Volg jouw D66-thema

Schrijf je in voor onze nieuwsbrieven en ontvang de laatste updates op basis van jouw interesses.

Door je e-mailadres in te vullen en op "aanmelden" te klikken geef je ons toestemming om je e-mailadres op te slaan. Dit gebruiken wij om je regelmatig updates te sturen. Hier kun je meer lezen over hoe we omgaan met jouw persoonsgegevens. Hier kun je alle voorkeuren wijzigen.

Steun ons en help Nederland vooruit

dinsdag 27 november 2018

In memoriam Jacqueline de Savornin Lohman

Faalkracht gaf me de moed
om steeds iets anders te beginnen.

 

D66 neemt bedroefd afscheid van lid van het eerste uur

Jacqueline de Savornin Lohman

 

Jacqueline was lid van de Eerste Kamer voor D66 van 1991-1995 met hoger onderwijs, volksgezondheid en wetenschapsbeleid in portefeuille.

Wij zijn zeer dankbaar voor wat Jacqueline voor de partij heeft betekend. Onze gedachten zijn bij de familie en dierbaren.

Namens D66,
Anne-Marie Spierings, voorzitter Landelijk Bestuur
Rob Jetten, fractievoorzitter Tweede Kamer
Hans Engels, fractievoorzitter Eerste Kamer

 


 

Jacqueline de Savornin Lohman was erbij, toen D66 in 1966 werd opgericht in Hotel Krasnapolsky te Amsterdam. Tijdens het 50-jarig jubileum sierde Jacqueline prominent de achterpagina van de Democraat met een mooi interview dat we voor de gelegenheid graag nogmaals publiceren.

Hoe kwam u bij D66 terecht? “Ik kocht het Appèl in een boekhandel in Zutphen. Ik was toen advocaat en erg bezig met vrijheidsrechten. Het bestel opblazen, dat vond ik wel een spannend idee – zeker als achterkleindochter van een CHU-oprichter. Daar moet ik overigens meteen bij zeggen: als Eerste Kamerlid voor D66 heb ik prettig samengewerkt met de kleine christelijke partijen. Het zijn kritische mensen, en – los van thema’s als abortus en euthanasie – waren we het over veel zaken wél eens.”

Hoe beviel het in de Eerste Kamer? “In eerste instantie vond ik het ontzettend leuk. We zaten met twaalf mensen in de senaat, waarvan de helft vrouwen. Je komt ineens overal binnen, deuren gaan open. Maar het Kamerwerk lag me niet. De onderlinge competitie, het belang van de coalitie… Uiteindelijk werd ik er letterlijk ziek van, ik kreeg gordelroos. Ik was toen al in de zestig; als ik jonger was geweest had ik het wellicht anders ervaren.”

Meest memorabele herinnering? “Het voorjaarscongres in 1970. Samen met een paar andere ‘verontruste’ leden, hadden we het Groene Pamflet opgesteld. We vonden de partij te veel naar binnen gekeerd. Er werd veel te veel pietepeuterig geamendeerd. Maar net toen we het wilden voordragen, viel het licht uit. Toen zijn we maar de stad ingegaan. Later bleek dat het congres was doorgegaan en een speciale commissie had ingesteld om ons pamflet te bespreken… Dat was nu juist wat we níet wilden!”

U bent een kritisch lid. “Ja. De macht en het pluche zorgt er telkens voor dat de partij in het bestaande bestel lijkt op te gaan. Het is het eeuwige dilemma van D66, denk ik. Ik ben zelfs nog even lid-af geweest, medio jaren zeventig, toen de partij op sterven na dood was. Maar met de ‘De Jannen’ (Terlouw, Glastra van Loon, Vis, red.) kwam een nieuw elan. Nadat ze ons thuis hadden bezocht, ben ik weer vol overtuiging lid geworden.”