Blijf op de hoogte!

Steun ons en help Nederland vooruit

maandag 4 december 2017

Inbreng Thom de Graaf bij Algemene Politieke Beschouwingen

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over de Algemene Politieke Beschouwingen. Lees hier de inbreng van fractievoorzitter Thom de Graaf terug.

Voorzitter, laat ik beginnen met de minister-president te complimenteren met zijn nieuwe, derde kabinet, waarvan ik alle leden graag begroet. Ik zie uit naar de samenwerking met u allen.

Het heeft lang geduurd, maar dan krijg je ook wat. Interessante benoemingen op soms verrassend gecomponeerde portefeuilles in een aardig uitgebalanceerd geheel van vier partijen die een jaar geleden nauwelijks konden bevroeden dat zij in een langgerekte formatie zouden worden samengebracht. Een “kunstig geciseleerde vaas” om met Romme over het eerste kabinet Drees te spreken. Aan die vaas is voorlopig nog geen barstje of breuklijntje te zien en laten wij hopen dat dit de komende drie en een half jaren zo blijft.

Ik ben blij dat mijn partij is toegetreden en niet aan de zijlijn staat in deze spannende tijden waarin de internationale rechtsorde, de nationale democratie en rechtsstaat en het klimaat onder druk staan. Rutte III heeft een stevige opdracht. Ik zou ook kunnen zeggen het kabinet-Rutte-De Jonge-Ollongren-Schouten, maar dat is misschien wat overdreven. Of het kabinet Rutte-Buma-Pechtold-Segers, want drie van de vier politieke voormannen bleven weliswaar in de Tweede Kamer achter maar vormen evenzovele buitenboordmotoren van het kabinet, zij het ieder met een ander vermogen en al dan niet opgevoerde snelheid. Dat is overigens nog een extra reden om het kabinet veel succes én sterkte te wensen.

In het bijzonder de minister-president krijgt er een behoorlijke klus aan: coalitieoverleg op maandag, kabinetspresidium op dinsdag, donderdags bewindsliedenoverleg en de rest van de week ervoor zorgen dat events gewoon events blijven in plaats van disasters. Het is een wonder dat er nog tijd overblijft voor de koning en voor Macron en Merkel, laat staan voor de klas op het Johan de Witt College. De premier krijgt ook een grote klas in de Trêveszaal, zestien ministers en er komen nog eens acht staatssecretarissen bij. Een stuk meer dan onder Rutte I en II. Daar zit natuurlijk een vierpartijenconstructie achter, maar hopelijk ook het besef dat bewindslieden die teveel op hun bord hebben niet per se de meeste effectieve bestuurders zijn. Niet iedereen is een Duracell-konijn, zoals de premier wel eens oneerbiedig is omschreven.

Overigens zijn er in onze parlementaire geschiedenis kabinetten geweest met veel meer ministers en staatssecretarissen. Wat denkt de minister-president bijvoorbeeld van het kabinet-Den Uyl met liefst achtentwintig bewindslieden? Ik geloof dat Mark Rutte überhaupt niet graag denkt aan het kabinet-Den Uyl, maar hij kan dus gerust zijn: qua omvang heeft hij een gemiddeld kabinet.

Ik kan de premier ook feliciteren met het record van zijn vorige kabinet: de langstzittende ploeg van na de oorlog, liefst 1815 dagen. De credits voor dit record moet hij echter delen met heel wat partijen: natuurlijk met de PvdA van Diederik Samsom. Samen hielden ze Rutte II al die jaren overeind, al kostte het de kleur op de wangen van de eigen partijen en uiteindelijk ook de politieke loopbaan van Samsom. Een politicus waar ik groot respect voor heb.

Ook de constructieve oppositie droeg bij aan het succes van het vorige kabinet, in beide Kamers. Je zou elk kabinet zo’n constructieve oppositie toewensen: waar het kan steunen en waar het nodig is zoeken naar goede en houdbare compromissen. Ik kijk even rond, maar zie nog geen evident enthousiaste kandidaten voor deze karakterrollen in de nieuwe episode.

Dat het vorige kabinet zo lang heeft gezeten komt echter ook door partijen die juist niet of bij nader inzien toch maar niet verantwoordelijkheid wilden dragen. Die partijen hebben bijgedragen aan de lange duur van de formatie, niet door de ambities die ze hadden, maar juist door het gebrek daaraan. Om uiteenlopende redenen zijn SP, GroenLinks en PvdA afgehaakt. Alleen van de PvdA heb ik dat kunnen begrijpen; de electorale oorwassing was gewoon te groot en dan rest maar één optie: wonden likken, aansterken en de democratie dienen in de oppositie. Mijn eigen partij heeft dat bij herhaling mogen meemaken en het bleek elke keer weer louterend (al weet ik niet zeker of dat Lodewijk Asscher of Marleen Barth tot troost zal dienen).

Als partijen zich bij voorbaat buiten het politieke discours plaatsen of aan de formatietafel terugdeinzen om compromissen te sluiten die niet woordelijk overeenkomen met het eigen programma, is dat een vorm van regeerangst, ik kan het niet anders zien. Regeren betekent vaak electoraal betalen, dat klopt. Zelfs de premierpartij verliest. Oppositie loont in de emotiesamenleving; het politieke spectrum is inmiddels bezaaid met partijen die vooral daarop gericht zijn, die de vergaderzaal van ons parlement gebruiken als de arena om standpunten uit te dragen en het bestrijden, maar niet als de agora waar compromissen worden gesloten en aan de man worden gebracht. Als het aantal partijen dat daar niet boven uit weet te stijgen steeds groter wordt, komt de regeerbaarheid van ons land in gevaar.

Een ander belangrijk Leitmotiv in deze bijna eeuwigdurende formatie was de omzichtigheid waarmee werd onderhandeld, egels hadden daar een voorbeeld aan kunnen nemen. In een politiek versplinterd landschap zonder helder eenduidig mandaat van de kiezers is het extreem ingewikkeld om niettemin een stabiele coalitie te smeden. Al helemaal wanneer alle vleugels en staartveren van alle fracties nodig zijn voor de meerderheid. Zoiets kost Ausdauer en vakmanschap, naar het woord van Bas de Gaaij Fortmann ‘de kunst van het ivoordraaien’. Het is een compliment waard aan de onderhandelaars en aan informateurs en formateur dat dit uiteindelijk gelukt is in de vorm van een gewoon parlementair meerderheidskabinet. De premier noemde het in de regeringsverklaring een zoektocht naar de kwadratuur van de cirkel. Dat is volgens een hooggeleerde collega in mijn fractie nu juist het prototypisch voorbeeld van een fundamenteel onoplosbaar probleem, maar het ging de premier natuurlijk om de intentie!

Ondertussen moeten we ons wel zorgen maken. Het vertrouwen in de parlementaire democratie hangt onder meer samen met de slagvaardigheid die ons stelsel weet op te brengen. Die loopt risico’s door de electorale versplintering en door het onvermogen van partijen om brede allianties aan te gaan. En door het beeld dat deels terecht is maar deels ook overdreven dat de politiek een gesloten, in zichzelf gekeerde en moeilijk toegankelijke kaste is. Honderd jaar werd de eerste stap in het algemeen kiesrecht gezet – alleen voor mannen, het actief vrouwenkiesrecht volgde pas twee jaar later. Misschien reden om het glas te heffen. Maar volgend jaar is het ook honderd jaar geleden dat Troelstra een poging deed om de democratische staat omver te werpen. Een stabiele parlementaire democratie is nooit vanzelfsprekend en de steun daarvoor onder de bevolking ook niet.

In die honderd jaar is het niet gelukt om binnen de parlementaire democratie nieuwe wegen te bewandelen om burgers en politieke macht aan elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door een ander kiesstelsel te beproeven, kiezers een direct mandaat aan de macht te laten geven of in de Grondwet een beslissend correctief referendum op te nemen. De eerste poging daartoe faalde in 1921, ook dat is bijna een eeuw geleden.  Politieke partijen op brede grondslag slagen er bovendien steeds minder in om maatschappelijke bewegingen te kanaliseren en te vertalen in effectieve representatie. Het schiet dus nog niet op.

Maar onze politieke democratie is echt te belangrijk om aan de grillen van zelfbenoemde redders van het vaderland over te laten. Modernisering van het politieke bestel is noodzakelijk om het vertrouwen erin te bewaren en terug te winnen. Dat kunnen we niet alleen maar aan de staatscommissie-Remkes uitbesteden, maar zullen we ook als een opdracht aan onszelf moeten zien. Het slechtst denkbare antwoord op de systeemcrisis is het zoveelste rapport van een staatscommissie dat in een la verdwijnt. Het gaat ook niet alleen over structuuroplossingen, democratie is meer dan alleen de formele verhoudingen tussen burger en overheid; het gaat ook om het vertrouwen van mensen in de kracht van het politieke bestuur, in de responsiviteit en de toegankelijkheid en om het vertrouwen dat het politiek bestuur zelf in mensen zelf stelt. Wat dit betreft biedt de in het regeerakkoord opgenomen steun aan de deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester kansen. U zult begrijpen dat ik juist op dit punt enige voorzichtigheid in mijn optimisme betracht. De premier sprak in de regeringsverklaring over de taak van zijn kabinet om de urgentie van deze tijd te snappen. Ik ga er van uit, zeg ik tegen hem, dat hij de modernisering van onze democratie daaronder rekent.

Of Rutte III een heel gewoon kabinet is, zoals de premier zei, zullen we moeten afwachten. Ik hoop in ieder geval dat van scherpe en harde tegenstellingen tussen coalitie en oppositie in deze Kamer niet vaak sprake zal zijn en dat de stemverhoudingen hier niet steeds op de laatste man of vrouw zullen hangen. Dat vereist bereidheid en vertrouwen van alle kanten. Mijn fractie zal zich daarvoor inzetten. Het regeerakkoord van Rutte III is natuurlijk voor ons een relevante leidraad al was het maar omdat een niet onbelangrijk deel van ons partijprogramma daarin is opgenomen. Het is voor ons echter geen wet van Meden en Perzen. Waar mijn fractie natuurlijk wel rekening mee wil houden is dat een regeerakkoord altijd een onderhandelingsresultaat is, een compromis tussen partijen die verantwoordelijkheid nemen en dan ook accepteren dat niet alleen zijzelf maar ook de anderen er voldoende van hun gading in kunnen vinden. Wie te makkelijk andermans stenen uit de muur wil halen, houdt geen bouwwerk meer over.

Dat bouwwerk oogt wat ons betreft stevig. Waar extra middelen voorhanden zijn, worden die op de juiste prioriteiten ingezet, waar hervormingen nodig zijn worden die aangekondigd, innovatie door wetenschap en techniek wordt gestimuleerd en op medisch-ethisch vlak in ieder geval niet op voorhand geblokkeerd.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke steen van het bouwwerk er even fraai uitziet.

Ik denk bijvoorbeeld aan de afschaffing van de dividendbelasting. Het kabinet zal als het wetsontwerp deze Kamer bereikt nog wel wat overredingskracht nodig hebben om ons te overtuigen. Hetzelfde geldt voor het voornemen om de Wet raadgevend referendum op een enigszins bruuske manier in te trekken, zonder eerst de evaluatie af te wachten. Ook dat vraagt om een sterkere argumentatie dan alleen een verwijzing naar het regeerakkoord. Kortingen in het onderwijs om doelmatigheid te bevorderen terwijl er tegelijkertijd moet worden geïnvesteerd zijn voor mijn fractie eerder een vlek op het blazoen van het vorige kabinet dat de onderhandelaars vergaten weg te poetsen dan een noodzakelijke maatregel. Vindt de premier dat zelf eigenlijk ook niet?

Mijn fractie zal wetgeving die voortvloeit uit het regeerakkoord zoals altijd toetsen op kwaliteit, uitvoerbaarheid en rechtsstatelijkheid. Aan de hand van de concrete wetsvoorstellen zullen wij ook beoordelen of het kabinet het vertrouwen dat het zelf in de toekomst heeft, ook aan de samenleving en haar instellingen wil schenken. Dat betekent in veel gevallen dat de politiek op afstand moet blijven in plaats van overal alles voor te schrijven, te toetsen en af te rekenen.

Enige afstand mag het kabinet wat mij betreft bijvoorbeeld houden ten opzichte van de instituties van de rechtsstaat. Teveel politieke bemoeienis is zelden goed, behalve als daardoor wordt verzekerd dat de rechtsbijstand goed kan blijven functioneren. Mijn fractie vindt de tekst in het regeerakkoord op dit punt wel erg zuinig. Voor het evenwicht van de diensten die essentieel zijn in onze rechtsstaat had ik voorts liever gezien dat het beheer van de politie was teruggebracht naar Binnenlandse Zaken. Een uitspraak hierover van deze Kamer is helaas door het oude én het nieuwe kabinet genegeerd. De Nationale Politie is hier nog wel een apart debat en wat mij betreft een parlementair onderzoek waard, het lijkt op een typisch geval van teveel willen en te weinig kunnen; daar zijn lessen uit te trekken.

In plaats van evenwicht tussen de klassieke rechtsstaat-ministeries hebben we nu op het overbelaste mega-departement van Justitie twee ministers met een meer dan opmerkelijke portefeuilleverdeling: de zittende en staande magistratuur uit elkaar getrokken, rechtspleging en rechtshandhaving geknipt en als kers op de taart alle juridische onderwerpen bij de bestuurskundige minister en alle bestuurlijke zaken bij de topjurist. De wegen van de formateur zijn soms ondoorgrondelijk. Maar ik wens de beide ministers en de staatssecretaris op dit lastige ministerie natuurlijk alle succes en vooral een langer verblijf dan verschillende van hun voorgangers was gegeven.

Het kabinet gaat regeren in een economisch gunstig tij. Dat schept de gelegenheid maar ook de verplichting om dat tij verder te stimuleren en te gebruiken om noodzakelijke hervormingen door te voeren.

Een buitengewoon belangrijke opdracht van dit kabinet is wat D66 betreft een urgent en ambitieus klimaatbeleid dat rigoureus moet zijn maar ook draagvlak in de samenleving vereist. Alleen om deze reden al betreur ik nog steeds dat GroenLinks ervoor koos om het gelijk aan de zijlijn uit te venten. Ik spreek niettemin de hoop uit dat het niet alleen bij uitventen blijft. Een nieuwe Klimaatwet kan een gezamenlijk project zijn. Het kabinet zet in op een Nationaal Klimaat- en Energieakkoord en op samenwerking met bedrijfsleven en instellingen om Parijs te halen en liefst te passeren: 49 % reductie CO2 in 2030 en als het mogelijk is 55% in EU-verband. Dat zijn mooie voornemens die mijn fractie van harte onderschrijft. Maar: hoe gaat het kabinet dat bewerkstelligen? Er zullen meer maatregelen nodig zijn dan nu voorzien. Waarom in dit verband niet inzetten op eerdere sluiting van een of meerdere kolencentrales, bijvoorbeeld al in deze kabinetsperiode? Het motto van de premier op dit punt is toch lange termijn-denken en korte termijn-doen. Ook vraagt mijn fractie zich af hoe grondig, vergeef mij de woordspeling, het voornemen doordacht is van de ondergrondse CO2-opslag? Is dat daadwerkelijk op deze schaal realiseerbaar en waarop baseert het kabinet deze aanname?

Wij zien uit naar de maatregelen die in de zorg worden genomen, in het bijzonder de ouderenzorg en de preventie. Ook hier wordt overigens veel verwacht van akkoorden en nog eens akkoorden. Die kunnen voor draagvlak zorgen maar natuurlijk nooit de verantwoordelijkheid van regering en parlement overstijgen.

Dat geldt uiteindelijk ook voor de aangekondigde hervormingen van de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel. Minister Koolmees als de nieuwe polderpaus, het is even wennen, maar wij hebben er groot vertrouwen in. Mijn collega Alexander Rinnooy Kan heeft de afgelopen jaren het verzet tegen de onmogelijke Wet DBA aangevoerd en wij zien met tevredenheid dat het kabinet voor een ander systeem kiest om schijnzelfstandigheid tegen te gaan maar echte zzp’ers niet in de weg te lopen. Ook hier zal goed gelet moeten worden op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, precies die criteria waar de nu in te trekken wet niet aan wist te voldoen.

De op zich bescheiden herziening van het belastingstelsel heeft al veel discussie losgewoeld. Mijn fractie steunt de vergroening en de verschuiving van belasten van arbeid naar belasten van consumptie. Ik vind het zelf een grote stap voorwaarts dat de vier coalitiepartijen erin zijn geslaagd om elkaar te vinden in een versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek en het is in de ogen van mijn fractie niet onrechtvaardig dat ook de woonsubsidie voor huiseigenaren die geen hypotheek meer hebben stap voor stap wordt verminderd.

Het is jammer dat het kabinet geen plannen heeft om het lokale belastinggebied te vergroten, vanzelfsprekend op neutrale wijze. Zeker de grote decentralisaties van de afgelopen jaren konden als evenzovele argumenten hebben gediend om wel tot die stap over te gaan; het zou ook een principiële keuze zijn geweest om inhoud te geven aan het belang van democratische keuzes dichtbij de burger. Ook het decentralisatiedebat zal om een vervolg vragen, des te urgenter als aan gemeenten nog meer landelijke verantwoordelijkheden worden overgedragen. In dat kader verwachten wij ook de nodige ambitie van het kabinet om de bestuurskracht in het decentraal bestuur te versterken en bestuurlijke drukte te verminderen.

Vorig jaar noemde ik gelijke kansen voor iedereen als toetssteen voor een nieuw kabinet. Sociaal beleid en integratie dragen daar natuurlijk aan bij, maar onderwijs raakt de kern van die opdracht. Het regeerakkoord besteedt daar gelukkig aandacht aan, bijvoorbeeld door stapelen aan te moedigen in plaats van af te remmen. Ik roep de onderwijsministers wel op meer te doen aan achterstandsonderwijs, zo ongelofelijk nodig in ons land met een groeiend aantal leerlingen van niet-Nederlandse achtergrond en meer dan twee miljoen laaggeletterden. De forse investeringen in met name het primair onderwijs bieden meer ruimte voor de leraren en meer ruimte, letterlijk, in de klas. Ik realiseer mij dat het niet snel genoeg is en dat minister Slob er nog een hele kluif aan zal hebben om de leraren in het funderend onderwijs er van te overtuigen dat daadwerkelijk grote stappen voorwaarts worden gezet.

Het hoger onderwijs in Nederland behoort tot de top van Europa, studenten zijn tevreden en de arbeidsmarktperspectieven uitstekend. De minister-president zei in de regeringsverklaring te streven naar meer vrijheid van onderwijs in plaats van minder. Ik ben het er van harte mee eens. Laat het kabinet een begin daarmee maken door te vertrouwen op de kwaliteit en maatschappelijke kracht van universiteiten en hogescholen in plaats van nieuwe voorwaarden te verbinden aan de bekostiging. Mijn fractie is overigens blij met de 400 miljoen structurele intensivering in fundamenteel, toegepast en praktijkgericht onderzoek waardoor de in de wereld unieke Nationale Wetenschapsagenda in uitvoering kan worden genomen en de kennisinfrastructuur eindelijk weer kan worden versterkt. Mag ik ervan uitgaan dat de ministers van OCW en EZK dit als één gezamenlijk project beschouwen en een stammenstrijd zullen voorkomen?

Ik wil afronden met een enkele opmerking over de internationale rechtsorde. In deze hoogst onzekere wereld passen een wederopbouw van onze defensieorganisatie en een verdere intensivering van de internationale samenwerking via ontwikkelingsbeleid en buitenlandse handel. Voor wat betreft dat laatste vraag ik expliciet aandacht voor kennis als grondstof voor internationale relaties, de zogenaamde WTI-diplomatie.

De plek van Nederland in het internationale discours zal opnieuw moeten worden gedefinieerd. Komend jaar zal ons land in de Veiligheidsraad een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan het gezag en de rol van de VN in internationale conflicten en spanningen. Daarom is het ook wijs dat de regering de onverstandige plannen om uit een van de VN-instellingen te stappen inmiddels heeft ingetrokken. Er zijn grotere belangen te verdedigen. Mijn fractie verwacht veel van de ministers Zijlstra en Kaag, die elkaar naar het mij voorkomt, perfect aanvullen en in ieder geval veel van elkaar kunnen opsteken. Samen met de minister-president vormen zij een geducht buitenlandtrio. In het internationaal veiligheidsbeleid ga ik ervan uit dat minister Bijleveld voluit wil inzetten op een Europese dimensie van de krijgsmacht. De eerste stappen op weg naar een gecoördineerde en geïntegreerde Europese defensie-inspanning zijn gezet en wat mijn fractie betreft wordt daar krachtig op doorgepakt.

Zowel hiervoor als voor wat betreft de verdere ontwikkeling van de Europese Unie als waardengemeenschap, als economische, monetaire én politieke eenheid, is Nederland sterk afhankelijk van de Franse en Duitse inzet, tenzij de Britten zich niet langer als lemmingen gedragen en terugkeren van de rand van hun eigen afgrond. De EU bevindt zich opnieuw in een ietwat onzekere ontwerpfase waarin oude stramienen en taboes ter discussie staan. Nederland heeft geen andere keuze dan te investeren in de Frans-Duitse as en een betekenisvolle partner te zijn in het toekomstdebat. We weten inmiddels dat ook een voldragen en gedragen immigratiebeleid alleen in Europees verband gestalte kan krijgen. Graag een reactie van de minister-president.

Naar mijn vaste overtuiging zijn wij het stadium voorbij dat het Nederlands EU-beleid moet worden bepaald door Euroscepsis. Die scepsis was en is een overschatting van de angst en de weerzin die over Europa zou bestaan. Zonder Europa gaat het niet. Wie vol voor Europa gaat en daar ook voor uitkomt, de noodzaak aantoont voor onze welvaart, onze rechtsorde en onze vrede, krijgt uiteindelijk ook de mensen mee!

Een sterk land nog beter maken voor iedereen, zei de premier in de regeringsverklaring. En iedereen betekent alle mensen die hier mogen zijn, met en zonder beperkingen, met of zonder dubbele paspoorten, met of zonder kleur, met en zonder werk. Een kabinet dat van al die markten thuis is. Dat kabinet verwelkomen wij graag! Ik wacht met belangstelling de beantwoording van de premier af.