Blijf op de hoogte!

Door uw mailadres in te vullen en op "verstuur" te klikken geeft u ons toestemming om uw mailadres op te slaan. Dit gebruiken wij om u regelmatig updates te sturen. Hier kunt u meer vinden over hoe wij omgaan met uw persoonsgegevens.

Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 6 februari 2018

Inbreng EK-fractievoorzitter Thom de Graaf bij debat Taakverwaarlozing Sint Eustatius

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over  de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius. Lees de inbreng van fractievoorzitter van de Eerste Kamerfractie Thom de Graaf hier terug.

 

 

Voorzitter,

Het is op zich plezierig om de staatssecretaris van Koninkrijksrelaties bij zijn eerste plenaire debat in deze Kamer te begroeten. Ik kijk uit naar vele andere ontmoetingen. De aanleiding voor dit debat, het voorliggende spoedwetsvoorstel om tegen de bestuurlijke taakverwaarlozing op St Eustatius op te treden, is echter weinig vreugdevol.

De spoedprocedure die thans wordt gevolgd is hinderlijk en beperkend voor een goede en zorgvuldige parlementaire inbreng in het wetsvoorstel en moet in het algemeen met kracht worden ontraden. Maar in dit geval zijn er overtuigende redenen te vinden om die spoed wel te betrachten. Uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen uitzonderlijke stappen die geen uitstel of schemerzones kunnen dulden.

Inmiddels is het debat ook in de Tweede Kamer gevoerd en ben ik achtste spreker hier in deze Kamer, dus het heeft weinig zin om het bestuurlijke failliet van St Eustatius nogmaals uitvoerig te belichten. Dat is niet alleen in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel adequaat gedaan, maar vooral in het rapport van de heren Refugnol en Fransen. Ik spreek mijn grote waardering voor dit rapport uit, omdat op een buitengewoon objectieve, verstandige en genuanceerde wijze en zonder polariserende toon het bestuurlijke falen op St Eustatius wordt beschreven, maar ook van context voorzien. Een context die deels historisch van aard is, deels gerelateerd is aan schaal en inwonertal van het eiland en deels verbonden aan een moeizame verstandhouding met Nederland (Europees Nederland), die weliswaar grotendeels maar niet alleen maar aan de eilandbestuurders valt toe te rekenen. Zo geeft het rapport van Refugnol en Fransen (met recht tooien zij zich met de titel ‘commissie van wijzen’) ook een pijnlijk inkijkje in de wijze waarop afzonderlijke departementen hier in Den Haag ten opzichte van de BES-eilanden opereren en hoe ambtelijk wordt aangekeken tegen de rol, verantwoordelijkheid en visie – of liever gebrek aan visie – van het coördinerende ministerie van BZK.

Voorzitter,

Dat laat echter onverlet dat het rapport glashelder maakt dat het bestuur op St Eustatius niet alleen schromelijk tekortschiet in zijn verantwoordelijkheden jegens de eigen inwoners en het nationale gezag – de Rijksoverheid – maar zich ook schuldig maakt aan volstrekt ondemocratisch en – ik kan het niet anders zien – crimineel gedrag, onder meer door intimidatie, pressie, dreiging en het zwartmaken, beledigen en beschimpen van andersdenkenden. Bovendien, en ik citeer hier de commissie van wijzen, heeft de situatie “bijna trekken van een staatsgreep”. Ik neem aan – en ik het vraag het de staatssecretaris voor de zekerheid – dat het openbaar ministerie inmiddels stappen zet om te onderzoeken of een strafvervolging van betrokken bestuurders en wellicht eilandraadsleden op basis van deze constateringen uit het rapport in de rede ligt.

Essentie van het rapport is echter de onderbouwde constatering dat het Statiaanse bestuur zich heeft afgewend van de bestaande rechts-en staatsorde en dat er geen andere mogelijkheid meer voorhanden is om de bestuurlijke en juridische verhoudingen te herstellen dan met een beroep op de artt. 132, vijfde lid en 132a, tweede lid GW in te grijpen, en bij wet te voorzien in de behartiging van de taken die nu schromelijk worden verwaarloosd.

Mijn fractie heeft geen enkele twijfel over de juistheid van deze conclusie en steunt de staatssecretaris in zijn terechte en voortvarende aanpak. Hij toont daarbij aan dat hij zich het lot van de inwoners van St Eustatius, die recht hebben op goed en zorgvuldig bestuur, aantrekt en dat hij niet schroomt of treuzelt om vergaande maatregelen te nemen als die noodzakelijk zijn: een krachtig, zij het niet makkelijk, begin van zijn ambtsperiode. Mijn fractie onderkent de noodzaak en de proportionaliteit van taakverwaarlozingsmaatregel in het wetsvoorstel en kan daar ook mee instemmen.

Dat wil niet zeggen dat wij over onderdelen niet nog vragen hebben.

De belangrijkste vraag voor mij is die naar de continuïteit van een stabiel bestuur op het eiland. Dat er moet worden ingegrepen is één, maar wanneer en onder welke omstandigheden vervalt de noodzaak daartoe en kan worden teruggekeerd naar een normalisering van de bestuurlijke verhoudingen? Het wetsvoorstel gaat uit van een terugkeer naar die normale bestuurlijke structuur op het moment dat een nieuw gekozen eilandraad aantreedt.

Dat moment kan bij koninklijk besluit worden bepaald en ligt – als ik het goed begrijp – tussen de twee en zes jaar vanaf nu. Tot dat moment geldt de bevoegdheidstoedeling op grond van het wetsvoorstel: in wezen eenhoofdig bestuur namens de regering. Het wetsvoorstel en de toelichting zijn nog niet erg helder over de criteria op grond waarvan tot het besluit kan worden gekomen dat de uitzonderingssituatie wordt beëindigd: als er bestuurlijke en ambtelijke stabiliteit bestaat, de procedures op orde zijn en voorzien is in rechtmatig en doelmatig bestuur en financieel beheer, ik vat de toelichting van de regering maar even kort samen. Met een gezaghebbende en ervaren regeringscommissaris die van buiten komt en ondersteund wordt door ambtenaren van BZK en andere departementen zal dat moment ongetwijfeld een keer aanbreken, wellicht al eerder dan wordt verwacht. Maar is dat dan ook het moment om het bestuur weer over te laten aan de politieke cultuur op St Eustatius waarvan is komen vast te staan dat die heeft geleid tot wanorde en onvermogen? Is niet een cruciale voorwaarde dat er vertrouwen moet bestaan in de aanwezigheid van een democratische en rechtsstatelijke cultuur die een regulier bestuur zal schragen? Ik lees daarover niets, behalve dan dat er zal worden geïnvesteerd in de opleiding van ambtenaren en potentiële bestuurders en in de communicatie met de bevolking.

Ik vraag de staatssecretaris nadrukkelijk hoe hij en de regering met dit ongenoemde criterium van een veranderende politieke cultuur zullen omgaan. Het laatste dat wij ons immers kunnen veroorloven is om ongemeen hard in te grijpen en vervolgens over een aantal jaren weer in precies hetzelfde ongemak terecht te komen.

In de toelichting wordt aangekondigd dat er een heus BPO Caribisch Nederland wordt ingericht (niet op donderdagavond neem ik aan). Dat is mooi, maar dat vormt natuurlijk nog geen antwoord op de vraag hoe de criteria waar ik over sprak worden ontwikkeld en getoetst. Het is denk ik ook geen bevredigend antwoord op de constatering dat het in Den Haag ontbreekt aan een sterke en gezaghebbende coördinatie van het beleid terzake van St Eustatius en de andere twee eilanden. De commissie van wijzen maakt daar opmerkingen over en de afdeling Advisering eveneens. De regering houdt een versterking nu nog even af. Toch zou ik de staatssecretaris willen oproepen om die coördinatie krachtig ter hand te nemen en wetgeving te bevorderen die hem en zijn ministerie een doorslaggevende bevoegdheid geven in de sturing van het rijksbeleid voor de BES-eilanden, zoals de afdeling Advisering heeft voorgesteld. Dat had bij dit wetsvoorstel al kunnen worden geregeld wat mij betreft, maar anders zo snel mogelijk op andere wijze. Mij dunkt dat dit ook moet worden betrokken bij de verdere positionering en aanstelling van de volgende Rijksvertegenwoordiger.

In de toelichting heeft de staatssecretaris op instigatie van de afdeling Advisering van de Raad van State opgenomen dat het denkbaar is dat er een overgangsregime komt, een soort transitieperiode tussen het eenhoofdig bestuur van de regeringscommissaris en het regulier bestuur van eilandraad, bestuurscollege en gezaghebber. Het voorliggende voorstel lijkt daar qua tekst evenwel niet in te voorzien. Bovendien zijn de reguliere bestuursorganen op grond van dit wetsvoorstel juist van hun taken ontheven en naar huis gestuurd. Hoe stelt de staatssecretaris zich zo’n overgangsregime voor, niet alleen feitelijk maar ook juridisch? Kan dat per separaat koninklijk besluit worden geregeld, zoals de regering ook meent dat in het algemeen aan de uitzonderingssituatie bij KB een einde kan worden gemaakt?

De staatssecretaris verwijst voor dat laatste – de opheffing van de uitzonderingssituatie die door dit wetsvoorstel ontstaat bij koninklijk besluit – in navolging van de afdeling Advisering naar art. 129, vierde lid, Grondwet, maar ik zou ook daar graag een nadere onderbouwing voor willen hebben. Dient de wetgever die met een zwaar middel ingrijpt in de constitutionele verhoudingen niet ook betrokken te worden bij de beslissing om aan dat uitzonderlijk wettelijk regime weer een einde te maken?

Voorzitter, tot slot nog een enkele vraag en een laatste conditio sine qua non.

De vraag heeft betrekking op de positie van de plaatsvervangend regeringscommissaris. Kan de staatssecretaris toelichten waarom voor deze figuur is gekozen en wat diens rol zal zijn? Ik vond daarover buitengewoon weinig in de schriftelijke stukken. Is het ondenkbaar dat de rijksvertegenwoordiger op enig moment in die functie zou stappen zodat de coördinatie en overgang naar een regulier bestuur wordt gefaciliteerd of zou die rol kunnen worden weggelegd voor een toekomstige gezaghebber?

En dan de conditio sine qua non. De voorwaarde zonder welke dit allemaal niet goed kan lukken. Dat is natuurlijk een daadwerkelijk faciliterend beleid van Nederland: een ruimhartigheid in voorzieningen, een forse investering in de fysieke staat van het eiland en een beter armoedebeleid dat eindelijk recht doet aan de omstandigheden op Statia, Bonaire en Saba. Daar wachten we al te lang op.

Ik wacht met veel belangstelling de antwoorden van de staatssecretaris af.

 

Thema

Rechtsstaat & democratie

Een mens kan niet vrij zijn zonder recht. Daarom is de rechtsstaat al sinds de oprichting van D66 onze prioriteit. Onze vrijheid mag alleen door de staat ingeperkt worden, om onze veiligheid te beschermen. We moeten er daarbij wel op kunnen vertrouwen dat de staat zijn macht niet misbruikt. Die macht is nooit vanzelfsprekend en moet altijd kritisch worden gecontroleerd en gebaseerd zijn op principes als rechtszekerheid. Zonder een goed functionerende rechtsstaat en democratie bestaat vrijheid niet. Daarom verdedigt D66 de rechtsstatelijke waarden en de democratie in Nederland hartstochtelijk en streven wij ze na in de rest van de wereld.

Lees meer