinderen belemmert in het volgen van onderwijs.

Uiteraard is de vraag of de goede intenties van voorstellen zoals de voorliggende initiatiefwet wel daadwerkelijk leiden tot vermindering van kinderarbeid. Niemand zit te wachten op wetgeving die vol goede bedoelingen staat maar die in de praktijk tot veel onduidelijkheid leidt en geen resultaten oplevert. Zo heeft de Raad van State zorgen geuit over de effectiviteit van dit wetsvoorstel. Het bestrijden van kinderarbeid is volgens de D66-fractie niet gediend met wetgeving die niet uitvoerbaar is of waarvan het toezicht en handhaving veel vragen oproept. En juist wetgeving hierop toetsen is de taak van de Eerste Kamer.

Voorzitter, er leeft bij mijn fractie nog een aantal vragen:

  • Biedt de wet duidelijkheid en rechtszekerheid aan ondernemingen over wat zij moeten doen om aan de wet te voldoen?
  • Op grond van welke concrete aanwijzing kan een klacht worden ingediend?
  • Hoe zit het met de financiële en administratieve lasten voor bedrijven?
  • Hoe is het toezicht en de handhaving geregeld?
  • Wat is de relatie tussen dit initiatiefwetsvoorstel en de IMVO-convenanten?

Voorzitter,
Mijn fractie maakt zich zorgen dat een aantal belangrijke zaken niet in de wet geregeld is, maar via een of meerdere AMvBs te zijner tijd door de minister moeten worden uitgewerkt. Het gaat hier om de rol en mandaat van de toezichthouder (artikel 3), de uitzonderingen over tijdstip en inhoud van de verklaring die bedrijven moeten afgeven (artikel 4.3), en welke bedrijven op welke wijze vrijgesteld kunnen worden (artikel 6). We zouden graag van de initiatiefneemster vernemen hoe zij in algemene zin aankijkt tegen de zorgen van de D66-fractie dat er wel veel geregeld moet worden in de Algemene Maatregelen van Bestuur. De stappen die ondernemers moeten zetten opdat er in hun keten kinderarbeid kan worden aangetoond liggen in lijn met de OESO-richtlijnen en worden verder uitgewerkt in de AMvB. Kan de initiatiefneemster enkele voorbeelden van deze stappen noemen? Is de minister bereid om het bedrijfsleven middels consultaties te betrekken bij het opstellen van de AMvB?

Nederlandse ondernemingen en ondernemingen die goederen of diensten aan Nederlandse eindgebruikers verkopen of leveren dienen volgens dit initiatiefwetsvoorstel te verklaren dat zij gepaste zorgvuldigheid hebben betracht. Goederen of diensten mogen niet met behulp van kinderarbeid tot stand komen. Tony Chocolonely heeft samen met een aantal andere bedrijven in een recente brief gesteld: Deze wet vraagt niets onmogelijks van bedrijven. Bedrijven moeten verklaren dat zij ’t nodige doen om kinderarbeid te voorkomen, onderzoek doen naar risico’s op kinderarbeid en deze naar vermogen aanpakken. Alleen met een wet gaat de norm omhoog en wordt kinderarbeid serieus aangepakt. Onderschrijft de initiatiefneemster deze stellingname? En zo ja, zou de initiatiefneemster dan willen toelichten wat zij “’t nodige” vindt? En wanneer hebben bedrijven “naar vermogen” kinderarbeid aangepakt?

In de Nadere Memorie van Antwoord stelt de initiatiefneemster dat voor een klein bedrijf de zorgplicht niet veel verder zal reiken dan de eerste schakel. De ondernemer hoeft immers maar bij een paar leveranciers na te gaan of er in hun ketens gebruik wordt gemaakt van kinderarbeid. In diezelfde Nadere Memorie van Antwoord geeft de initiatiefneemster aan dat er een uitzondering kan worden gemaakt voor kleine bedrijven (met enkele honderdduizenden euro’s omzet per jaar) en bedrijven die nauwelijks een internationale dimensie in hun keten hebben. Maar werkt het dan ook andersom? Moeten grote bedrijven dan grotere inspanningen leveren door hogere eisen te stellen aan hoe ver in de keten moet worden teruggezocht? Graag een reactie van de initiatiefneemster.

Mijn fractie vraagt zich af of er niet nu al zo veel uitzonderingen te verwachten zijn dat het voor veel bedrijven onduidelijk blijft of en hoe zij onder deze wet vallen. Is het wellicht mogelijk om een fasering in te stellen waardoor het MKB in de eerste fase nog niet hoeft mee te doen? We horen graag de reactie hierop van de initiatiefneemster én de minister. Of anders gezegd: wat betekent dit voor de ondernemers in de doorsnee winkelstraat in Nederland? Of een online webwinkel? Moet het grootwinkelbedrijf wél die verklaring van gepaste zorgvuldigheid inleveren, maar kunnen de bakker en de juwelier ervan afzien? Of de bakker wel omdat de omzet laag genoeg is, maar de juwelier niet omdat ze goud verkopen? Wordt er binnen deze wet meer geëist van ondernemers die werken in sectoren waarin een hoger risico bestaat dat producten tot stand zijn gekomen door kinderarbeid?

En wat betekent dit voor ondernemers in grensregio’s die toch al vaak de concurrentie voelen van ondernemers vlak over de grens? Hoe zit het in deze context met Belgische en Duitse wetgeving op het gebied van tegengaan van kinderarbeid? Mijn fractie hoort graag over deze vragen de reactie van de initiatiefneemster. We horen ook graag van de initiatiefneemster én de minister hoe zij inschatten dat wetgeving in het algemeen en deze wet in het bijzonder kan bijdragen aan gelijk speelveld voor bedrijven binnen Nederland en Europa.

Daarnaast is mijn fractie verheugd over de aandacht die er in de Memorie van Toelichting is voor flankerend beleid bij deze wetgeving. Immers, bij tegengaan van kinderarbeid zal dat gevolgen hebben voor gezinnen en gemeenschappen die eerst leunden op kinderarbeid voor inkomsten. Ziet de initiatiefneemster hier een rol voor grote bedrijven, ngo’s en/of de Nederlandse overheid? Ook hoort mijn fractie graag van de minister hoe het nieuwe kabinet meer aandacht gaat geven aan de gevolgen van bestrijden kinderarbeid op gemeenschaps- en gezinsniveau.

De D66-fractie heeft ook enkele vragen over de financiële gevolgen die deze wet voor bedrijven kan hebben. Op eerdere vragen van de D66-fractie over de kosten voor bedrijven om de verklaring te realiseren, stelt de initiatiefneemster dat er financiering voor bedrijven beschikbaar is, bijvoorbeeld via het Fonds Bestrijding Kinderarbeid. Maar is het fonds hier wel voor bedoeld? Het is goed dat het nieuwe kabinet in het regeerakkoord heeft opgenomen dat dit fonds verhoogd wordt met 7 miljoen per jaar. Mijn fractie vraagt aan de minister welke plaats dit fonds in kan nemen als deze Kamer instemt met deze initiatiefwet? Verwacht de minister dat meer bedrijven aanspraak zullen maken op dit fonds als deze wet in werking treedt?

De initiatiefneemster stelt dat de kosten voor een bedrijf dat zich al aan de OESO-richtlijnen houdt zullen uitkomen op 98 euro tot 787 euro per jaar. Dit is gebaseerd op de kosten voor ondernemers in de Moderne Slavernijwet uit het Verenigd Koninkrijk, een wet die als doel heeft tegen te gaan dat er nog producten in het VK te koop zijn die door dwangarbeid tot stand gekomen zijn. De kosten voor Nederlandse ondernemers zouden “veel lager” kunnen zijn “omdat de verklaring in de voorliggende wet eenregelig kan zijn”. Waar baseert de initiatiefneemster dit op, aangezien de eisen die aan de verklaring zullen worden gesteld nog in een AMvB moeten worden vastgelegd? En betekent dit volgens de initiatiefneemster dat er ook minder onderzoek nodig is voor Nederlandse ondernemers?

Voorzitter,
Mijn fractie vindt het nog lastig te zien hoe consumenten een rol kunnen spelen in het succes van deze initiatiefwet. Ieder natuurlijke of rechtspersoon wiens belangen geraakt zijn door het doen of laten van een onderneming bij de naleving van deze wet, kan daarover een klacht indienen bij de toezichthouder als er een concrete aanwijzing is dat een aanwijsbare partij niet aan de gepaste zorgvuldigheidsplicht heeft voldaan.

Laten we weer even terug gaan naar die Nederlandse winkelstraat. Wie zou er volgens de initiatiefneemster in actie moeten komen met deze wet in de hand? De klant van de juwelier die vermoedt dat er geen eerlijk goud in de etalage ligt? Of de klant van de kledingwinkel? Alleen? Of met andere klanten in een actiegroep, via een consumentenorganisatie of met een ngo? En kan de initiatiefneemster een voorbeeld geven van wat zij ziet als een concrete aanwijzing voor een consument?

Deze wet kan alleen zijn doel dienen als er ook effectief toezicht is. In het initiatiefwetsvoorstel is een toezichthouder voorzien die belast is met het toezicht op de naleving van deze wet. Dit wordt een lastige taak, omdat de toezichthouder aan veel eisen moet voldoen. Deze toezichthouder zal inzicht moeten hebben in de complexiteit van ketens waarin gebruik wordt gemaakt van verschillende grondstoffen om tot een product te komen. Er moet expertise aanwezig zijn om internationaal effectief te monitoren en overtreders van deze wet zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk te kunnen aanpakken waardoor ook effectieve samenwerking met het OM vereist is. Bovendien zijn er vragen over hoe ver de bevoegdheden van de toezichthouder reiken binnen en buiten Nederland en met name ook ten aanzien van online ondernemingen die niet in Nederland gevestigd zijn. Graag hoort mijn fractie hierop een reactie van de initiatiefneemster.

De toezichthouder wordt per AMvB aangewezen, we begrijpen hieruit dat in de AMvB nader wordt geregeld welke (al dan niet nieuwe) organisatie de toezichthoudersfunctie gaat vervullen en dat die AMvB wordt voorgehangen in beide Kamers. Het is op dit moment nog niet duidelijk welke organisatie deze toezichthoudersfunctie zou kunnen en willen verrichten. Mijn fractie vraagt de initiatiefneemster wie zij zelf voor zich ziet als potentiele toezichthouder en of zij iets ziet in de optie om een nieuwe zelfstandig bestuursorgaan in het leven te roepen om de taken van de toezichthouder op zich te nemen. Denkt de initiatiefneemster dat een nieuwe toezichthouder voor 1 januari 2020, wanneer deze initiatiefwet op zijn vroegst in werking zou treden, van start zou kunnen gaan? Welk budget zou de toezichthouder nodig moeten hebben om de taken effectief te kunnen vervullen, zo vraagt mijn fractie aan de initiatiefneemster. Wordt uit landen die soortgelijke wetgeving hebben ingevoerd, zoals uit de moderne slavernijwet in het Verenigd Koninkrijk, duidelijk hoe een toezichthouder effectief in het buitenland haar rol kan vervullen? Wat zou een toezichthouder kunnen doen als een eigenaar van een fabriek, plantage of mijn de toezichthouder toegang ontzegt? Daarnaast vraagt mijn fractie aan de initiatiefneemster welke rol lokale organisaties, vakbonden, het maatschappelijk middenveld en ngo’s hebben ten opzichte van de toezichthouder, mocht deze wet in werking treden.

Tijdens de deskundigenbijeenkomst op 3 oktober jl. hier in de Eerste Kamer bleek dat er bij sommige organisaties twijfels zijn over deze initiatiefwet omdat er al andere mogelijkheden zijn om kinderarbeid tegen te gaan en consumenten het vertrouwen te geven dat zij ‘kinderarbeidsvrije’ producten kopen. Verschillende sectoren waarin het risico bestaat dat er gebruik wordt gemaakt van kinderarbeid, zoals de textiel-, goud-, banken, duurzaam bosbeheer en plantaardige eiwittensector, hebben vrijwillige IMVO-convenanten opgezet.

Voor de D66-fractie is het nog niet duidelijk hoeveel bedrijven en sectoren zich precies hebben aangesloten bij de IMVO-convenanten. Wel weten we dat nog lang niet alle bedrijven en sectoren volledig zijn aangesloten, en dat het afsluiten van convenanten langzamer gaat dan gehoopt. Graag horen wij van de minister wat de regering doet om bedrijven aan te moedigen zich sneller aan te sluiten bij deze verschillende convenanten. Ook verneemt mijn fractie graag of de regering samenwerking zoekt met andere Europese landen binnen EU-verband op het gebied van IMVO-convenanten.

Tijdens de deskundigenbijeenkomst hoorden wij aan de ene kant de inschatting dat de convenanten zouden kunnen dienen als informatiebank voor bedrijven die met de nieuwe wet te maken krijgen, en de nieuwe wet zou er weer voor zorgen dat er meer IMVO-convenanten ondertekend worden. Wetgeving gaat vaak voor gedragsverandering. Pas nadat er een wet kwam die veiligheidsgordels in auto’s verplichtte, werd de norm ook om een gordel te dragen. Aan de andere kant zijn er ook geluiden dat deze convenanten betekenisvol zijn en deze nog niet de kans hebben gehad om hun volle nut te bewijzen. Als bedrijven en individuen zelf voor deze normverandering kunnen zorgen zonder dat de overheid met maatregelen komt heeft dat de voorkeur. Zelfregulering alvorens tot regelgeving over te gaan.

Mijn fractie vraagt de initiatiefneemster welke visie zij op de convenanten heeft ten aanzien van haar initiatiefwet. Is de wet niet een te grote stok achter de deur die niet alleen de bedrijven treft waar ergens in de keten kinderarbeid plaatsvindt maar ook veel goedwillende bedrijven die opgezadeld worden met buitenproportionele administratie en kosten? Heeft zij cijfers beschikbaar die de effectiviteit van de convenanten aantonen? Welke verwachtingen heeft zij over de evaluatie die over twee jaar zal moeten plaatsvinden? En hoe ziet de minister de evaluatie over het Nationaal Contactpunt OESO-Richtlijnen (verwacht 2018) en de IOB evaluatie in 2018 van de IMVO-convenanten in relatie tot deze wet en de daarbij horende AMvB? Artikel 5 lid 4 van de initiatiefwet regelt dat een onderneming die “handelt in overeenstemming met een door de minister goed gekeurd plan van aanpak (tegen kinderarbeid)” geacht wordt met de door de wet beoogde gepaste zorgvuldigheid te handelen. Hoe verhoudt zich dat tot de convenanten? Zou bijvoorbeeld een (zeer verreikend) IMVO-akkoord volgens de initiatiefneemster voor die ministeriële goedkeuring kwalificeren? Zo ja, handelt dan niet nu al het georganiseerde bedrijfsleven in overeenstemming met de gedachte aan de voorliggende initiatiefwet? Zo nee, waarom niet? Mijn fractie hoort graag de reactie van de initiatiefneemster. Mijn fractie is in elk geval blij met het voornemen van de regering om de aanpak rond IMVO-convenanten voort te zetten en via de evaluatie over twee jaar te bezien “of en zo ja, welke dwingende maatregelen genomen kunnen worden”. De D66-fractie vraagt de minister hoe deze wet zich verhoudt tot die mogelijke dwingende maatregelen en of zij ook de Eerste Kamer kan informeren over de mogelijke (tussentijdse) evaluatie van de convenanten.

Tot slot, voorzitter,
Mijn fractie ondersteunt de gedachte achter dit initiatiefwetsvoorstel. Daar bestaat geen twijfel over. De vraag is echter of deze initiatiefwet hiertoe kan bijdragen, of dat de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid zo ingewikkeld en onduidelijk zijn dat consumenten en ondernemers in Nederland er niet mee uit de voeten kunnen, en dat er uiteindelijk geen kind minder onder te zware omstandigheden door gaat werken in landen waar kinderarbeid nog veel voorkomt.

Daarom zou ik de minister willen vragen in haar beantwoording duidelijk te maken hoe zij aankijkt tegen de uitvoerbaarheid, het toezicht op de naleving en de mogelijkheden van handhaving. Immers als deze wet wordt aangenomen wordt dat haar verantwoordelijkheid. Daarnaast hoort mijn fractie in het verlengde van de tekst in het regeerakkoord graag of het wellicht verstandiger is om eerst de evaluatie van de IMVO-convenanten af te wachten alvorens als overheid op te treden.

Ten slotte wil ik uitdrukkelijk aan de initiatiefneemster vragen of zij in overweging wil nemen haar wetsvoorstel aan te houden totdat de evaluatie van de IMVO-convenanten beschikbaar is. In de tussentijd zou zij met de minister over de nadere uitwerking van de AMvBs kunnen overleggen. Zo is er bij de definitieve besluitvorming in deze Kamer aanmerkelijk meer zicht op de uitvoerbaarheid, toezicht en handhaafbaarheid van deze initiatiefwet. Bovendien wordt het bezwaar van te grote delegatie van de wetgever aan de regering ondervangen. Immers, de Kamers kunnen dan de uitvoeringsregelgeving beoordelen in het licht van het geheel van het wetsvoorstel.

Mijn fractie kijkt uit naar de antwoorden van de initiatiefneemster en van de minister.

 

 

 

Thema

Buitenland & defensie

D66 vindt dat Nederland deelt in de collectieve verantwoordelijkheid voor een veilige wereld. Een wereld waarin er voortdurend aandacht moet zijn voor mensenrechten, de internationale rechtsorde en mensen in kwetsbare posities. Internationale samenwerking is dé kracht achter veiligheid en welvaart. D66 ziet in die internationale samenwerking een leidende rol voor Europa.

Lees meer